Preek van de Eerste Kerstdag

Lucas 2, 15 – 20

I
Er is iets geks aan de hand met het Kerstfeest.
Dat is niet van vandaag of gisteren.
Dat is al langer zo.
Ik meen me een tijd te herinneren
waarin de vreugde van het feest langer na-ijlde.
Het kan het kind in me zijn.
Maar dat is dan een extra reden om er zuinig op te zijn.

Het verlangen naar het Kerstfeest
heeft een langere adem dan het feest zelf.
Door die ervaring wijs geworden,
beginnen we steeds vroeger dat verlangen uit te dragen.
En omdat het nog niet meevalt
om er woord aan te geven naar elkaar toe,
omdat het dan al gauw zo plat en nietszeggend wordt,
zeggen we het vooral met lichtjes – met heel veel lichtjes.

Vertrouw maar op dat verlangen.
Vertrouw het kind in je.
Want zonder dat..,
ja, wat blijft er dan over van het Kerstfeest?
Een geboorteverhaal dat je wel kunt dromen,
maar dat jou niet meer dóet dromen.
En verder een hoop stress over dingen die moeten
en die dan ook nog eens gezéllig moeten.
Als het daar nadien dan bij in de buurt gekomen is,
halen we opgelucht adem.
Misschien geldt dat ook wel voor de Kerstmorgendienst
na de magie van de Kerstnacht.
Die nacht is vol van verlangen.
maar hoe houd je dat verlangen vast?
En: Kan dat eigenlijk wel?
Of is de Kerstmorgen vooral hard werken
ook al zijn de meeste mensen vrij?;
Hard werken om op tijd in de kerk te zijn.
Hard werken om in de buurt te blijven
van de stal die hoort bij het nachtverblijf;
van de herders die waken bij hun schapen,
en van de engelenstemmen en hun hemels licht.
Je zou ‘Stille nacht, heilige nacht’ willen zingen,
maar daarvoor is het alweer te licht
en van binnen rumoert het al weer.
Dan helpt het een beetje
als je tegen iemand die hier gisterenavond ook was
kunt zeggen: ‘Wat was het weer mooi hè?’

II
Mannes zong zojuist het gedicht ‘Achterlangs’ van Willem Wilmink.
Het is door verschillende artiesten als lied vertolkt.
‘Zullen we het klein houden?’ stelde Mannes voor.
Mannes, de piano en het gedicht.
Met de cantorij als achtergrondkoor
En Erwin op de trompet.
En zo is het gekomen.
Ik hoef niet uit te leggen wat het gedicht met Kerst te maken heeft.
Het verlangen had u allang geproefd.
En ook de weemoed die weet dat het niet vast te houden is.
‘Maar ach, de trein is doorgegaan
En kilometers daarvandaan’
Toch was de trein even daar.
En wat je zag door het raam zette even alles stil.

‘Je ziet een schuurtje met een fiets er tegen aan.
Een kleine jongen is nog op, hij mag nog even.’
Vergis ik me nou? Of ben jij dat, dat kind?
‘Je ziet een keukendeur een eindje openstaan.’
Je voelt de spanning van de schemer die tot donker wordt.
Het warme licht van binnen trekt aan je.
‘Zodra de schemer was gedaald,
was je niet langer meer verdwaald (…)
Je zou je zomaar aan hun tafel kunnen schikken
En alle dingen waren plotseling weer goed.’
O God, als dat eens waar mocht zijn.
Niemand die vraagt: Wat bedoel je daarmee? Leg uit: Wat is goed?
Nee, ogen die elkaar aankijken.
Gezichten die haast onmerkbaar naar je knikken.
Ja, alle dingen waren plotseling weer goed.

Natuurlijk raasde de trein voort.
Dat hoeft je niet te verbazen.
Treinen die op tijd rijden zijn een groot goed
voor wie van het spoor afhankelijk zijn.
Zoals Willem Wilmink dat was.
Maar even zet jouw verlangen alles stil:
De dood, de oorlog, het jachten en jagen.
Nee, niet het leven.
Dit ís het leven:
Het verlangen haar wonderlijke werk laten doen.

Nog geen woord over het evangelie volgens Lucas.
We hebben alleen nog maar ‘O God’ gehoord.
Maar dat was meer dan een stopwoordje voor de vorm.
Kwam God niet op uit ons verlangen en gemis?
Of is het misschien andersom?
Is Zij de bron van ons verlangen?
Is Hij het die mijn gemis bewaakt
zodat het niet wordt weggedrukt?

Ja, dat moet ook gezegd worden.
Er zijn velen die als een berg hebben opgezien tegen deze dagen.
De trein kan voor hen niet snel genoeg gaan.
Alle lichtjes, alle opgeklopte verwachtingen,
kunnen hen gestolen worden.
Maar net als het verlangen van het kind in jou
in staat is de trein stil te zetten,
ook al raast die in werkelijkheid door,
doet het gemis van die ander het zelfde
waardoor het niet verdrongen kan worden.
Het gemis zet alles stil.
En God, wat doet het pijn!
Verlangen en gemis zijn een eeneiige tweeling.

III
‘Laten we naar Betlehem gaan’ zeggen de herders.
Ja, laten we mét hen gaan.
Met ons gemis en ons verlangen.
Met ons tekort gekomen zijn
en ons tekort geschoten zijn.
Zo wordt geschiedenis gemaakt.

‘En het geschiedde..’ – Weet u nog? Uit de oude vertaling.
Tot drie maal toe klinkt het daar in het geboorteverhaal volgens Lucas.
Het geeft het verhaal body;
maakt het anders dan ‘Er was eens’.
Geschiedenis wordt niet gemaakt
met opgestroopte mouwen,
met ferme taal,
laat staan met donder en geweld.
Geschiedenis wordt gemaakt met gemis en met verlangen,
Gedeeld gemis. Gedeeld verlangen.
Waar we elkaar vasthouden als we er dwars doorheen gaan.
Met God in ons midden.

‘Laten we gaan zien het woord dat is geschied’
Het staat er wat cryptisch in de grondtaal.
We wisten niet eens dat het kon: woorden, die geschieden.
Daarom maakt de NBV ervan:
Met eigen ogen zien wat er gebeurd is.
Dat snappen we.
Er gebeurt er zoveel waar je niet bij bent,
wat je net gemist hebt.
Er is een kindje geboren
en het ligt in een voederbak.
Daar wil je toch bij zijn?

Maar dat het andersom is:
Dat het Woord dat bij God was,
het Woord dat God zelf was,
in óns midden is gekomen.
Hij verlangde naar ons.
Hij deelt ons gemis.
En wij gaan er omheen staan.
Mét de herders.
Dat is net iets meer dan kindje wiegen.
Dat is thuis komen:
Haast onmerkbaar naar elkaar knikken
en weten zonder het te hoeven zeggen:
‘En alle dingen waren plotseling weer goed.’
Dat alles klinkt mee in: ‘En het geschiedde’
Mooi Nederlands is het niet.
Hemels is het wel.

IV
Dat de trein is doorgegaan,
dat de Kerstnacht is voorbij gegaan,
laat geen leegte achter,
hooguit wat weemoed.
Maar die verdampt vanzelf.
Maak je geen zorgen.

Vanaf nu hoef jij je gemis niet meer weg te stoppen.
Het is gezien. Het wordt gezien.
Je bent er niet alleen mee.
Er valt licht op alles waarin jij tekort gekomen bent
en op alles waarin je tekort geschoten bent.
Er is niets om voor weg te hoeven lopen.
Iedereen in die kring rond het kind weet dat.
Iedereen knikt haast onmerkbaar naar je.
En jij naar die ander die is als jij
in haar gemis
in ons gedeeld verlangen.
Het Woord is mens geworden.
En jij nu ook. Mens zoals je bedoeld bent.
Je bent het helemaal.
Dankzij dat Woord

V
‘De meeste treinen rijden achterlangs het leven.’
Zo reist het evangelie ook: Achterlangs het leven.
En het reist me je mee.
Het is als de keukendeur die een eindje open staat.
En de trein mag dan zijn doorgegaan,
nooit ben je kilometers daar vandaan.

O nee?
En januari dan
en alles wat nog komen gaat?
Hoe reist het evangelie met je mee
als er geen tijd is voor verlangen,
als het raast in de wereld
en jij op sleeptouw wordt genomen,
als jij het niet bij kunt benen en het toch moet,
als de angst je om het hart slaat
en niemand je gerust kan stellen?
Die donkere dagen waarin je het gemis ver weg stopt
omdat je dat er niet ook nog eens bij kunt hebben,
waardoor het gemis in januari
gek genoeg net iets beter te managen is dan met Kerst?
Hoe reist het evangelie met je mee
als het niet de tijd is voor verlangen en gemis?

Weet dan dat het donker het niet in de macht gekregen heeft.
dat het alle lichtjes van december niet nodig heeft
om jou op het spoor te komen.
Gemis en verlangen vinden hun vaste grond, hun veilige haven
in die woorden uit de proloog van het Johannes-evangelie.
Ze klonken niet voor niet als eerste vanmorgen:
‘Het donker heeft het niet in de macht gekregen’
Vinden zal het jou. Dáár. In januari.

Gerelateerde berichten