Preek van de Week – Zondag 9 augustus ’20 door ds. Marga Baas

De laatste in een serie van zes zomervieringen waarin de vertrekken van een huis als uitgangspunt werden genomen om het thema ‘(T)huis van God’ te vieren en te doordenken. Deze keer: de tuin.

1.
We zijn deze serie zomerdiensten begonnen met de hal als entree  en we verlaten het huis vandaag via de tuin.
Niet iedereen heeft een tuin, maar sommigen weten ook het kleinste balkonnetje al tot een weelderige lusthof of een minimoestuin om te toveren.
En vaak is een paar stoeptegels lichten al genoeg om op de  opengevallen plek stokrozen te laten groeien en het huis en de straat een heel andere aanblik te geven.
De tuin is geen vertrek, maar wel een heel specifieke ruimte.
‘Tuin’ in het Nederlands;  ‘Zaun’ in het Duits;  en, heel verassend, ook het Engelse ‘town’ – het zijn allemaal aanduidingen voor een omheining of voor de ruimte die door middel van een omheining van de rest van de wereld is afgescheiden; door een vlechtwerk van takken,  een hekje, een schutting of een muur.
De tuin is een ruimte waarvan de inrichting ooit is bedacht, hoe lang geleden ook; het is een gecultiveerd stukje landschap, waarin een bepaalde orde heerst, hoe ongebreideld bloemen en planten er ook te bloeien en groeien staan.
Een tuin suggereert zowel vrijheid en natuurlijkheid als ordening.
 “Alsof je terugbent bij iets, iets hebt teruggevonden wat je ooit bent verloren. Diep snuif je de lucht in van blad dat bezig is te vergaan, van versgesnoeide struiken, gemaaid gras, bloeiende rozen, gevallen naalden. Al die geuren zeggen: hier ben je vrij. Net als wij. En tegelijkertijd doet de ordening die je aantreft, het onvrije dus, je ook goed. Een tuin biedt houvast, je begrijpt min of meer wat je ziet, zelfs als hij groot is.” Aldus Marjoleine de Vos.

2.
Ik stuitte op haar lezing, bestemd voor liefhebbers van de Hortus van Haren, terwijl ik speurde naar informatie over de franse denker Voltaire.
In 1759 publiceerde hij in Geneve de satirische novelle: Candide, of het optimisme.
Het boekje vormt een aanval op het noodzakelijkheidsdenken, dat stelt dat alles wat bestaat is zoals het is om een bepaalde reden.
Niets is er zonder oorzaak, grond of zin.
Daarom moet de mens erkennen: het is goed zo
Onze wereld is de beste van alle mogelijke werelden.
Voltaire noemde deze redeneertrant van filosofen en theologen spottend: ‘metafysico-theologo-cosmozwammologie’!
De novelle verscheen een paar jaar nadat Europa werd opgeschrikt door een tsunami  en een brand die de stad Lissabon totaal verwoestte.
Tienduizenden mensen verloren het leven.
Candide, de hoofdpersoon van Voltaire’s novelle, ontdekt door veel schade en schande dat een mens bepaald niet gelukkig wordt van al die grote noodzakelijkheden van de wereld.
Maar je helemaal terugtrekken uit de wereld en niets doen – dat is evenmin een optie.
Hij komt tot de conclusie dat hij vervulling en tevredenheid vindt in het dagelijks bewerken van een eigen stukje grond.
Dat levert meer op dan verre reizen, halsbrekende avonturen, filosofisch of theologisch geredeneer dat losstaat van het alledaags bestaan.
Il faut cultiver notre jardin – we moeten onze tuin verzorgen, wordt zijn levensmotto.

3.
Dat motto, dat Marjoleine de Vos haar lezing als titel heeft meegegeven, is in de geschiedenis bepaald niet onweersproken gebleven.
Nog buiten beschouwing latend of we de intentie van Voltaire volledig rechtdoen, is een voor de hand liggende vraag, of  de zin van het menselijk bestaan niet verder reikt dan “huisje, boompje, beestje”.
Is tuinieren geen vlucht uit de wereld?
Niet per definitie, lijkt me.
Het is wel: opgaan in aandacht, zorg en arbeid.
En soms is het verzorgen van een tuin een van de weinige mogelijkheden om nog iets van schoonheid en orde te redden in een chaotische wereld.
De Engelse schrijfster Vita Sackwell- West was ook in de jaren van de Tweede Wereldoorlog vaak noest aan het werk in de schitterende tuin die zij met haar echtgenoot Harold Nicolson in Sissinghurst had aangelegd.
En dat terwijl de Duitse bommenwerpers voortdurend over Kent heen vlogen.
Haar man was degene van de architectonische structuur en de belijning; Vita (in bretels en laarzen) was de tuinierster, die zorgde voor de uitbundige, romantische invulling van de geurende borders en deeltuinen.  
De foto op de omslag toont een hoekje van de White Garden.
In 1930 had zij met Harold  een verwilderd stuk grond gekocht met een vervallen kasteeltoren en enkele ruines.
Tien jaar later was er de tuin ontstaan, die nu nog jaarlijks door talloze bezoekers wordt wordt bewonderd.
Midden in de oorlog tegen het nazisme, met zijn gruwelijke verwoestingen en miljoenen doden, probeerde Vita een stukje paradijs op aarde overeind te houden – en het is haar uiteindelijk gelukt.

4.
Planten, bloemen, dieren en tuinen – ze spelen ook in de Bijbel een bijzondere rol.
Je kunt denken aan het Hooglied of de tuin rond het geopende graf op de morgen van Pasen.
De Hortus Conclusus uit het Hooglied ofwel de ongerepte, omheinde tuin die door niemand anders mag worden betreden dan door de Geliefde, wordt in het christendom tot een symbool voor Maria – moeder en maagd.
Huisaltaartjes ter ere van haar worden besloten hofjes genoemd.
Maar wij buigen ons vanmorgen over het eerste en laatste boek van de Bijbel.
We zien de hof uit Genesis en de tuinstad uit Openbaring.
Misschien is het goed om direct te vertellen, dat ik die beide fragmenten niet lees als historische perioden op een tijdlijn – Genesis aan het begin in een ver verleden en Openbaring aan het eind in een nog onbekende toekomst.
Beide keren kijken we naar een plek, die niet hier is; een plaats die anders is dan de plaats waar we wonen.
Ons worden beelden voorgehouden die onze werkelijkheid hier en nu in een ander licht zetten.

5.
Allereerst Genesis 2.
Na het scheppingslied uit het eerste hoofdstuk begint de Bijbel opnieuw over het scheppen van God te vertellen.
Ditmaal gaat het niet over de hele kosmos, maar alleen over de aarde zelf.
Eerst horen we wat er allemaal nog niet is: geen planten, geen regen, geen mensen.
Dan wordt onze aandacht gevestigd op wat er wel is: water dat uit de aarde opwelt en de bodem bevloeit.
Het begint dus allemaal met vruchtbare grond.
Je zou kunnen zeggen dat we hier naar het bestaan op aarde leren kijken met de blik van een landbouwer of tuinder.
Dan verschijnt God ten tonele.
De Eeuwige maakt de mens uit aarde en blaast hem de levensadem in; zo wordt de mens tot een levend wezen.
En vervolgens horen we, verrassend genoeg, dat God een tuin aanlegt.
De mens krijgt een plek in die tuin met de bedoeling om die te bewerken en erover te waken.
God laat er bomen opschieten; er stroomt een rivier die de tuin bevloeit.
Het hoofdstuk gaat verder waar wij gestopt zijn met lezen.
Van alle bomen in de tuin mag de mens eten, aldus God, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad.
Is dat dezelfde boom als de levensboom?
Dat blijft onduidelijk.
Maar het is overduidelijk dat de mens een helper nodig heeft, niet alleen in de hemel maar ook op aarde.
De mens wordt tot man en vrouw.
En zo, mens en medemens, zijn zij  niet alleen verbonden met elkaar, maar met de hele geschapen werkelijkheid en met de Schepper.
Zij krijgen van godswege  het leven in bewaring, maar ze zijn er niet de eigenaar van.
Het leven moet gekoesterd worden, er moet voor gezorgd worden.
Daarom is het leven afgeschermd in een omheind en afgebakend gebied, een tuin.
Menselijke arbeid is geen vloek of straf, niet het gevolg van zonde.
Het is juist de levensopdracht van de mens om de hof van Eden te onderhouden.

6.
De ziener uit het boek Openbaring deelt met ons het schitterende visioen van een vernieuwde wereld.
De oude hemel en de oude aarde worden niet vernietigd, maar vernieuwd.
God schept geen nieuwe dingen, maar maakt alle dingen nieuw.
In  het visioen verdichten de kosmische proporties zich tot een omheinde ruimte:
een stad ziet hij, Jeruzalem opnieuw.
Het valt ons toe als een een geschenk uit de hemel, maar het gebeurt hier, op aarde.
In alle architectonische schoonheid wordt ons die stad uitgetekend: muren, straten, pleinen en poorten.
Een geordende, vrije samenleving waar mensen van heinde en ver welkom zijn – de poorten staan dag en nacht open om iedereen te ontvangen, die hier genezing en leven zoekt.
(En ja: de zwarten en kleurlingen, die voor alles en nog wat zijn uitgemaakt, gaan met gospel en jazz voorop, net als de joden met hun ster.)
Deze stad heeft de trekken van de paradijselijke tuin uit Genesis.
Er stroomt een rivier door haar midden.
En er is een boom of misschien wel een veelheid aan bomen met bladeren die genezende schaduw en koelte geven en die elke maand van het jaar vrucht geven.
“En er zal niets meer zijn waarop nog een vloek rust”
Ook dat lijkt een verwijzing te zijn naar Genesis.
Niet Genesis 2, maar 3; het hoofdstuk dat we kunnen lezen als het zoeken naar een antwoord op de vraag waar het toch steeds misgaat tussen God, mensen en de aarde.
We treffen daar het diepe inzicht aan, dat het niet goed gaat met de grond en met de aarde, zodra mensen zich het leven willen toe-eigenen en hun vertrouwen in Gods goede bedoelingen met de schepping laten varen.
De hedendaagse uitbuiting van de aarde is een sprekend voorbeeld van de gruwelijke aantasting van Gods verbond met de schepping.
Maar in de stad van Openbaring zijn alle verhoudingen rechtgezet. Geen vloek meer over de dingen.
Ik vind het bijzonder dat het begin en het einde van de Bijbel ons deze insprirerende beelden voorhoudt van onverbrekelijke verbondenheid tussen God, mensen en de aarde.
In deze verhalen draait het niet uitsluitend om de mens, alsof die het middelpunt van de kosmos zou zijn.
Maar mensen krijgen wel een specifieke opdracht toebedeeld.
Il faut cultiver notre jardin.
We moeten onze tuin verzorgen.
En vandaag betekent dat heel concreet: meehelpen om de stad Beiroet weer op te bouwen.

 7.
Herman Verbeek shreef het lied: Ik weet een tuin waar duizend rozen, rood, geel en wit te bloeien staan.
De zanggroep zal het straks voor ons zingen.
De aanleiding was de vernieling van een rozenperk middenin de stad door een stelletje vandalen.
Maar in het lied wordt de stad tot wereld.
En de rozen in hun veelkleurigheid, bloei en kwetsbaarheid worden evenzovele verwijzingen naar mensen in hun schoonheid en geschondenheid.
Mensen worden bezeerd en vertrapt in hun bloei.
Dan is er troost nodig, herstel door een tuinman die roos voor roos opricht en verbindt – met elkaar, met de aarde, met de stad.
Wie zou die tuinman zijn?
Degene die de hof van Eden aanlegde?
De tuinman op de morgen van Pasen?
Zij kunnen ons in beweging zetten om in hun spoor verder te gaan.
Herman Verbeek gaf in een interview te kennen dat we onze verantwoordelijkheid  niet op de hemel kunnen afschuiven.
Het gaat om onze persoonlijke inzet.
Maar als ik als tuinman met het troostherstel begin, wie weet vind ik jou dan wel aan mijn zij.

Zo moge het zijn.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.