Preek van de Zondag na Kerst – 27 december ’20

“Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond”
(Johannes 1: 14)

I
Eerst was er de mens, toen pas de taal. Niet dat de taal zo maar wat was. Taal stelde de mens in staat om zich te organiseren, om de dingen een naam te geven, om de wereld te begrijpen en naar zijn hand te zetten. Zonder de taal hadden we nu niet in het Anthropoceen geleefd, het tijdvak waarin het klimaat op aarde en de atmosfeer gestempeld worden door de activiteit van de mens. Dankzij de taal hebben we de dieren en de dingen onze wil weten op te leggen. Tegen de geestkracht van de mens was niets bestand. Wat zouden we zijn zonder de taal? Niet meer dan een bedreigde diersoort.

Dat het uit de hand gelopen is, daarover zijn steeds meer mensen het wel eens. Maar dat doet niks af aan de volgorde: Eerst was er de mens, toen pas de taal. Eerst zijn er de dingen, daarna pas valt er iets over te zeggen. Maar Johannes zet de wereld op zijn kop: ‘In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat.’ (Joh. 1, 1 – 3). Eerst is er het verhaal, een gerucht, een spreken. Dan pas zijn er de dingen.

Dat raakt natuurlijk kant noch wal. Maar laten we eens meegaan in deze Bijbelse brainwave, dan zit daar ook wel iets ongekend hoopvols in. Ze komt precies op tijd, net nu we de rekening gepresenteerd krijgen van wat we als mensheid hebben uitgehaald en uitgedacht. We beginnen de gevolgen van de klimaatcrisis te ervaren. En we staan nog maar aan het begin. Uitzonderlijk is de kracht van de mens als collectief. Dankzij zijn geestkracht. En tegelijkertijd heeft die ons aan de rand van de afgrond gebracht. De aarde heeft haar handen vol aan ons. Te vol.

En nu horen we van Johannes dat er een Woord is dat ons in de rug dekt, dat niet uit onze mond of in onze hoofden opgekomen is. Een Woord dat aan alles vooraf gaat. En dan denk ik niet zozeer aan het begin van een tijdlijn; eerder aan een spreken dat alles omvat; iets dat het eerst gezegd moet worden omdat het zich tot jou richt en tot mij en tot al die anderen met wie jij deze planeet bewoont en die net als jij bang zijn om in de afgrond te vallen.

Wat is dat Woord? Misschien iets als: ‘Menslief, ik houd van jou!’ God, wat klinkt dat klein en kneuterig. En allesbehalve bestand tegen de crisis die we hebben aangericht, zorgvuldig – wat heet – voorbereid, een geschiedenis van de mensheid lang. En nu ik toch dat woordje God gebruikt heb, is het niet wat goedkoop een God te projecteren aan het begin van alles, die troostende woorden spreekt tegen de mensen? Ja, dat is nogal goedkoop. Tenzij er een God bestaat, die zich niet laat vangen in onze projecties; een God, ongedacht en vrij; Een die zijn eigen gang gaat, naar ons toe, om het zelf tegen ons te zeggen in mensentaal: ‘Menslief, ik houd van je!’ Klein en kneuterig als het Kind van Bethlehem. En tegelijkertijd groot en ontzagwekkend als het uitdijend heelal. “Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond” (Johannes 1: 14)

II
Krijg die twee uitersten maar eens bij elkaar: een kind uit het jaar 0, voor wie er geen plek was in de nachtopvang, en de zon, maan en sterren en het immense dat er achter schuil gaat. Je kunt zeggen: Ja, maar zo is het wel! Het blijft een godswonder dat de mens zo veel in zijn mars heeft. De psalmdichter zei het al: ‘U hebt hem bijna een God gemaakt, / hem gekroond met glans en glorie, / hem toevertrouwd het werk van uw handen / en alles aan zijn voeten gelegd.’ (Ps. 8, 6-7) Wat weten we veel en wat hebben we veel tot stand weten te brengen! En wie weet komt alles toch nog goed dankzij onze geestkracht en kennis.

Laten we het hopen. Maar dat is niet waar Johannes op inzet als hij zegt dat het goddelijk Woord mens geworden is. In de vertaling van 1951 stond: ‘Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond’. Dan klinkt de NBV toch wat appetijtelijker. Aan het woord vlees zit een luchtje. En dat is niet de heerlijke geur van onze denkkracht en van ons vermogen om ver boven onszelf uit te stijgen. En dat klopt ook. Een van de grote geesten uit de vorige eeuw, de theoloog Oepke Noordmans, definieerde het Bijbelse woord vlees als: ‘de mens voor wie het menszijn een probleem geworden is.’  

Nou hij het zegt.. Daar kunnen we ons ook wel wat bij voorstellen. Dat doen we liever niet. Want het is gewoon niet mooi. En het is ook niet weg te denken. Sommige mensen blazen zich potsierlijk op. Ze blazen hoog van de toren en omgeven zich met glamour om maar te verhullen dat ze sterfelijk zijn, Alzheimer kunnen krijgen of van een ladder te pletter kunnen vallen. En al die mensen die voor die opgeblazen types applaudisseren zijn ook niet gek. Ze weten het ook. Maar het alternatief, de breekbaarheid onder ogen zien, is niet te doen. Zeker niet, als er niets is dat ons opvangt als wij onderuit gaan. Omdat dit het is. Wat kan een mens anders doen dan flink op de trommel slaan, zolang die er is.

Misschien zich overgeven aan het evangelie van deze zondag: ‘Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.’ Het is een Woord dat aan alles vooraf gaat. Het bewijs van zijn goedheid en waarheid zit niet in de goedheid van mensen en wat zij voor waarheid houden. Hooguit knipoogt het even in het goede dat mensen bewerkstelligen en in hun zoeken voorbij vaststaande waarheden.

De grootheid van dit Woord vindt zijn gelijke niet in de grootheid van de machtigen van deze aarde. Het tegenovergestelde is het geval. Het zoekt ons en vindt ons waar wij met de mond vol tanden staan; als elke waarheid ons in de steek gelaten heeft en wij ten volle beseffen dat wij niet meer dan een klompje sterrenstof zijn in een onmetelijke ruimte. En dat maar voor heel even. Dat Woord van het begin haalt ons in en fluistert: ‘Menslief, ik houd van jou.’ En het wordt aan ons gelijk: ‘Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond.’

III
God kennen is iets anders dan het onderschrijven van waarheden die de kerk de eeuwen door verkondigd heeft. God kennen is iets anders dan roepen dat het wel goed komt met ieder die gelooft omdat er haar en hem een hemel wacht. God kennen is ingehaald en gevonden worden waar je niets meer zeker weet en voortaan de hemelse vreugde ervaren rond het Kind van Bethlehem, dat de kwetsbaarheid van heel de schepping belichaamt – jóuw kwetsbaarheid. En daar dan nooit meer bij weglopen. Omdat je er genoeg aan hebt.

‘Laat de klokken klinken, die nog klinken kunnen,’ zingt Leonard Cohen. ‘Laat wat jij te bieden hebt maar voor wat het is. Er zit een scheur, een barst, in alles. Dat is hoe het licht naar binnen komt.’  Dat is het goede nieuws van Kerst. Het feest ligt achter ons. Maar niet heus. Vandaag is het de derde kerstdag. En er komt een vierde en een vijfde, een twaalfde en een twintigste. Want het Woord zal ons achterop blijven komen. Een woord dat zegt dat je niet eerst de scheuren hoeft te dichten, die door de wereld lopen en die ook dwars door jou heengaan. Dat de barsten, die gesprongen zijn in het perfecte plaatje dat je voor jezelf voor ogen had, niet hoeven te worden weg gewerkt. Dat ze zelfs nódig zijn om het licht door te kunnen laten.

We hebben er bijna twee weken lockdown op zitten en tenminste nog drie weken te gaan. Hoe is het met u? Een onmogelijke vraag. U kunt immers toch geen antwoord geven. Hoe is het met u? Dat is geen vraag voor de anderhalve meter samenleving. Je moet elkaar aan kunnen kijken en als het nodig is vast kunnen pakken als het antwoord niet simpelweg ‘goed’ is. ‘U redt het wel,’ zegt u. ‘Het moet maar. Er zit niks anders op. Nait soezen.’ Ik hoop van harte dat het u lukt en dat u licht blijft zien aan het eind van de tunnel. Want dat vaccin is onderweg en gaat het mogelijk maken om dit jaar achter ons te laten.

Maar het evangelie van deze zondag gaat niet over het licht aan het eind van de tunnel. Het gaat over nu, over de momenten dat het je aanvliegt en er barsten ontstaan in uw uithoudingsvermogen en in je vermogen om jezelf te redden. Er is een licht dat het eind van de tunnel niet nodig heeft om in de uithoeken van je ziel te komen. Het schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen. Het breekt door jouw barsten heen naar binnen. ‘Laat de klokken klinken, die nog klinken kunnen. Laat wat jij te bieden hebt maar voor wat het is. Er zit een scheur, een barst, in alles. Dat is hoe het licht naar binnen komt.’  

Dit is een tijd van stil gelegd worden. De vanzelfsprekendheden weten even niet wat ze zeggen moeten. Misschien is dit de tijd om het Woord te leren verstaan, dat bij God was, dat God was, waardoor alles is ontstaan. Het Woord dat van jou houdt, niet om wat jij allemaal kunt en hebt gedaan of gesproken, maar om wie jij bent: een breekbaar mens om van te houden. De lockdown biedt ons de ruimte en de tijd om biddend in het leven te staan. Een beetje zoals de monniken, die de kunst verstaan om in afzondering te leven zonder wereldvreemd te worden. Levend van dat Woord dat in de wereld kwam. Het fundament van alle dingen. Woord dat door de wereld niet gekend wordt omdat die wereld niets van barsten weten wil. Een wereld die zich niet voor kan stellen dat er van haar gehouden wordt.

Jij kunt je dat misschien ook niet voorstellen. Biddend in het leven staan betekent niet weglopen voor wat er door God tegen jou gezegd wordt: ‘Menslief, ik houd van je.’ En dan wachten op het moment dat je het gaat geloven. Om vandaaruit jezelf, de mensen en de dingen in dat licht te zien. Eeuwig dankbaar dat de duisternis dit licht niet in haar macht gekregen heeft.       

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.