Preek van de Week – zondag 7 mei ’17 door ds. Ynte de Groot

Lezingen:
1 Petrus 2: 11-17  en Johannes 16: 16-24

In de weken na Pasen willen we stilstaan bij de vraag wat Pasen kan betekenen. Voor ons in deze tijd. Vandaag doen we dat aan de hand van de eerste brief van Petrus en een gedeelte uit de afscheidsrede van Jezus uit het evangelie naar Johannes. Het zijn gedeelten die horen bij deze tijd tussen Pasen en Pinksteren.

De naam van de brief suggereert dat hij geschreven werd door Petrus de discipel, maar nogal wat bijbelgeleerden zetten daar vraagtekens bij. Volgens de meest gangbare opvatting werd de brief na diens tijd geschreven, aan het einde van de eerste eeuw. De brief is niet (zoals de brieven van Paulus) gericht aan een concrete gemeente, maar het is een soort herderlijk schrijven aan alle gemeenten in een moeilijke tijd. Die gemeenten leven in het westelijk deel van wat nu Turkije heet. De leden van die gemeenten zijn vanwege hun geloof een beetje buiten de samenleving komen staan. Daardoor krijgen zij te maken met verdachtmakingen en pesterijen. De brief wil helpen om toch vol te houden.

Nu kan je de situatie van daar toen natuurlijk niet vergelijken met die van ons nu. Wij worden niet verdacht gemaakt of vervolgd.

Maar we leven wel in een tijd waarin het christelijk geloof niet vanzelf spreekt. Aan de ene kant is de wereld daarbuiten ongeloviger geworden, maar ook wijzelf  vinden het lang niet altijd eenvoudig om het geloof te bewaren. Voor velen is het geloof geworden van zeker weten tot vermoeden; van iets massiefs tot iets kwetsbaars; van iets dat objectief buiten je leek te staan tot iets dat bij je innerlijk hoort, bij je hart, bij je hoop en je verlangen.

Wat ons verbindt met de eerste lezers van de brief van Petrus is dat we met ons geloof een minderheid zijn en dat ons vertrouwen bovendien door wat het leven brengt of neemt telkens weer onder druk kan komen te staan.

We lazen ook uit Johannes. Ook die wil volgelingen van Jezus helpen om vol te houden op de weg van het geloof. Ook als dat een moeizame en aangevochten weg is, ook als anderen je voor gek verklaren, ook als je zelf  aan alles begint te twijfelen.

De kern van de boodschap van Johannes is dat, óók als Jezus niet bij ons is zoals Hij bij zijn eerste leerlingen was, Hij er wel voor ons ís.

“Nog een korte tijd en jullie zien me niet meer, maar kort daarna zien jullie mij terug.” Zo begon het evangelie. De evangelist vindt het kennelijk een uiterst belangrijke zin, want hij herhaalt hem nog tweemaal. “Nog een korte tijd en jullie zien me niet meer, maar kort daarna zien jullie mij terug.”

Het gaat om het woord zien. In de vertaling is het lastig weer te geven, maar in het Grieks staan er twee verschillende woorden voor. Voor de liefhebbers: het gaat om Θεωρέω en Όράω.

Het eerste heeft te maken met kijken en waarnemen, maar het tweede kan duiden op een zien dat dieper gaat, een zien dat het hart raakt. Het gaat om inzien, doorzien, erva­ren.  Zelf zou ik het liefst zo vertalen: “Nog een korte tijd en jullie zien me niet meer, maar kort daarna zullen jullie mij ervaren.” Het evangelie wil duidelijk maken dat wij de historische Jezus – zoals die ooit rondtrok en preekte – weliswaar niet kunnen zien of ontmoeten, maar dat wij toch met Hem kunnen leven. Hij is soms toch herkenbaar, ervaarbaar, zichtbaar voor het oog van het geloof.

Dat is natuurlijk geen eenvoudige gedachte.  Daarom raken zijn leerlingen, als Jezus hierover spreekt, in verwarring. Zij vragen zich af “wat bedoelt Hij toch?!” U begrijpt misschien: de evangelist laat hen de vragen stellen, die hij bij zijn lezers verwacht. Want wij

kennen het gevoel dat het in het geloof om iets wezenlijks gaat, maar we kunnen daar lang niet altijd de vinger op leggen. De betekenis van het geloof voor je leven is niet in een paar woorden te vatten. En er is van het geloof al helemaal geen logisch en sluitend systeem te maken.

Het bijzondere in het evangelieverhaal is, dat de leerlingen hun verwarring en vragen niet voor zich houden, maar met elkaar delen. Zij praten erover met elkaar. Zij doen zich niet meer gelovig of vromer voor dan zij zijn, maar zij betrekken elkaar bij hun zoektocht, bij hun twijfel, bij hun onver­mo­gen om te zien. En ook dat kan herkenbaar zijn – in het pastoraat, op leer­huis­avonden, bij gespreksbijeenkomsten, of gewoon bij de koffie – soms doen wij in de kerk net zo en praten wij écht met elkaar over wat ons raakt of juist ontbreekt in het geloof. En precies waar dát gebeurt kan ook ruimte komen voor nieuwe inzichten, voor een hernieuwd geloof. Volgens het verhaal merkt Jezus dat de mensen vol vragen kunnen zitten “Jezus begreep dat zij Hem iets wilden vragen” staat er. Als mensen open met elkaar spreken over hun verlangens en zorgen, blijft dat niet onopge­merkt. De Heer wil erbij zijn als een verhulde deelnemer aan het gesprek, als één die weet wat wij zoeken, die ons kent in ons verlangen. Hij opent ons de ogen zodat we Hem leren zien.

Dat zien gaat – alweer – niet vanzelf. Geloof kan een bron van vreugde en inspiratie zijn, maar de weg naar het geloof kan lang en taai zijn, vol hobbels en kuilen. Want er is zo ontstel­lend veel dat vloekt met Gods bedoelingen, met zijn heil, met het geloof in zijn overwinning op het kwaad, op schuld en dood. Jezus zegt dan wel dat alle verdriet en zorg daarover zal veranderen in vreugde, dat er een zware tijd van baren is die straks vergeten zal zijn. Maar wat is dat geen zoethoudertje? Hoe reëel is het uitzicht op de vervulling van die mooie beloften?

Het gedeelte van vandaag eindigt met een oproep van Jezus om te bidden. Dat is een thema dat in deze weken telkens terugkomt in de lezingen. Bidden kan helpen bij het omgaan met al die moeilijke vragen van het leven. Nu luistert dat wel nauw. Want bidden is iets anders dan het voorleggen van onze wensen aan God. Bidden is ook niet je in meditatie en stilte afsluiten van de wereld en evenmin diep in jezelf keren. Dat zijn mogelijk waardevolle en verrijkende dingen, maar het is geen bidden.

Als Jezus ons oproept om te bidden in zijn naam, dan geeft Hij ons niet een toverfor­mule in handen om onze eigen verantwoordelijkheid te ontlopen en al helemaal niet om onze zin te krijgen. De zinsnede “om Jezus’ wil”, waarmee wij ons gebed vaak besluiten, is geen wachtwoord waarop de deur van de hemel opengaat om onze vragen en problemen op te lossen. Jezus’ uitnodiging om in zijn naam te bidden wil niet zozeer Gód beïnvloeden, maar óns. Hij hoopt dat wij als wij bidden Hem steeds voor ogen hebben, zodat we ons steeds afvragen: Is wat ik vraag en hoop en doe te rijmen met het woord en werk van Jezus? Is het afgestemd op dat waar het Jezus om begonnen is?  Want wie in de naam van Jezus bidt kan niet alles bidden. Hoe zou je bidden om de ondergang van je vijand in de naam van Hem die zei dat je je vijand moet liefhebben? Hoe bidden om rijkdom in de naam van de Mensenzoon die geen plaats had om het hoofd neer te leggen? Hoe bidden om een lang leven in de naam van Jezus die zijn leven gaf omwille van Gods Rijk?

Er is eigenlijk maar één gebed dat die naam verdient: “Uw Koninkrijk kome, uw wil geschiede, niet alleen in de hemel maar ook hier op aarde – voor alle mensen voor heel de wereld!” Bidden in de naam van Jezus maakt ons beschikbaar voor de zaak van het evangelie. Zo worden door het gebed wanhoop en cynisme buiten de deur gehouden. Bidden bestrijdt de berusting, waardoor wij alles laten zoals het is. Bidden helpt ons om één van geest met Christus te worden en Hem al doende te zien en aan onze zijde te ontdekken in ons leven.

Wat ik van het evangelie van vandaag wil vasthouden is dit: als wij in ons leven iets van de Heer hebben gezien en ervaren, of op zijn minst zijn gaan vermoeden – dan moeten we er rekening mee houden dat het eigenlijk altijd gaat om een ‘zien soms even’ om het met Huub Oosterhuis te zeggen. Steeds lopen wij het gevaar het zicht op God en zijn bedoelingen weer te verliezen door al het lijden in de wereld dat mensen overkomt, dat zij elkaar aandoen. Al het donkere en sombere, waarmee we als mens geconfronteerd worden kan in ons leven leiden tot een bedrukt neerzitten of een woedend protesteren. Wat Johannes hoopt is, dat al dat zware ons niet zal verlammen of opzwepen tot ondoordachte daden, maar ons zal brengen tot gebed – tot een waarachtig gebed dat ons doen en laten kan sturen, dat richting geeft aan de manier waarop wij leven, waarop wij omgaan met elkaar, met onze buren…

We mogen ons daarbij omringd weten door, een deel weten van de gemeen­te: een geloofsgemeenschap waarin we onze vragen, ons verlangen en onze hoop met elkaar kunnen delen. Hier mogen we openhartig die mengeling van vertrouwen en twijfel uitspreken. En ontdekken dat de Heer erbij is als verborgen gesprekspartner, die weet wat wij zoeken, die ons kent in ons verlangen. Moge Hij ons allen de ogen blijven openen zodat we Hem zult zien en ervaren, in elke levensfase opnieuw.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.