Er is iets in ons dat zich verzet tegen vergeten, tegen dat iemand zomaar verdwijnt. We bewaren foto’s en verhalen, halen herinneringen op – we bezweren de vergetelheid. Vandaag doen we dat ook. We noemen namen, steken een kaarsje aan.
Dat is belangrijk.
Hoe we omgaan met wie er niet meer zijn, doet ertoe.
Dat inzicht is niet nieuw. Het klinkt al in het verhaal van de oude Tobit: “Ik deelde mijn brood met wie honger leed, mijn kleding met wie geen kleren had, en als ik zag dat het lichaam van een gestorvene buiten de muren van Ninevé was gegooid, begroef ik het.”
De canon van de Protestanten heeft Tobit niet gehaald, maar zijn overtuiging bleef bewaard: dat een lichaam waarde houdt, ook als het leven eruit geweken is. Het is meer dan een omhulsel, dat wordt afgelegd. Die overtuiging klinkt ook mee in de woorden van de geloofsbelijdenis, als het gaat over de “wederopstanding van het lichaam”. Wat dat precies betekent, is een raadsel, maar in ieder geval dit: ook het stoffelijke heeft, op de één of andere manier, deel aan Gods toekomst. Daar ga je eerbiedig mee om – of het nou is door te begraven, of in een andere vorm. Zolang het maar met zorg gebeurt.
De kerk heeft die zorg bewaard in de zogenaamde werken van barmhartigheid. Jezus noemt er in het evangelie van Matteüs zes: hongerigen voeden, zieken verzorgen, vreemdelingen opnemen — werken die het leven gaande houden. Toen de kerk ze in de Middeleeuwen ging tellen, voegde ze er een zevende aan toe: de doden begraven.
Sindsdien zijn de tijden verandert. Wie in Ninevé doden begroef, tartte de wet van de koning. Wie dat in de Middeleeuwen deed, nam vaak de pest mee naar huis. Wie nu leeft, loopt als het even meezit de doden niet zomaar tegen het lijf. De doden zijn niet meer alomtegenwoordig, de dood is op afstand komen te staan. Dat kan het lastig maken om dit werk nog voor ons te zien.
Wat betekent “de doden begraven” in een tijd, waar de meeste mensen een overleden lichaam nooit aanraken, laat staan een graf delven?
Om daar iets van te begrijpen, sprak ik in de aanloop naar deze zondag drie mensen, te beginnen met een uitvaartbegeleider. Ze vertelde hoe belangrijk het voor haar is om zacht en zorgvuldig met een overledene om te gaan. Ze praat tegen ze, juist als ze alleen is. Niet omdat ze denkt dat diegene dat hoort, maar omdat iemand dat bij leven ook verdiende. Op de vraag wat de kern van dit werk van barmhartigheid is, zei ze: “Het met respect behandelen van de doden doet iets met de levende wereld.” Dat zinnetje is de afgelopen week met me meegegaan.
Het met respect behandelen van de doden doet ertoe. Want er is leven na de dood – in elk geval voor hen die achterblijven. Een zorgvuldig afscheid helpt om dat te dragen. De kaart, de kist, de kerk, de steen – het zijn rituelen die het land der levenden weer bewoonbaar maken. Niet om dan zo snel mogelijk weer door te kunnen. Nu de dood steeds meer uit het zicht verdwijnt, is ook dit een werk van barmhartigheid: dat we elkaar tijd gunnen om te rouwen, de doden blijven herdenken, de namen blijven noemen. noemen. Niet: het “een plekje geven”, maar ruimte maken voor het gemis.
Zoals vandaag. We noemend de namen van wie in het afgelopen jaar of daarvoor zijn overleden. Met elke naam zeggen we: “Dit leven heeft betekenis gehad.” Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.
Dat is extra belangrijk als dat niet vanzelf spreekt, dat gezien worden. Bij de Open Hof worden elk jaar met Eeuwigheidszondag de namen gelezen van overleden dak- en thuislozen. Daar klinkt een belofte in mee voor hen, die vaak niet worden gezien: dat als hun tijd komt, ook hun naam genoemd zal worden. Zo houdt zorg voor de doden het leven leefbaar voor de rest.
En misschien doet het ook iets voor de dode zelf. Ik sprak een Groningse straatpastor. Zij vertelde: “Als een leven zo gebroken was, en het toch lukt om de lijntjes bij elkaar te brengen, zelfs over de grens van de dood heen, dan doet dat iets voor dat leven”
En dan zijn er de mensen van wie de naam nergens klinkt.
Soms eindigt een leven in stilte.
Soms wordt iemand pas gevonden, als de buren aan de bel trekken. Het lukt de ambtenaren van de gemeente dan niet altijd om nabestaanden te vinden.
In zulke gevallen wordt in onze stad de eenzame uitvaart gehouden. Sinds 2002 worden deze uitvaarten begeleid door een gedicht van de stadsdichter – een initiatief van Bart FM Droog, destijds stadsdichter. Geboren uit het besef dat niemand zonder laatste woorden zou mogen verdwijnen.
Van de week belde ik met één van van zijn opvolgers. Hij vertelde mij hoe hij bij zo’n melding altijd eerst de plek bezoekt waar iemand gevonden is. Het deed me denken aan Tobit, die naar buiten de muren ging. Naar de rand van het leven. “Van alles wat ik als stadsdichter deed,” zei hij, “was dit het belangrijkste.”
Ik vind dat ontroerend, dat voor een anonieme dode evenveel zorg klinkt als voor een scheidend burgemeester. Maar laten we het niet romantiseren. Want eigenlijk klopt het van geen kant, wat daar gebeurt. Dat het zo ver is gekomen, dat iemand zo buiten beeld is geraakt. De doden begraven is niet: het gemis en plekje geven, maar er ruimte voor maken. Zoals een Amsterdamse dichter schreef: “Iedereen kent ze: de onzichtbare mensen – die op banken en bedden liggen, achter deuren zonder naam erop. Iedereen kent ze: de deuren, de ramen – niet de mensen.”
Als iemand in stilte verdwijnt, scheurt er iets in wat ons samenhoudt, een gat in het weefsel van de wereld. Dan moet er iemand zijn, die dat kan dichten. Een laatste daad van barmhartigheid.
Zelf had de dichter die ik sprak niet zoveel met dat woord, “barmhartigheid”. Het klonk hem te opgelegd, te vroom. Het spreekt vanzelf: dat je iemand de plechtigheid gunt die ieder mens verdient. Dat je zegt: je hoort erbij. Het is, zei hij, een kwestie van beschaving.
Misschien is beschaving wel wat er gebeurt wanneer barmhartigheid vorm krijgt in de wereld. Een beschaving laat mensen niet stilletjes verdwijnen.
Ergens voelen we, hoe broos dat is. Hoeveel lichamen liggen er wel niet buiten ónze muren — verdwenen in de Middellandse zee, stukgeslagen op fort Europa? Gelukkig wie om hen treuren. Gelukkig wie weigeren eraan te wennen dat mensen verdwijnen.
In de werken van barmhartigheid schuilt een geheim: dat wat aan vergeten mensen is gedaan, aan Christus zelf is gedaan. Van alle werken van barmhartigheid is het begraven van doden op het eerste gezicht het meest zinloze: de ander wordt er niet meer beter van. Je zou ook kunnen zeggen: het is het meest onbaatzuchtige. Juist omdat de ander het niet terug kan doen. De uitvaartbegeleider die tegen een dode praat, de straatpastor die een gebroken levensverhaal bijeen probeert te brengen, de dichter die een onbekende ten grave begeleidt, de kaarsjes die we straks aansteken – er valt niets mee te winnen.
Toch doet het ertoe: wie een mens bewaart, bewaart namelijk iets van God.
En wie weet… het zou zomaar kunnen, dat er bij het noemen van de namen nóg een Stem meeklinkt, die zegt: “Ik vergeet jou niet, zelfs niet in de dood.” Het geloof voegt dit eraan toe: dat de liefde van mensen over de grens van de dood heen, iets weerspiegelt van hoe God trouw blijft aan mensen.
Daarom: “Gelukkig de treurenden”. Dat is geen doekje voor het bloeden, maar hoop, koppig, tegen de klippen op, en een belofte: Je hebt dan wel verloren, maar je bént het niet. Nog altijd sterven mensen, en hoe. Maar eenmaal sterft de dood. Het verdriet zal getroost worden, het onrecht rechtgezet.
Dus: gelukkig wie weten van liefhebben en loslaten.
Gelukkig wie het uithouden bij het verdriet van een ander.
Gelukkig wie lijden aan het onrecht in de wereld, en toch blijven doen wat hun hand vindt om te doen.
De Joodse traditie, die van Tobit, vraagt van elk mens dat je je, als teken van solidariteit, met een paar passen bij een langstrekkende begrafenisstoet aansluit, ook al heb je geen idee wie daar ten grave wordt gedragen. Moge het zo zijn dat ieder mens op zijn laatste weg iemand vindt die zo een stukje meeloopt. En moge het zo zijn dat wij, in de dagen ons gegeven, geen kans voorbij laten gaan om in deze wereld tegen alle klippen op iets van menselijkheid te bewaren. Dat wij liefhebben wat wij kunnen. Verdriet niet verdringen. En elkaar bewaren in leven en dood.
Amen

