Preek van de Kerstzondag

Bij Ezechiël 37: 15-28, Johannes 1: 14-18 en Matteüs 1: 18-25

I

Er was eens een tijd, of eigenlijk voordat de tijd bestond, dat God alles was wat er was. En ergens in de tijd voor de tijd, besloot God een wereld te maken. Het was prachtig en fascinerend en het paste allemaal prachtig bij elkaar, maar iets miste nog in dit meesterwerk. En dus ging God aan de slag met zijn ‘signature piece’. Een man en een vrouw maakte hij, van vlees en bloed, een wonderlijk medium, flexibel en warm bij aanraking. God hield ervan om naar ze te kijken en te zien hoe ze lachte en rende, hij hield ervan om tijd met ze door te brengen, ja, zijn hart liep over van liefde voor hen.

En dus voelde het alsof zijn hart brak toen ze zijn woorden in de wind sloegen, zich voor hem verborgen en hem uiteindelijk helemaal leken te zijn vergeten. Ze noemde zichzelf ‘self-made’ alsof dat een pré was. Maar de problemen stapelde zich op, mensen keerde zich tegen elkaar en vergaten te zorgen voor de aarde.

God probeerde ze op elke mogelijke manier te waarschuwen. Hij riep ‘stop alsjeblieft met jezelf vernietigen’, maar de mensen hoorde alleen de donder. Hij zei ‘ik hou nog steeds zoveel van jullie als op de dag dat ik jullie maakte’, maar ze hoorde alleen een gek die over het water riep.

Alleen babies vormde een uitzondering. Waar hun ouders doof waren voor Gods woorden, lachte zij om God’s grapjes of huilde ze met hem wanneer hij huilde. Zij gingen geen oorlog voeren, spraken geen kwetsende taal. En hoewel niemand naar hun mening over belangrijke zaken vroeg, leek iedereen van ze te houden en dat gaf God een idee. Waarom zou hij zichzelf niet creëren als één van deze verrukkelijke wezens?

Hij legde het plan op tafel voor zijn raad van aartsengelen, die eerst erg stil bleven. Tot uiteindelijk de oudste aartsengel naar voren stapte en hun zorgen verwoorde. Als God dit zou doen, dan zou hij zich overleveren aan de genade van zijn schepselen. Ze zouden alles met hem kunnen doen. Kon hij niet op zijn minst zichzelf een baby maken met wat magische krachten. Het was weliswaar een lumineus idee, maar het miste nog wat adequate veiligheidsmaatregelen.

God bedankte de engelen voor hun zorgen, maar zei nee. Hij zou gewoon een normale baby worden. Hoe zouden zijn schepselen hem anders vertrouwen? Hoe kon hij ze anders overtuigen dat hij hun leven van binnen en buiten kende? Er was een enorm risico, maar hij wilde hen nu net laten weten dat hij bereidt was alles te riskeren om maar dichtbij hen te komen, in de hoop dat ze opnieuw van hem zouden houden.

Het was een gedurfd plan, maar de engelen besefte dat God niet op andere gedachten te brengen was, en dus braken ze uit in applaus.

Terwijl ze nog aan het klappen waren, keerde God zich om en verliet hij de raadskamer. Met dat hij wegliep viel zijn koningsblauwe mantel van hem af, op de grond. En toen gebeurde er iets bijzonders, de vloer smolt en opende zich om wat ruige bruine weilanden te onthullen, gespikkeld met schaapjes en in het midden een groepje herders rond een kampvuur. Het was moeilijk te zeggen wie meer geschrokken waren, de herders of de engelen. Maar terwijl de herders omhoog keken, duwden de engelen de oudste engel naar voren. En terwijl de engel naar de herders keek die zich probeerde te verstoppen, zei hij met een stem zo zacht als hij maar kon opbrengen ‘wees niet bang, want zie ik breng jullie goed nieuws van grote vreugde voor alle mensen, want vandaag is jullie een redder geboren, de Messias’.

En van over de heuvel, vanuit de richting van het stadje, klonk het huilen van een pasgeboren baby.  

II

Soms hebben we nieuwe of andere woorden nodig, om opnieuw verrast en geraakt te worden door iets wat we al precies dachten te kennen. Dat gebeurde in ieder geval bij mij toen ik deze kerstvertelling tegen kwam bij theologe Barbara Brown Taylor.

Op de een of andere manier helpen verhalen en mythen ons als mensen, om iets bloot te leggen wat niet op een andere manier uitgedrukt kan worden. Iets wat we misschien nog niet helemaal vatten of begrijpen, maar waar we tegelijk ook niet omheen kunnen.

Niet voor niets zegt de schrijver C.S. Lewis ergens ‘als mensen kunnen wij twee dingen, wij kunnen iets ervaren en we kunnen het analyseren of er over praten, maar het is heel moeilijk om dat allebei tegelijk te doen’. Dat geldt volgens Lewis voor het hele leven, ook voor ons contact met de diepste werkelijkheid. Je kunt het analyseren en er over discussiëren (over God bijv.), maar hoe meer je dat doet, hoe meer het ook op afstand komt. De mythe en het verhaal is volgens hem eigenlijk de beste vorm die we hebben om de ervaring en de analyse bij elkaar te houden en ons tot de diepste waarheid te verhouden. Op die manier participeer je erin terwijl je erover nadenkt.  

Maar wat nu als zo’n mythe de geschiedenis binnenkomt? Een historische structuur aanneemt? Wat als het Woord vlees wordt? Dan houdt het niet op een mythe of verhaal te zijn. Wat nu als dat kerstverhaal bij uitstek iets bloot legt van de werkelijkheid wat niet op een andere manier uitgedrukt kan worden. Wat als dit verhaal meer is dan een verhaal, maar ons uitnodigt om er in binnen te stappen, om ons erdoor te laten raken en te veranderen?

III

Volgens mij is dat precies wat er gebeurt in de lezingen van vanochtend. Mattheüs en Johannes proberen allebei op hun eigen manier beeld en woord aan te geven aan iets waar ze helemaal door van hun stuk waren geblazen, wat hun met totaal nieuwe ogen naar de werkelijkheid en naar God had laten kijken.

Johannes doet dat met grote woorden en kosmische proporties. Hij heeft het over het Woord wat er was vanaf het begin, waaruit alles is ontstaan. Het Woord dat leven geeft en licht is in de duisternis. Het Woord dat bij God was, ja God zelf is. Dat Woord, is mens geworden, heeft bij ons gewoond en liet ons zien wie God is en hoe God is.

Mattheüs begint heel anders, met een op het eerste oog nogal droog en feitelijk geslachtsregister. Maar stuk voor stuk brengen de namen uit dat geslachtsregister herinneringen omhoog aan mooie en moeilijke tijden; aan Gods verbond en zijn beloften en aan een doorgaande hoop op een tijd van vrede en gerechtigheid, waar God voor altijd in hun midden aanwezig zal zijn. Een hoop zoals we die tegenkwamen in de lezing uit Ezechiël.

En tegen de achtergrond van die geschiedenis en verwachting, vertelt Mattheüs dan het verhaal van Jozef en Maria. Een jong stel, uit een nietszeggend plaatsje. Die beide een boodschap krijgen die hun leven op z’n kop zet. Een belofte die niet te bevatten is, maar waar ze toch op vertrouwen.

Het Woord dat mens/vlees geworden is. God geboren als baby’tje, in de zorgende handen van Jozef en Maria. Twee heel verschillende bewoordingen, maar waarmee beide schrijvers uitdrukking proberen te geven aan een waarheid en werkelijkheid waar ze niet omheen konden en die ze tegelijk maar amper begrepen. Een werkelijkheid waarin hemel en aarde elkaar raken. Een werkelijkheid die zichtbaar wordt in de naam van het kind, Immanuel: ‘God met ons’.

IV

‘God met ons’, voor Johannes en Mattheüs waren dat geen makkelijke of lege woorden. Want voor hun lezers leek de dagelijkse realiteit op alles te wijzen behalve dat. Jeruzalem was vernietigd; het Joodse volk verdreven en verspreidt; en als volgelingen van Jezus kreeg men van alle kanten te maken met tegenstand. En toch verbindt precies dit punt hun verhalen.

God die er in zijn liefde voor koos met ons te zijn, met alle risico’s van dien. Als een klein en kwetsbaar baby’tje kwam hij onze geschiedenis en leefwereld binnen. Als mens van vlees en bloed liet Jezus ons zien dat God niet ver van ons is, afstandelijk of op grootte hoogte, maar dat hij altijd al met ons was en dat nog steeds is. De wereld is de plek waar God zich verbergt en zich openbaart.  

Ja, God koos ervoor deel te worden van deze wereld, zoals die is; niet zoals we zouden willen dat die was. Hij koos ervoor te delen in onze levens en onze lichamen, zoals die zijn, niet zoals we zouden willen dat ze waren. Het laat zien dat de wereld, ons leven en ons lichaam er voor God ten volle toe doen. Niet alleen wanneer zij perfect of op het hoogste niveau functioneert. Maar juist ook in haar kwetsbaarheid en gebrokenheid.

V

Het is iets wat misschien maar moeilijk te bevatten is. Misschien ook wel omdat die woorden en die belofte ‘God met ons’, zo vaak anders wordt gebruikt. Als een slogan voor politieke partijen of naties. Als iets dat wordt bevestigd door grote tekenen of bijzondere gebeurtenissen. ‘God met ons’ wordt dan verbonden aan glorie en overwinning, hulp of een verzekering voor de toekomst of dat ons niets overkomt.

Maar het blijkt totaal omgekeerd. Johannes zegt: ‘Gods Woord is mens geworden en heeft onder ons gewoond, vol van genade en waarheid en wij hebben zijn grootheid (of zijn glorie) gezien’. Gods glorie kreeg een tastbare vorm en was aanraakbaar. Maar dan niet in de vorm van een machtsvertoning. Ironisch genoeg wordt Gods glorie juist zichtbaar in de kwetsbaarheid van een baby’tje, in het leven en het lijden van Jezus.

Het is een ander beeld van God dan dat men in die tijd had, en misschien ook wel heel anders dan dat wij hebben. Want om eerlijk te zijn, zouden we soms best verlangen naar een God die de wereld maakte zoals we zouden willen dat die was; die ons leven maakte zoals ik zou willen dat die was. Een God die zijn macht toont, die ons beschermt en die het kwaad en het lijden ver weg van ons houdt.

Al is het maar omdat we gewoonweg zelf soms geen raad weten met de gebrokenheid in ons eigen leven, met onze zwakte of tekortkomingen, met de pijn van het verleden, met het lijden wat zo alom tegenwoordig lijkt of met ons lichaam wat maar niet wil meewerken. We zouden er liever zo ver mogelijk vandaan bewegen.

En toch is het precies daar dat God bij ons komt. God komt in deze wereld en in ons leven zoals die is. Delend in onze kwetsbaarheid en lichamelijkheid. God gaat niet uit de weg, wat wij soms het liefst uit de weg zouden gaan. Hij ziet daar waarde, kracht en hoop, waar wij dat nog lang niet zien.

Echt te bevatten is het niet. Misschien lezen we daarom wel ieder jaar opnieuw dat kerstverhaal. Om ons steeds weer te verwonderen en te laten raken, om bloot te leggen wat anders bijna niet uit te leggen is.

Het betekent niet dat daarmee al onze worstelingen en vragen weg zijn, maar wel dat ze niet aan dovemans oren of aan iemand ver en veilig op afstand gericht zijn. Wanneer het voelt alsof we er alleen voor staan of niemand ons begrijpt, dan horen we God vanochtend zeggen dat hem niet vreemd is. Wanneer het donker zich aan ons opdringt en we geen licht meer kunnen zien, dan mogen we vanochtend ontdekken dat het Licht zelf zich naast ons bevindt en met ons is. 

VI

Maar ook dat het daar niet eindigt. Lewis zei het al, wat als zo’n mythe of verhaal de geschiedenis binnenkomt? Dan houdt het niet op een verhaal te zijn. Dan verandert het alles.

Gods komst, zijn incarnatie (ja, zijn vleeswording), blijft ook niet beperkt tot dat ene moment. Misschien is de incarnatie is wel veel minder een doctrine dan een praktijk. Was het niet iets wat Jezus slechts eens en voor altijd kwam doen, maar iets waarin hij iedereen, die ervoor open staat, laat zien hoe Gods woord ook vlees kan worden in ons eigen leven. In Jezus ontdekken we de diepe betekenis van menselijkheid en ontdekken we hoe wij ook met elkaar kunnen zijn. In Christus worden wij ook tot een woonplaats van God in de Geest.

Ja, onze wereld en onze lichamen blijven Gods beste manier om tot ons te komen. En we omarmen die dagelijkse praktijk van incarnatie, wanneer we gaan op die weg van het leven, die God voor ons opende in Jezus. Ja, wanneer we God in ons geboren laten worden, dan is niet te voorspellen wat daaruit voort kan komen.

Jozef en Maria zijn daar misschien wel de perfecte voorbeelden van.  Maria, enerzijds een gewoon jong meisje was, die geloofde wat de engel haar zei. Maar anderzijds de moeder van de Zoon van God, met genoeg geloof om bergen te verzetten en te zingen over haar zoon alsof hij al een grootse koning was, in plaats van een klein hoopje cellen in haar baarmoeder, een klein baby’tje in haar armen. En Jozef een gewone jongeman, maar die tegen alle culturele verwachtingen in en zijn eigen toekomst op het spel zettend, de belofte van de engel geloofde en ervoor om met Maria te zijn.

Wanneer we God in ons geboren laten worden, dan is niet te voorspellen wat daaruit voort kan komen. Wanneer in navolging van Gods komst onder ons, God Woord steeds weer vlees wordt in ons eigen leven, dan wordt er steeds opnieuw weer iets zichtbaar van herstel, van leven en vernieuwing. Wanneer we ons laten drijven door zijn liefde, dan blijkt het kleine en kwetsbare sterker dan wat groot en imposant lijkt, en dan blijkt het licht steeds weer sterker dan het donker. We mogen blijven hopen, omdat God zelf bleef hopen. Geloven, omdat hijzelf bleef geloven. Liefhebben, omdat God zelf nooit zijn eerste liefde opgaf.

Amen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.