Preek van de Week – Zondag 9 oktober ’22

1 Koningen 17, 24 . 29 – 34
Lucas 17, 11 – 19

I
Echt opschieten doet het niet.
Jezus is onderweg naar Jeruzalem.
Met het kompas op scherp, schrijft Lucas al in hoofdstuk 9.
Vastberaden.
Ondanks Herodes, die daar niet op hem zit te wachten.
We zijn acht hoofdstukken verder en Hij is er nog niet.
Liefhebbers van landkaarten en wandelroutes raken het spoor bijster.
Hij komt door het midden van Samaria en Galilea, schrijft Lucas.
Dat lijkt wel de andere kant op.
Zo kan het nog wel even duren voor Jezus in Jeruzalem is.
Het maakt nieuwsgierig naar dat kompas van Hem, hoe het is afgesteld.

Hij komt door het midden van Samaria en Galilea.
We laten de landkaart even voor wat het is.
Want het heeft er alle schijn van dat het kompas van Jezus
op andere polen is afgesteld dan op noord en zuid, oost en west.
Hij zoekt het hart op van Samaria en Galilea.

Het hart van Samaria is de weerzin tegen Jeruzalem en de tempeldienst.
Die weerzin heeft een geschiedenis.
Er wordt op de Samaritanen neer gekeken.
Het zijn halve heidenen. En dat zijn de ergsten.
Als het even kan mijden joden elk contact met hen.
En dat is geheel wederzijds.
Al was het maar om je gevoel van eigenwaarde niet te verliezen.
Een andere bron van weerzin heeft daar alles mee te maken:
het gebrek aan identiteit.
De Samaritanen zijn een samenraapsel.
Eeuwen geleden daar lukraak neer gepoot vanuit andere regio’s
die door het Assyrische wereldrijk onder de voet waren gelopen
en gemixt met het laatste restant van de tien stammen van Israël.
We lazen er over in het boek Koningen.
Niks om trots op te zijn.
Lastig als je op zoek bent naar eigenwaarde.

En dan Galilea.
Ja, wat is het hart van Galilea?
Religieus en politiek georiënteerd op Jeruzalem en de tempel.
Maar arm.
Terwijl het land vruchtbaar is en de graanschuur van de regio.
De dagloners wonen daar.
Galilea is het Oost Groningen en Hoogeland van weleer.
Alleen woonden de boeren daar in de steden.
Tot in Jeruzalem aan toe.
In Galilea dromen ze van een nieuwe sociale orde
onder het gezag van God.
Weg met de Romeinen!
En weg met de boeren die heulen met de bezetter.
Weg ook met de priesters en wetsgeleerden,
die hen verwijten dat ze zich niet aan de reinheidsvoorschriften houden
en die zich geen moment afvragen hoe dat zo komt.
Die mooipraters in hun ambtskledij hebben geen idee
van wat een leven in armoede betekent.

Door het midden van Samaria en Galilea naar Jeruzalem komen,
betekent de verhalen meedragen van mensen die nooit gehoord worden.
Hun woede voelen en er niet voor weg lopen.
Ook niet als je niet weet wat je ermee aan moet.
Zien wat armoede en uitsluiting met een mens doen
en dan niet doorlopen.
De meeste oplossingen die voor armoede worden bedacht
komen voort uit doorlopen.
Een ander heeft een probleem en jij komt het fiksen.
In het voorbijgaan.
Dus niet hè?!
Alles begint bij stilstaan.
En bij blijven.
Want het einde van armoede en uitsluiting begint daar
waar mensen zich serieus genomen weten
en je er samen achter komt dat armoede een gezamenlijk probleem is.

Hier ligt het antwoord op de vraag naar het kompas van Jezus.
Het richt zich naar Jeruzalem door gericht te zijn op mensen,
waarnaar niemand zich richt.
Geen wonder dat Jezus nog niet is aangekomen in Jeruzalem.
Wie door het midden van Samaria en Galilea komt,
kiest niet voor de snelste route
en staart zich niet blind op de mooie plaatjes
van de stad en haar tempel.
Zo iemand leert kijken achter de façades
en ontdekt dan wat nu nog verborgen is,
dat God in zijn stad tussen de mensen wil wonen.
Je kunt niet wachten tot je in dat Jeruzalem aankomt.
Het is groter en meeromvattend dan die ommuurde stad op de berg Sion,
waar de priesterelite en Romeinse regenten de dienst uitmaken.
Hoe beter je leert stilstaan
bij mensen die eraan gewend zijn dat ze voorbij gelopen worden,
hoe dichter je dat Jeruzalem nadert,
waar God tussen mensen wil wonen.

II
Dus kon je er op wachten.
Bij een dorp komen Hem tien mensen tegemoet
die door een huidziekte onrein zijn;
ze blijven op een afstand staan.
En nou niet gaan dokteren, want dan mis je zomaar de clou!
Laten we zeggen dat het leven die tien hen aan de botten is gekomen.
Niet bij wijze van spreken, maar letterlijk.
Ze hebben er de ziekte in.
En je ziet het aan ze af.
Ze kunnen zich niet mooier voordoen dan ze zijn.
Ze zijn met z’n tienen.
Precies genoeg om een joodse kerkdienst door te kunnen laten gaan.
Maar het is een gemeente waar je niet bij wilt horen.
Ze zien er niet uit.
En zingen kunnen ze ook niet.
Ze zetten een keel op en blijven steken in het Kyrie: ‘Christus, ontferm U’.
Oftewel: ‘Jezus, meester, heb medelijden met ons!’

Jezus ziet ze.
Dat had niet gehoeven.
Ze moeten toch afstand houden.
Hij had ook kunnen denken: ‘Doe mij maar de Nieuwe Kerk!’
Daar blijven ze in ieder geval niet steken in het Kyrie
en ik ben er wat dichter bij Jeruzalem –
‘Jezus wij danken U. Jezus wij prijzen U.
Jezus, wij zingen uw heilige naam.’
(Uit het Gloria van de zondag)

Jezus ziet ze en zegt: ‘Ga u aan de priesters laten zien.’
Dat moet ik toch even uitleggen.
Als het leven je aan de botten was gekomen
en dat aan je was af te zien;
als je er de ziekte in had
en je dat niet meer wist te verbergen,
dan moest je in die tijd bij anderen uit de buurt blijven.
Stel je voor dat het besmettelijk was.
Pas als de rottigheid niet meer aan je was af te zien,
mocht je weer meedoen.
Daarover gingen de priesters.
Zij controleerden of het verantwoord was om je er weer bij te hebben.
Tot die tijd waren de mensen, die er net zo aan toe waren als jij,
je familie.
Een ongeregeld boeltje.
Daartoe behoren kon heel lang duren.
Vaak een leven lang.
Zie maar eens gezond te worden
als de anderen om je heen in het zelfde schuitje zitten als jij.
‘Ga u aan de priesters laten zien,’ roept Jezus hen toe.
Pardon?
Wij, met onze beschadigde levens?
Ze zien ons aankomen.
Raak ons aan, Jezus. Genees ons.
Dan kunnen we gaan.
En toch is dat vreemd genoeg niet hun reactie.
Ze gaan.
Ze gaan op zijn woord.
En: ‘Terwijl ze gingen werden ze gereinigd,’ zegt het verhaal.
Zonder aanraking.
Zonder machtswoord.
Al gaande.
Ze doen iets.
Ze stappen uit de cirkel die de samenleving had getrokken
om hen van het lijf te houden.
In het algemeen belang.
Ze stappen eruit.
Gehoorzaam aan het woord van Jezus.
Maar niet slaafs of passief.
Eerder als herboren.
Hoe?
Het begint allemaal bij dat Jezus hen zag.
Daar begint hun gehoorzaamheid aan Jezus.
Ze kunnen niet langer gehoorzaam zijn
aan een systeem dat hen buiten spel zet.
Ze kunnen niet meer terug achter dat moment dat hij hen zag.
Maar genezen worden ze pas als ze gaan.
Hem gehoorzamen is je hervonden waardigheid gehoorzamen.
Je kunt je niet meer verstoppen als hij je heeft gezien.

III
‘Een van hen, die zag dat hij genezen was,
keerde terug en loofde God met luide stem,’ vertelt Lucas.
Hoe zou het met die andere negen zijn?
Wie weet vallen zij hun familie in de armen
en loven zij God even uitbundig als de ene die terug keerde.
Wat is er mooier dan thuiskomen
en alle ellende achter je kunnen laten?
Je kunt vooruit.
Je kunt weer meedoen.
Je kunt als je dat wilt Jeruzalem weer binnen gaan
in de stoet van pelgrims.
Het zou zo maar kunnen zijn dat de eerste zijn plan al heeft getrokken:
‘Morgen naar Jeruzalem! Godlof!’

Waarom toch die zuinige reactie van Jezus
over de negen die niet terugkeerden om God eer te geven?
Kan hij in hun harten kijken?
Waarom zouden zij net als die ene terug moeten keren
terwijl de toekomst voor hen open ligt?

Het zou wel eens alles te maken kunnen hebben
met het raadsel waarmee we begonnen:
Jezus, die zich vastberaden naar Jeruzalem richt
– ‘Zie, wij gaan op naar Jeruzalem!’,
maar die een onbegrijpelijke weg volgt
door het midden van Samaria en Galilea.
De plek om God te danken en alle eer te geven
is niet daar, waar alle leed geleden is en de toekomst je toelacht.
De plek om God te danken is daar
waar Hij je heeft gezien in je nood.
Daar gebeurde iets waarvan je niet wist dat je er toe in staat was:
Je stapte uit de cirkel waarin je gevangen zat.
Met dat gehavende lijf van je.
Jij, verscheurde ziel,
je stapte naar buiten, je kwam uit de kast.
Als de opgestane Heer, die door dichte deuren kwam.
En je genas.
Vraag niet hoe.
Maar je genas.

Een mens kan dankbaar zijn als ie genezen wordt verklaard.
Zoiets snapt iedereen.
Ook iemand die niet in God gelooft.
Maar er is een dankbaarheid die daarvóór ligt.
In het weten dat je bent gezien.
In dat kapotte lijf van je.
In die beschadigde ziel.
Die ene keert terug naar de plek waar hij dat heeft ervaren,
naar de mens die hem heeft gezien.
God is niet de grote fikser.
God is die daar, die jou zag.
Om terug te keren naar die plek waar het begon,
hoef je geen jood of christen te zijn.
Misschien was het wel makkelijker voor die Samaritaan
om terug te keren dan voor de rest.
Die denken bij God aan de tempel of aan de kerk.
Ook niks mis mee.
Maar als je niet oppast wordt God daar zomaar de grote fikser.

IV
Op 7 juni 1664 werd deze kerk ingewijd.
De tekst van de preek was Jesaja 2 vers 3:
‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER,
naar de tempel van Jakobs God.
Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen,
en wij zullen zijn paden bewandelen.’
‘Dit is geen tempel’ zei een gemeentelid.
‘Dit is een kerk.’
En gelijk had ze.
De kerk gaat in het spoor van Jezus,
die midden door Samaria en Galilea trok.
En als we hier zondag aan zondag terugkeren,
dan doen we wat de Samaritaan deed.
Dan danken we God dat Hij ons zag
terwijl we niet om aan te zien waren.
Dan vieren we het moment dat we uit de gevangenis stapten,
uit de kast kwamen.
Dan laten we ons gevoelig maken voor Gods aanwezigheid
te midden van mensen op wie niemand zit te wachten.
Van daar zal Hij ons de weg wijzen
en zullen wij zijn paden bewandelen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.