Preek van de Week – zondag 17 mei ’26

Habakuk 2, 2 – 11 . 19 – 20
Hebreeën 10, 32 – 11, 1

I
Het gaat te ver om elke bezorgde burger
een wolf in schaapskleren te noemen.
Maar waar bezorgde burgers zich breed maken, daar is de wolf niet ver weg.
Hij is bezorgd over de geplande asielopvang in zijn woonplaats
en is solidair met lotgenoten elders.
De spreidingswet tast zijn recht aan om faliekant tegen te zijn.
De bezorgde burger praat het geweld niet goed bij demonstraties;
noemt zulke demonstranten zelfs raddraaiers of tuig.
Maar hij vindt wel dat de oorzaak van de ellende bij de overheid ligt
die niet goed geluisterd heeft naar wat er onder de mensen leeft.

De bezorgde burger is niet bezorgd om de lotgenoten
van de mensen waar de schrijver van de Hebreeënbrief het over heeft:
zij die in een moeizame worsteling met het lijden hebben standgehouden;
die publiekelijk smaad en verdrukking hadden te verduren.
Die hebben toch meer gemeen met mensen in de asielopvang.
En aan welke kant van het hek staat de profeet Habakuk?
Hij is ook bezorgd en voelt zich niet gehoord.
Toch lijkt hij meer de tegenstem te zijn van de bezorgde burger.
Zijn profetie wordt geboren uit de klacht:
‘Hoe lang nog, HEER, moet ik om hulp roepen
en luistert U niet,
moet ik ‘Geweld!’ schreeuwen
en brengt U geen redding?
Waarom toont U mij dit onheil
en ziet U deze ellende aan?
Ik zie slechts verwoesting en geweld,
opkomende twist en groeiende tweedracht.
De wet wordt ondermijnd,
het recht krijgt niet langer zijn loop,
de wettelozen verdringen de rechtvaardigen,
het recht wordt verdraaid.’ (Habakuk 1, 2 – 4)

We maken bizarre tijden door.
Op 5 mei vierden we de vrijheid.
Maar we zijn steeds minder goed in staat
om aan onszelf en aan elkaar uit te leggen
wat die vrijheid behelst en waarin die wortelt.
We voelen van alles maar echt weten doen we het niet meer.
En zo kan het gebeuren dat er in het parlement asielwetten passeren
waar een breed front van uitvoeringsinstanties
en maatschappelijke instituties adviseren
om het niet zo ver te laten komen vanwege de onuitvoerbaarheid:
van de politie tot de Raad van State,
van overheidsinspecties tot Ombudsmannen,
van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten tot de kerken.

II
Wie of wat is de wolf die zich ergens ophoudt
In de schaduw van de bezorgde burger?
Of is er misschien helemaal geen wolf en is eigenlijk elke raddraaier
die een brandbom naar binnen gooit bij een partijkantoor,
een Joodse school of een asielopvang,
een sneue versie van de bezorgde burger,
die voor de rechter verklaart dat hij zichzelf niet was,
zich mee heeft laten slepen in het tumult
of in opdracht van iemand anders tekeer ging?

De schrijver van de Hebreeënbrief roept op
de onbeschroomdheid niet op te geven.
Je zou dat met hedendaagse oren zo maar kunnen horen
als een stimulans om vooral je gevoel te laten spreken
en alles te durven zeggen wat je maar wilt zeggen,
want dat is toch ongeveer vrijheid?
In plaats van onbeschroomdheid
had hier ook vrijmoedigheid vertaald kunnen worden.
Net als in Handelingen 4 waar Petrus en de zijnen
zich door het bevoegd gezag in Jeruzalem
het zwijgen niet op laten leggen.
Vrij en moedig. Wie wil dat nou niet zijn?

Het bijzondere is dat de oproep om vrijmoedig te zijn
gedaan wordt aan mensen die geen vrijheid kenden
en voor wie de moed om op te staan resulteerde
in vernedering, in geweld, in gevangenschap en dood.
Hun vrijmoedigheid wortelde niet in hun gevoel of in het zielenleven.
Je keek wel lekker uit om je gevoel te laten spreken.
Er was alle reden om voor vrijmoedigheid terug te deinzen.
Je kijkt wel uit om je hele ziel en zaligheid op tafel te leggen
als je nog toegelaten moet worden in de asielprocedure.
En heb als joodse burger maar eens de vrijmoedigheid
om met een keppeltje op over straat te gaan,
of als twee mannen innig gearmd.

Ook de profetie van Habakuk is een vorm van vrijmoedig spreken.
De schoonheid van zijn taalgebruik en de helderheid van wat hij zegt
kúnnen niet voortkomen uit een rijk gevoelsleven.
In zijn gevoel huist de paniek en de godverlatenheid.
‘Hoe lang nog, HEER, moet ik om hulp roepen en luistert U niet?’
Als een stem van buitenaf,
zo wordt in deze doodgezwegen ziel een visioen geboren.
Dagelijks geconfronteerd met de minachting van de macht,
benoemt hij hun wandaden
en ziet hij het einde voor zich van machtige mannen.
Zo glashelder dat het ons vandaag geen enkele moeite kost
om daarin de autocraten van nu te herkennen.
En wie de vrijmoedigheid heeft om nog wat beter in de spiegel te kijken,
die ontwaart misschien ook wel een glimp van zichzelf –
de burger die zich baas waant over zijn eigen gevoelsleven
en die zweert bij zijn eigen mening en die niet door heeft
‘dat de stenen (ook) hem aanklagen vanuit de muur
en de balken ermee instemmen vanuit het gebint.’
Al die mensen die geen kant op kunnen
zullen je niet gauw de spiegel voorhouden.
Wat een geluk voor jou en mij dat we de Schriften hebben!

III
In de Noorderkerk in Amsterdam
waarvan deze kerk een soort kopie is,
hangt ook zo’n kansel als deze,
iets minder fraai maar toch.
Daar preekte in 1940 ds. Jan Koopmans.
Totdat hij moest onderduiken in de late herfst van dat jaar.
Tegen het tekenen van de verplichte Ariërverklaring
schreef hij het pamflet ‘Bijna te laat!’
dat in kerken door het hele land breed verspreid werd.
‘Zij (de Joden) gaan eruit
– daarover moeten wij niet de flauwste illusies maken –
Zij gaan eruit en gaan eraan! (…)
Het is nog niet helemaal te laat om de Duitsers te laten zien,
dat hun goddeloosheid niet alle dingen overwint,
maar dat er nog ergens mensen wonen,
die hun christelijk geloof en hun goede geweten niet laten roven.’

Over vrijmoedigheid zei Jan Koopmans: Het is een gave.
Het is niet een gestemdheid, maar een gesteldheid.
Niet iets van het gevoel dus.
Eerder is het een staan.
Grond onder je voeten weten.
Zodat je ergens voor kunt gaan staan.

IV
De kerk vindt die grond in Christus.
Christus is de hoeksteen die door de tempelbouwers
als niet bruikbaar terzijde werd gelegd.
De eerste stenen van dit kerkgebouw zijn gelegd
door de toenmalige burgemeesters van deze stad.
Ze zijn niet meer te traceren.
Dat is niet erg.
Belangrijker is de vraag of Christus de hoeksteen is van deze plek
en dit hier een huis wil zijn dat rust op een steen
die door Magistraten als onbruikbaar terzijde wordt gelegd.
De hoeksteen schreeuwt het uit:
‘Kom allen bij Mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan,
Ik zal jullie rust geven.’

Het vinden van de grond in Christus
is niet een triomfantelijke vorm van magistraatje spelen
over iedereen die geen boodschap heeft aan het heil van de kerk.
Het is gehoor geven aan de stem
en weten hoe vermoeid je bent
en wat de lasten zijn waaronder jij gebukt gaat.
Herinner je hoe Hij kwam achter onze dichte deuren.
Hoe hadden we anders ooit zijn stem kunnen verstaan?
Let op hoe in zijn stem de stemmen mee klinken
van mensen die ontmenselijkt worden,
die belachelijk worden gemaakt
en die afgeschilderd worden als de grootste bedreiging van onze vrijheid.
Zoals Christus ons in deze Paastijd ons ongevraagd zijn wonden toont,
zo klinkt in zijn stem die vrede over ons uitroept
ongevraagd de stemmen door van wie in stilte roepen
omdat hen de vrijmoedigheid niet gegund wordt.
Vrijmoedigheid is een gave, een gesteldheid, geen gestemdheid.
Christus neemt die mee, bij God vandaan,
en brengt die achter onze dichte deuren.
Zoals Hij dat bij Jan Koopmans heeft gedaan en bij Habakuk, de profeet.

Nooit meer zullen wij ons in Christus kunnen ontdoen
van wie eruit en er aan dreigen te gaan.
Waar deze stemmen worden doodgezwegen,
Daar zullen de stenen ons aanklagen vanuit de muur
en zullen de balken ermee in stemmen vanuit het gebint.

Nog even en het wordt Pinksteren.
We wachten op de Geest van vrijmoedigheid
die over ons wordt uitgestort en over allen
die zich koest moesten houden om zichzelf niet in gevaar te brengen.
Voortaan zal hun gevaar ons gevaar zijn.
‘Maar een geboorte is niet meer te stuiten
hoe ook de wolf verscheurt het lam’ dichtte Gerrit Achterberg
Misschien treft ons een zelfde lot als de Hebreeën destijds.
Maar leven zullen we.
In Christus.
Godlof!