1 Petrus 1, 3 – 9
Johannes 20, 19 – 31
I
Tomas was er niet bij
die avond van de eerste dag
toen Jezus achter dichte deuren kwam
en in hun midden stond.
Jezus stond daar als de belhamel uit het boek Openbaring,
het lam met de halswond,
fier van vrede
in hun midden.
Tomas was er niet bij.
Ieder mens reageert anders op een traumatische ervaring –
Want zo mag je de kruisiging van Jezus
en alles wat eraan vooraf ging toch wel noemen.
De een heeft dan anderen nodig
om bij te schuilen en af te checken
of het allemaal echt zo gebeurd is als het nu wordt ervaren.
De ander kan een ander er dan juist niet bij gebruiken.
Ze trekt zich terug als een gewond dier.
Hij sluit zich af van de buitenwereld
en is niet te bereiken.
Je kunt ergens bij zijn en er toch níet bij zijn.
Ik sluit niet uit dat dit met Tomas het geval was.
Hij wordt niet voor niets Didymus genoemd.
Dat is tweevoud.
Hij is moeilijk in één woord te typeren.
Hij verzet zich tegen wat zijn vrienden hem zeggen:
‘Wij hebben de Heer gezien!’
Én hij belijdt uit alle macht: ‘Mijn Heer, mijn God!’
Hij is ‘zum tode betrübt’ en ‘Himmelhoch jauchzend’
Hij is Didymus.
De opgestane Heer heeft twee keer nodig
om achter zijn dichte deur te komen.
Zoals toen Jezus nog gewoon Jezus was
en hij twee keer de ogen van de blinde moest aanraken
voordat die zag dat mensen meer zijn dan wandelende bomen.
Je kunt ergens bij zijn en er toch niet bij zijn.
Iemand die weet wat een depressie behelst, zal stil knikken.
Maar ook als Tomas er fysiek niet bij was,
die avond van de eerste dag,
doet het niets af van wie hij is:
Didymus, een complex mens.
Twijfelaar, zo mag je het woord ook vertalen.
Twijfel, niet als filosofische oefening.
Maar twijfel die je doet vertwijfelen.
Als Jezus besluit het hol van de leeuw op te zoeken,
in het verhaal van de opwekking van Lazarus,
is het Tomas die tegen zijn vrienden zegt:
‘Laten ook wij maar gaan, om met Hem te sterven.’
Nee, vrolijk word je niet van Tomas.
Maar misschien brengt hem dat wel dichterbij onszelf
dan wij ons wensen.
Misschien ben jij zijn tweelingzus, zijn tweelingbroer.
Want ook dat kan Didymus betekenen.
II
‘Alleen als ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie
en met mijn vingers kan voelen, en als ik mijn hand in zijn zij kan leggen,
zal ik het geloven.’
Dat is de mens die zich geen knollen voor citroenen laat verkopen.
Check check, dubbel check.
Tomas geeft zich niet zomaar gewonnen.
Eerst zien en dan geloven.
Voor we daar als gelovigen wat van gaan vinden,
is het goed om alle onzin te benoemen
die in het containerbegrip ‘geloven’ terecht is gekomen.
Mensen geloven in van alles en nog wat,
ook waar het God en Jezus betreft.
Ze zijn als ingewijden in hun waarheid niet te beroerd
om te vinden dat jij er ook aan moet geloven.
Als wij straks het Credo zingen – ‘Credo in unum Deum’
heeft dat met hun waarheid niets te maken.
Het Credo wortelt in de schreeuw van die vader uit het evangelie,
die bij Jezus genezing zoekt voor zijn zieke en verwonde zoon:
‘Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!’
Geloven doe je dicht op de wonden en de vertwijfeling.
Niet jij bent de auteur van je geloven
maar de Ene die jouw ongeloof te hulp kwam achter jouw dichte deuren
en vrede over je heeft uitgeroepen.
‘Ik geloof’ kan een mens pas zeggen omdat er die Ander was
die jou bevrijdde uit jouw vertwijfeld en hardnekkig ongeloof.
Een volwassen leven lang
was Tomas mijn tweelingbroer in dwarsigheid.
Alsof ik met hem moest bewaken
dat de wonden niet zouden verdwijnen
uit het opstandingslichaam van Christus.
Ach..
Alsof het niet de wonden van Gods trouw zijn.
God die mij niets gevraagd heeft
toen Zij besloot mijn wonden en mijn dood te omarmen
en Hij die tot de zijne maakte.
Met Tomas als mijn alter ego ben ik er niet.
Stoere eigengereidheid verliest zich
als het erop aankomt in wanhoop en eenzaamheid.
Tenzij de Levende je daar niet laten wil,
de steen wegrolt die jouw ziel barricadeert,
en daar vrede over jou uitroept.
Een vrede die jou met Tomas doet belijden:
‘Mijn Heer, mijn God!’
Maar liever nog de wanhoop en de eenzaamheid verduren van het ongeloof
dan mee te gaan in een wijze van geloven
die de wonden wegpoetst uit het opstandingslichaam
en God verjaagt naar een reservaat waar alles hemels is.
Wacht je voor de pleitbezorgers van die God.
Het zijn doorgaans de zelfden die wegkijken
bij wat mensen wordt aangedaan
of zelfs wonden slaan in naam van hun God.
III
‘Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven’
zegt Jezus tegen Tomas.
Die woorden zijn een eigen leven gaan leiden.
Lijf een ziel werden van elkaar losgemaakt.
Wat je ziet is bijzaak.
Geloof zit van binnen.
De hemeldeur voor je zien open gaan,
dat is waar het om gaat.
En Tomas had dat moeten weten.
Vandaar het vingertje van Jezus dat wij erbij zien –
Niet zijn wonden maar het vingertje.
Toch is het niet het vingertje dat Jezus laat zien aan zijn leerlingen,
maar zijn wonden.
Ook die eerste keer, toe Tomas er niet bij was.
Hij staat in hun midden, zegt hen zijn vrede toe,
en toont hen zijn handen en zijn zij.
De auteur van dit evangelie schrijft in zijn eerste brief:
‘Wat er was vanaf het begin,
wat wij gehoord hebben,
wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben,
wat onze handen hebben aangeraakt,
dat verkondigen wij: het Woord dat leven is.’
Het omvat hemel en aarde. Het behelst lijf en ziel.
Dat is wat wij hier bezingen met lijf en ziel.
Het komt allemaal van de andere kant.
En dan bedoel ik niet van gene zijde.
Het komt bij de Ander vandaan
die is afgedaald en onder mensen wonen wil.
Niet in balzalen of in zwaar bewaakte vergaderoorden.
Maar bij wie de lust tot dansen is vergaan
en geen oor vinden voor hun wanstaltig verhaal.
De Ander – Ik zal er zijn. Daar. Voor jou.
Zij neemt zichzelf mee.
Tomas heeft moeite met die andere kant.
Er is maar één kant en dat is deze.
Hij wil Jezus terug zoals die was.
Tomas zoekt naar Hem als naar een door hemzelf gemerkt schaap
in een vreemde weide, schrijft Oepke Noordmans in een meditatie.
De mens, die hem inspireerde om met hem mee te gaan.
De zelfde Jezus als van vóór het trauma.
Tot het gaatje zal hij voor hem gaan
en voor de goede zaak van Gods koningschap.
Hij. Zelf.
IV
Maar op de achtste dag – dat is vandaag
moet Tomas buigen voor de overmacht van de opgestane Heer.
Buigen is niet het goede woord.
Hij mag opstaan en leven gaan.
Die daar staat in hun midden,
die daar komt achter Tomas’ dichte deur,
is niet zíjn Jezus.
Niet het door hemzelf gemerkte schaap.
De vrede die over hem wordt uitgeroepen
is niet langer de vrede die Tomas moet bevechten.
Hij is niet meer van zichzelf maar van die Ander:
‘Mijn Heer. Mijn God!’
Om het met vraag en antwoord 1
Van de Heidelbergse Catechismus te zeggen:
‘Wat is uw enige troost, beide in het leven en het sterven?’
Dat ik met lichaam en ziel, niet van mijzelf
maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus
het eigendom ben.’
Met zien heeft dat niets te maken.
Met geloven des te meer.
En geloven heeft weer niets te maken
met het afvinken van geloofswaarheden.
Met jouw wonden des te meer.
En met die van anderen hier om jou heen.
Hier vieren we het geloof
dat Christus achter onze dichte deuren komt
en vrede over ons uitroept.
Daarvoor hoeven wij de tijd niet te overbruggen naar Tomas.
We hoeven niet terug.
Gods Geest overbrugt de tijd
en laat het hier opnieuw gebeuren
en ze doet het op haar geheel eigen wijze.
Zij blaast ons open.
Zij brengt ons samen.
Zij herschept ons tot Lichaam van Christus.
Soms zeg ik het hardop tegen mijzelf:
‘Ja, dat is wat hier gebeurt!’
We hebben de wind in de rug.
Die van de Geest.
En ik heb de mazzel daar getuige van te mogen zijn.
Maar soms denk ik ook: Geloven we het wel?
Is deze plek op zondag niet te veel een vluchtheuvel geworden
voor zondagskinderen die zich grote zorgen maken,
die hunkeren naar schoonheid en gemeenschap?
Dat is niet gek.
Dat mag ook.
Maar daar houdt het feest niet op.
Hebben we er voldoende oog voor dat de deuren niet meer dicht zijn;
dat de wereld voor ons open ligt zonder er nog bang voor te hoeven zijn;
dat de wonden die we aan die wereld hebben opgelopen
en nog op zullen lopen
voortaan de wonden van de opgestane Heer zijn?
Er komen tijden aan
die we ons niet toewensen.
En wie weet zitten we er al midden in.
Tijden waarin we ons nog meer dan we vanmorgen beseffen
vrij en geborgen weten in dit evangelie
en toegerust tot verzet.
Hebben we er voldoende oog voor
hoezeer die wereld op ons zit te wachten –
op ons als collectief, als Lichaam van Christus?
Het is de wereld die God heeft lief gehad.
Waarom dan nog angstig met de rug naar die wereld gaan zitten?
De deur is van het slot.

