Preek van de Week – zondag 15 maart ’26

1 Johannes 2, 7 – 11
Johannes 9, 1 – 7 . 13 – 16 . 28 – 41

I
‘In het voorbijgaan
zag Jezus iemand die al vanaf zijn geboorte blind was.’
Dat werkwoord voorbijgaan is heel gelaagd.
‘De winter was laang en ik was baang
dat t nooit weer veujoar worden zol’ zingt Ede Staal
Maar álles gaat voorbij, ook de winter.
En in het zoeken naar wat wijs is,
is het verstandig om elkaar te helpen
niet voorbij te gaan aan wezenlijke gezichtspunten.
Maar bovenal is voorbijgaan natuurlijk gewoon
slalommen door de Folkingestraat,
je bewegen door de wereld van a naar b.
Nou ja, gewoon?
Vraag het maar eens aan iemand die minder mobiel is.
Vraag het aan die blinde langs de kant van de weg.
Het leven gaat aan hem voorbij.

‘In het voorbijgaan
zag Jezus iemand die al vanaf zijn geboorte blind was.’
Zien en gezien worden spreekt niet vanzelf.
Wie onderweg is van a naar b
komt al gauw niet verder dan een vluchtig notitie nemen van.
Je kunt niet overal bij stilstaan.
Dan kom je nergens.
Als het over God gaat
zoeken we het al gauw verder, hoger vooral,
dan de benenwagen reikt.
De vraag van de leerlingen is daarvan een mooi voorbeeld:
‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd?
Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’
De blinde wordt een casus in een netelige theologische kwestie.
Voor het hogere doel gaan ze voorbij aan de blinde zelf.
Het valt op in deze lezing dat alleen Jezus iemand ziet
die al vanaf zijn geboorte blind was.

God is niet van het hogere.
God is van de benenwagen.
God is niet zo snel.
Veertig jaar lang trekt God met zijn volk door de woestijn
in het tempo van de langzaamsten.
Voetje voor voetje wordt de weg gebaand naar het Beloofde Land.
Sinds deze God gezien heeft
hoe ellendig zijn volk er aan toe was
in het land van de slavenhouders,
is Die gaan bewegen.
Eerst van boven naar beneden.
Tot Die niet dieper kon.
En toen mét dat volk door water en woestijn.
Niet met loeiende sirenes of met Airforce 1
komt het Beloofde Land in zicht
maar voetje voor voetje.
‘In het voorbijgaan
zag Jezus iemand die al vanaf zijn geboorte blind was.’
Dat is niet iets om voor kennisgeving aan te nemen.
De appel valt niet ver van de boom.
Daar gaat Gód.
We hadden het kunnen weten.
In de proloog van dit evangelie horen we:
‘Het Woord is mens geworden
en heeft in ons midden gewoond,
vol van genade en waarheid,
en wij hebben zijn grootheid gezien,
de grootheid van de enige Zoon van de Vader.’ (Joh. 1, 14)

De leerlingen gingen hieraan voorbij
toen ze van de blinde hun theologische hersenbreker maakten.
‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd?
Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’
Als zondigen letterlijk ‘je doel missen’ is,
dan is dát wat de leerlingen hier doen.
Het antwoord van Jezus haalt ze weg
bij het staren in het graf van oorzaak en gevolg:
‘Hij niet en zijn ouders ook niet’ was het antwoord van Jezus.
‘Maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden.’
Genezen worden van je blindheid
begint bij God die jou aanziet.
Dat geldt voor de leerlingen.
Dat geldt voor ons.
Dat geldt voor de blindgeborene.
Zo werkt God.
Zo komt God aan het licht.
En zo komen ménsen aan het licht.
‘Zolang Ik in de wereld ben,
ben Ik het licht voor de wereld’
zegt Jezus.
Met Hem in de wereld zijn,
dat is de roeping van de kerk.
En daar het niet te hoog zoeken
en vooral niet te snel gaan.
Want voor je het weet raakt God achterop
en marcheer jij in het duister,
voortgedreven door jouw heilige overtuiging,
zonder te weten waarheen die weg voert.
In de woorden uit de brieflezing:
De duisternis heeft je blind gemaakt.

II
Ieder van ons heeft zo haar gedachten over God.
Voor de een is God ‘Onze Lieve Heer’ in de hemel,
Voor de ander is God een stille kracht om ons heen en in ons,
de grond van ons bestaan of zoiets.
Voor weer een ander is God Liefde
met alle moois dat mensen in dat woord weten te leggen –
Liefde met een hoofdletter.
Of God is gebleven wie Hij was:
De Vader die alles in zijn hand houdt,
De ‘Vaste rots van mijn behoud’.
Maar of onze duidingen nu meer persoonlijk van aard zijn
of juist niet persoonlijk,
ze hebben één ding gemeen:
we schrijven ze met hoofdletters.
Van diepgravend tot hoogdravend.
God is niet niks.
En zelfs wie God helemaal niks vind
en besloten heeft dat Hij niet bestaat,
kan daar een leven lang diepgravend of hoogdravend
van getuigen.

Maar een God in het voorbijgaan,
Een die de benenwagen of het ezeltje verkiest
boven de vliegende strijdwagen
of het principe ‘God is overal’,
wees eerlijk: die is ook ons te gortig.
Een God die achterop kan raken is vloeken in de kerk.
En dat gesmeer met speeksel en met het stof van de aarde,
wie hier zou daarin Gods grootheid willen zien?
Om daarin Gods werken te kunnen herkennen,
hebben we het getuigenis nodig van Thora en Evangelie.
Want alleen dat houdt ons met beide benen op de grond.
Er zijn genoeg redenen te bedenken
om de kerk voor gezien te houden,
maar waar gaat je dan nog een lichtje op?
Waar leer je dan nog het verband te zien
tussen het gemodder van Jezus
en God die bukt en uit het stof van de aarde de mens schept
of tussen het gemodder van Jezus
en de tocht van het slavenvolk door water en woestijn?
Verhalen van toen en daar worden verhalen van hier en nu.
En jij wordt ingeweven in die verhalen van God met de mensen.
Niet gevángen, maar bevríjd uit je eenzaamheid.
Als die blinde langs de kant van de weg,
aangeraakt om op weg te gaan en te wandelen in het licht.

Zonder het getuigenis van Thora en Evangelie
wordt God zo maar weer de Almachtige en de Alomtegenwoordige,
of de onbewogen beweger, de god van de filosofen;
een God die niet achterop kan raken
omdat die nooit met mensen die nergens waren op weg is gegaan.
Getuigenissen van toen en daar
worden voor jou tot openbaring in het hier en nu.
Niet langer hoef je jezelf en de ander voorbij te rennen
om je heilige doelen te bereiken.
Niet langer hoef je in alle eenzaamheid God te zoeken
in een woud van diepzinnigheden.
Want in het voorbijgaan heeft God je gezien
en word je genezen van de blindheid
die jou het zicht op jezelf en de ander ontnam.
Voortaan gaat het voetje voor voetje
en is jouw gaan door de wereld een gaan met God.

III
Er zit nog zo veel meer in het evangelie van deze zondag,
aan humor en tragiek.
De leerlingen die hun hoofd breken over het vraagstuk van de zonde
en die in het voorbijgaan zelf de mist ingaan
door voorbij te zien aan die mens langs de kant van de weg.
En wat te denken van de farizeeën
die zich opwerpen als de behoeders van de Thora
en die niet zien dat je dat alleen kunt worden
als je eerst van je eigen blindheid wordt genezen.
Ze sluiten de bevrijde mens buiten de gemeenschap
en blijven zelf als gevangenen achter van zichzelf
en van een God die ze groter gemaakt hebben
dan Die zelf wilde zijn.
Met het sabbatsgebod als wapen
in plaats van als feesttoeter om in elke nieuwe situatie
jan en alleman op te roepen om de bevrijding te vieren
die God daar bewerkt.

Is God dan niet groot?
Ja, maar alleen als wij Haar groot maken in ons lied,
achter de muziek aan met Mannes –
De God die weet van achterop raken:
Haar bezingen wij.
Hem maken wij groot.