Jesaja 62, 1 – 5
Johannes 2, 1 – 11
I
God heeft vreemde voorkeuren.
Deze dan.
Die Ene.
Die van Ik-zal-er-zijn.
Wat goden willen weten we wel.
We hebben ze namelijk zelf in de hoogte gestoken.
Ze willen het mooiste en het grootste.
Ze zijn de belichaming van de droom van, ja, van wie niet.
Ze hebben de macht en willen jouw overgave.
Maar deze?
Die is hoteldebotel.
‘Je zult heten Mijn verlangen en je land Gehuwde.’
De profeet Jesaja
heeft dat handjevol terug gekeerde ballingen uit Babel op het oog.
Zie ze staan tussen de puinhopen van Jeruzalem.
Waar zijn ze aan begonnen?
Hoe moet dit ooit wat worden?
Geen eer aan te behalen.
Ook aan jezelf niet.
Idealen zijn mooi.
En dromen staat vrij.
Maar elke poging om die te realiseren, word je betaald gezet.
Het breekt je bij de handen af.
Zo troosteloos.
En jij past in dat plaatje.
Wat je ziet, ben jezelf –
Troosteloos, Verlaten.
Idealen. Dromen.
Hoe kon je zo stom zijn.
Maar het is niet om jouw idealen,
niet om jouw vergezichten,
dat die Ene naar jou verlangt.
Het is om jou te doen
en om de kaalslag waarin je een schuilplaats zoekt.
‘Je zult heten Mijn verlangen en je land Gehuwde.’
En je kunt het je alleen maar laten gezeggen.
Want het voelt zo anders.
Zo kun je jezelf ook niet zien.
Wij Jóuw verlangen?
Dit land Jóuw Gehuwde?
En ik zou daar bij horen?
II
Ons laten gezeggen, is dat niet wat wij hier ook doen?
Ons laten gezeggen dat God niet zonder ons wil,
dat wij Haar alles zijn?
Zonder aanknopingspunt.
Kijk, het is heerlijk om blij met jezelf te kunnen zijn.
Koester het. Straal het uit.
Laat anderen ervan mee genieten.
Jíj, gezegend mens, wees een zegen.
Maar hier vieren we iets anders.
Híer vieren we ons tekort.
Gek hè? Dat zoiets kan.
Hier laten we ons gezeggen dat God dáár wonen wil.
Bij ons. Mét ons tekort.
Vaker dan goed voor ons is kijken we er bij weg.
Dan vermomt het tekort zich als zelfmedelijden.
Het is vermengd met angst en onzekerheid.
We schrikken van de wereld alsof die niet de onze is.
Doof als die is voor onze goede bedoelingen.
Ach, als iedereen nou eens was zoals wij.
Ja, dan..
Voor gezonde zelfreflectie is vertrouwen nodig.
Het vertrouwen dat we niet alleen zijn
als we in het zwarte gat kijken.
Er is daar Een die ons de liefde verklaart.
Een die niet van wijken weet.
Die ons op de richel ruimte schept
om opnieuw van onszelf te leren houden.
Niet langer overgeleverd aan zelfmedelijden.
Net als Jesaja beschrijft Johannes deze beweging van God uit
als een bruiloft.
III
De lezing uit Jesaja
helpt om het evangelie te verstaan.
Die bruiloft in Kana, in Galilea,
is zoveel meer dan een feest, toen en daar.
Gelukkig maar, zou je denken.
Want als je het verhaal plat slaat,
kun je alleen maar concluderen dat het een bezopen verhaal is
waarin de hemel zichzelf diskwalificeert.
Alsof deze wereld zit te wachten op een God
die zeshonderd liter water in wijn verandert.
Schoon drinkwater, dat is waar het overgrote deel van de mensheid
op zit te wachten.
De verandering van water in wijn heet in dit evangelie geen wonder.
Het is een teken, zegt Johannes.
Een richtingwijzer naar een nieuwe tijd,
waarin inderdaad schoon drinkwater niet is voorbehouden
aan een select gezelschap.
Een teken grijpt daarop vooruit.
Wat nog uitstaat, wordt hier en nu alvast gevierd.
En niet te zuinig ook.
Er is een tijd geweest dat het hip was
om in de preek te zeggen dat het een verhaal is.
Natuurlijk niet echt gebeurd.
Dat wij wel beter weten.
Daar zat iets zelfvoldaans in.
Het etaleerde de kritische blik van de moderne mens.
Vrij en vastbesloten om iets van deze wereld te maken.
Maar te vaak met de rug naar het zwarte gat toe.
De wereld waarin we leven heeft meer nodig dan symboliek.
En ook meer dan zeshonderd liter voortreffelijke wijn.
‘Op de derde dag was er een bruiloft in Kana, in Galilea.’
Op de derde dag van wat?
Je bladert terug om het antwoord te vinden.
Het is op de derde dag sinds Johannes de Doper op Jezus wees,
aan de overkant van de Jordaan:
‘Zie het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt!’
O, als dat eens zou kunnen..
Er is een tijd geweest dat we het in de kerk
liever niet meer over zonde hadden.
Drank maakt meer kapot dan je lief is
maar hameren op de zonde deed dat ook.
Nu het ons steeds minder goed lukt
om weg te kijken bij het zwarte gat,
zijn we vrij om opnieuw te horen dat dit ook niet hoeft.
Omdat God daar naast ons komt staan
en daar de zondaar de liefde verklaart.
Niet de God op wie we zo graag wilden lijken,
‘meneer God’, alom geprezen.
Nee, God die we nooit als zodanig hadden herkend
als Die óns niet had herkend in onze nood,
Verstrikt geraakt in onze zonden.
‘Midden onder u staat Hij die gij niet kent’
zingt een lied voor deze zondag.
Dit goede nieuws is ook de enige goede reden
om van dit huis nog geen museum te maken.
Want is dit goede nieuws niet waar de wereld op zit te wachten?
IV
Op de feestlocatie staan zes stenen watervaten,
elk met een inhoud van ongeveer honderd liter.
Bestemd voor het Joodse reinigingsritueel.
Voor en na de maaltijd liet je water vallen in en over je handen.
Niet vanwege hygiëne.
Maar om je bij je komen en je gaan bewust te zijn
van alles wat er aan je kleeft.
Genoeg om een feest mee te kunnen bederven.
Genoeg om de toekomst mee te belasten.
De seculiere versie ervan voor vandaag
is je op gezette tijden bewust zijn van je ecologische voetafdruk,
waardoor je beter op je doen en laten let.
Die zes waterkruiken zijn leeg.
Alle water is opgebruikt.
Een dooplied zingt:
‘Want al het water wast niet af, dat wij verzinken in dit graf’.
Wat de bruiloftsgasten met zich meedragen is te veel voor dit ritueel.
Kijk, als je het leven een beetje op orde hebt,
dan draagt zo’n ritueel met wat water bij
aan het creëren van een betere toekomst.
Maar daar in Kana, in Galilea, hebben ze het leven niet op orde.
Als je het ene gat met het andere moet vullen,
heb je niet de luxe om te doen wat hoort.
De religieuze leiders in Jeruzalem hebben daar geen notie van.
Ze oordelen erop los.
Ze kijken op hen neer.
Want de mensen in Galilea verpesten hun feestje,
bezoedelen hun hoogstaand ideaal waarin het beter moet en kan.
De mensen daar zullen hen nog eens meeslepen in hun graf.
Is het gek dat het feest daar in Kana maar niet van de grond komt?
De moeder van Jezus ziet het.
Ze kijkt met andere ogen naar de mensen
dan de religieuze leiders in Jeruzalem.
Daar is ze Jezus’ moeder voor.
Daarom steken wereldwijd zo veel mensen een kaarsje bij haar aan.
‘Ze hebben geen wijn!’ zegt ze tegen Jezus.
Dit gaat over vreugde die er niet is,
over recht dat niet gedaan wordt,
over toekomst die om zeep wordt geholpen,
over onmacht en frustratie omdat het maar niet lukken wil.
Vreugde, solidariteit, recht, toekomst; daar staat wijn voor.
De profeet Jesaja weet er wel raad mee:
‘Hierheen. Hier is water voor ieder die dorst heeft.
Koop hier je brood en wijn.
Het is voor nop. Het is pro deo.’ (naar Jes. 55)
‘God richt een feestmaal aan voor alle volken.
De voortreffelijkste wijn wordt er geschonken.
Voor iedereen is er een plek aan tafel.’ (naar Jes. 25)
‘Ze hebben geen wijn!’ zegt de moeder van Jezus
Ze wijst Hem op het gat dat mensen met zich meeslepen
en waar ze voortdurend in verdwijnen.
Dit gaat dus niet over een logistiek probleem op een bruiloft,
toen en daar.
En het valt de Nieuwe Bijbelvertaling te verwijten
dat die wel deze suggestie wekt.
De wijn ís niet bijna op.
Er is gebrek.
Gebrek aan vreugde.
Omdat de mensen daar in Galilea permanent gebrek lijden
en dan vanuit Jeruzalem te horen krijgen dat ze in gebreke blijven.
Moeder Maria zegt niet: ‘Ze hebben geen wijn meer.’
Ze zegt tegen Jezus: ‘Ze hebben geen wijn!’
Tegen wie anders moet ze dit zeggen?
Direct na dit verhaal reist Jezus naar Jeruzalem
om daar met een stuk touw
de geldwisselaars en de handelaren in offerdieren
het voorportaal van de tempel uit te jagen.
Met de hartstocht van de hemel
die ook de hartstocht van zijn moeder is.
Met de mensen uit Galilea op het netvlies, die gebrek lijden
en in gebreke blijven
en vanuit Jeruzalem te horen krijgen
dat ze beter hun best moeten doen.
‘Jullie vermarkten het huis van mijn Vader voor eigen gewin.’
En dan gaat het om meer dan alleen de centen.
De vreugde die jullie beleven aan jullie wetsbetrachting
is dansen op het graf van de vreugde van wie in Galilea leven.
V
Terug naar de bruiloft in Kana,
waar – God mag weten hoe –
de bruiloft vaart krijgt en een feest wordt.
De beste wijn tot het laatst bewaard.
De omkering van alles.
‘Hoe verzin je het?’ vraagt de ceremoniemeester aan de bruidegom.
Maar die is hiervoor niet verantwoordelijk.
Dat is de gein van dit verhaal.
Je bent ontslagen van de last.
De zonde is vergeven.
Jou rest alleen de vreugde vieren.
Dichter bij het geheim dan de bedienden, de diakenen, komen
kom je echt niet.
Dit is dus wat Johannes de Doper wilde zeggen
toen hij op Jezus wees en zei:
‘Zie het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt!’
Dit is wat de kerk te vieren en te verkondigen heeft.
Bevrijd van elke vorm van voorwaardelijkheid,
van het ‘voor wat, hoort wat’ dat in elke religie sluipt.
Een diaconale kerk weet uit eigen ervaring
dat de façades bij het groot vuil kunnen.
Zie de lach op haar gezicht.
Hoor hem spotten met zichzelf.
Kijk ze toasten op de toekomst
waaruit een mens niet weg kan vallen.
God zij geloofd!