I De Herbergier
Achteraf is het makkelijk praten.
In kindervoorstellingen ben ik de man
die de deur dichtdoet.
Dat is overzichtelijk.
Dan weet iedereen wie de hufter is
en kan het verhaal verder.
Maar in het echte leven geldt:
Op een gegeven moment is vol gewoon vol.
Dat is geen onwil.
Dat is logistiek.
Misschien hadden ze beter
iets eerder kunnen komen.
Ik had die volkstelling ook niet bedacht.
Er kwamen ineens mensen
die er anders nooit waren geweest.
Dat doet iets met een plek.
Vol.
Dat woord lag klaar
nog vóór zij iets zeiden.
Ik weet nog dat ik naar het bordje naast de deur keek.
Zo’n simpel plankje
dat ik regelmatig afstof.
Welkom.
Dat woord kan veel hebben.
Maar niet alles.
Ga mij niets vertellen over gastvrijheid.
Ik maak de bedden op.
Ik leeg de po’s.
Dat telt ook. Vind ik.
Ik heb vaker ja gezegd
dan ik kan navertellen.
Daar wordt zelden naar gevraagd.
De Ja’s horen erbij.
De nee, die blijft aan je hangen
alsof het iets zegt
over wie je bent.
Natuurlijk had ik gezien dat ze zwanger was
En niet zo’n beetje ook:
Een buik, die eerst de ruimte in komt. En dan volgt de rest.
Dan denk je toch ook:
hoe laat je het zo ver komen.
Dat heb ik niet hardop gezegd.
Ik dacht: het komt vast goed.
Ze vinden wel iets.
Iemand anders zegt straks wel ja.
Of misschien had ik de deur al dicht
en moest ik daar nog een gedachte bij zoeken.
Kijk, iedereen is het erover eens
dat mensen niet op straat horen.
Maar je moet het wel
op een verantwoorde manier doen.
Je hebt ook een zorgplicht naar de mensen die al binnen zijn.
Je moet ergens een grens trekken.
Dat klinkt redelijk
als je het rustig zegt.
Ik weet dat het hard is. Ik weet alleen ook
dat een huis iets moet kunnen dragen.
En dat goede bedoelingen geen extra kamer maken.
En ik dacht weer:
het komt vast goed.
Ze zijn met z’n tweeën.
Ze vinden wel iets.
Het is een stad.
Er is altijd wel ergens licht.
Het verhaal ging verder.
Ik ook.
II De herder
Wij waren niet wakker omdat we iets verwachtten.
Wij waren daar omdat schapen ’s nachts
niet vanzelf ophouden met bestaan.
Schapen zijn niet slim. Echt niet.
Ze lopen achter elkaar aan,
kukelen zo in een gat
dat er altijd al was.
Als je ze niet oplet,
zijn ze weg.
Of dood.
En dan mag jij het uitleggen.
Je let op.
Dat is het.
Geen hogere wiskunde.
Je moet er alleen bij blijven.
Dom werk, heette dat vroeger.
Nu zeggen ze: praktisch geschoold.
Bedoelen ze hetzelfde mee.
En als er ergens iets weg is, hebben wij het weer gedaan.
Zo gaat dat.
Die nacht was zoals andere nachten.
Koud. Nat.
En toen was het raak.
Alsof iemand het donker
in één keer wegtrapte.
En wij stonden vol in de schijnwerpers.
Dat is voor mensen als wij meestal geen goed teken.
Iedereen heeft wel iets
dat beter in het donker kan blijven.
Ik dacht: nou komt het
Maar in plaats daarvan—
woorden.
Goed nieuws.
Vrede.
Dat soort woorden
hoor je meestal van mensen
die ze zelf niet hoeven waarmaken.
Ze zeiden: een redder.
Die types kennen we.
Grote woorden,
warme beloftes.
Maar toen begonnen ze over een kind.
Een teken, zeiden ze.
Noem het hoe je het wilt.
Een kind laat je niet alleen.
Ineens gingen ze zingen.
En niet zo’n beetje ook.
Het ging dwars door je heen.
Maar mooi … Zo godallemachtig mooi.
Dat je er niks op terug hebt.
En dat heb ik niet vaak.
Je hoorde er iets in
van hoe het zou moeten zijn.
Er zat geen woord Latijn bij.
Niet iedereen ging mee.
Scheelde weer.
Ik wel.
De stal was wat je verwacht
als mensen het doen
met wat er is.
Je zag aan die twee
dat ze dit ook niet
zo hadden bedacht.
Het kind lag daar.
Te klein voor die wereld.
Rood hoofdje. Beetje blauw nog.
We hebben maar gezegd
dat het een lief kind was.
En we hebben verteld wat de engelen zeiden.
Over vrede.
Over goed nieuws.
En dat klonk anders
met dat kind erbij.
Een lam staat nog op, als het geboren is.
Dit niet.
Daarna weer terug.
De schapen stonden er nog.
De volgende nacht
was het weer donker.
Er was niks opgelost.
Maar het is ook niet niks.
Dat iemand gedacht heeft:
zij eerst.
III Maria
Ze noemen het een stille nacht.
Dat lijkt me een misverstand.
Mijn lijf trilt nog.
Niet van de kou.
Van na.
Een kind is ons geboren, zeggen ze.
Dat klinkt alsof niemand iets hoefde te doen.
Alsof het gebeurde
terwijl je even niet keek.
Maar een kind komt er niet zomaar.
Een kind wordt gebaard.
Er was pijn.
Het ging bijna niet.
Er was water en bloed.
En toen was hij er.
Ik heb hem afgedroogd.
Ze zullen er vast iets moois van maken.
Dat mag.
Maar dit was het.
Er zit een zacht plekje op zijn hoofdje.
Ik aai eromheen.
Het gaat niet altijd goed.
Niet iedereen komt hier doorheen.
Soms blijft het stil.
Maar daar kun je tijdens niet aan denken.
Het moet, ook als het niet past.
Dat mijn lijf dit wist.
Dat het dit gedaan heeft.
Uit mij is iets gekomen
dat groter is dan ik.
Niet iets.
Iemand.
Hij heeft al een naam.
Jozef kwam ermee.
Gedroomd,
zou hij zeggen.
Ik herken dat.
Dat woorden je vinden.
Eerder waren er ook woorden.
Ze kwamen ineens.
Ze bleven hangen.
En er groeide iets.
Nu lijkt hij net een klein, oud mannetje.
Ik blijf maar kijken.
Jozef staat dichtbij.
Hij zegt weinig.
Dat is goed.
Ik voel zijn blik.
Ik kijk naar het kind.
Alles ligt nu hier.
Alsof er vanaf hier
een ervoor
en een erna is.
Er kwamen mensen.
Ze zeiden dingen.
Ze bleven net te lang.
Hun gezichten ben ik kwijt.
Hun woorden weet ik nog precies.
Dat dit niet alleen van mij is.
Dat weet ik.
Maar voor nu houd ik het vast.
Hij ademt.
Dat is genoeg.
Het eerste daglicht valt naar binnen.
Ik kijk.
Dat mondje.
Wat zal het zeggen
als het spreken kan.1
- De laatste zin komt uit gedicht “Maria (2000)” van Len Borgdorff, uit de bundel: De bakker, de slager en de herders ↩︎