Preek van de Week – Zondag 6 maart ’22

2 Korintiërs 1, 15 – 22
Johannes 11, 55 – 12, 11

I
Het was kort voor het Joodse Pesachfeest, vertelt Johannes.
Maria is al bezig met Jezus’ dood en begrafenis.
Net als de hogepriesters en de Farizeeën.
En over Judas wordt in een tussenzin alvast verklapt
dat hij Jezus zal overleveren.
Aan het plot valt niets meer te veranderen.
Er is geen ontkomen aan.

Vandaag is het de eerste zondag in de Veertigdagentijd.
We weten waar het op uit gaat draaien.
En elk jaar doen we het onszelf weer aan
en maken we die tocht van veertig dagen.
Wat is dat toch?
Blijkbaar zit er iets in het verhaal dat ons op sleeptouw neemt.
En het lukt maar niet om te denken: ‘Nou weet ik het wel.’
We zitten er bij in. Wij allemaal.
Niemand staat er boven.
Wat een kanttekening is bij elke theologie
die net iets te goed weet hoe God het gedacht had.
Dat het verhaal meer is dan een tragedie,
is zeker in dit evangelie glashelder.
God gaat zijn ongekende gang.
Maar doe niet alsof jij er iets van snapt.
Ongekend is ongekend.

II
Zo blijf je worstelen met Judas.
Je komt niet van hem af.
Hij speelt de rol die hij gekregen heeft.
De duivel heeft bezit van hem genomen,
klinkt er in het volgende hoofdstuk.
En zelfs die duivel lijkt in dit hele drama
niet aan zijn rol te kunnen ontsnappen.
Wat gaat gebeuren, moet gebeuren.

Zelfs mijn vader, die langs rechte lijnen dacht,
had geen antwoord op de vragen van dit kind;
op mijn compassie met Judas
en mijn verwarring over God, die je toch moet kunnen vertrouwen.
‘Judas was een dief,’ zei mijn vader Johannes na,
‘hij beheerde de kas en stal eruit.’
Ja, zo’n vader moet toch wat?
En ik dacht: ‘Wat is erger: stelen uit de kas
of van een mens jouw marionet maken, zonder dat die het door heeft?

III
God gaat zijn ongekende gang.
Maar wat zou het mooi zijn als we God daarbij niet kwijt raken;
als Gods ongekende gang een beetje spoort
met waar wíj gaan en lang niet altijd weten waar naar toe.
Wat kan een mens verloren lopen!

Maar mag je dat wel geloven?
Is dat niet te klein gedacht van God?
Want wie ben jij nou helemaal?
Volgens de hogepriesters en de Farizeeën
kun je niet groot genoeg over God denken.
Twee groepen, die normaal gesproken
op gespannen voet staan met elkaar.
Het Binnenhof en de Biblebelt,
het landsbestuur en de orthodoxie.
Twee werelden.
Maar beide denken top down.
Beide moeten in control zijn.
De hogepriesters als het door God gelegitimeerde gezag,
dat zitting heeft in Jeruzalem.
Zij bewaken de orde en de tempeldienst.
Zowel de Romeinse bezetter als zij zelf
hebben belang bij rust, reinheid en regelmaat.
De Farizeeën als de bewakers van de Thora.
Zij weten van de do’s-and-don’ts van de wet van Mozes
en staan daarom in aanzien bij het volk.
Zij weten zich de middelaars
tussen God en het volk dat de wet niet kent.

Het verhaal van de maaltijd in Betanië
Ligt ingeklemd tussen Binnenhof en Biblebelt
die samen proberen in control te blijven.
Jezus en in zijn spoor Lazarus zorgen voor onrust.
Te veel mensen geloven in Jezus,
die gezegd heeft: ‘De Vader en ik zijn één.’ (Joh.10, 30)
Het moet niet gekker worden.
Uit Nazaret komt hij.
Uit Galilea, waar het volk woont dat de Wet niet kent.
En Lazarus komt uit Betanië, uit het Huis van de Arme.
Een vergeten plek waar vergeten mensen wonen,
die geleerd hebben te zwijgen.
Ze gaan voorbij en niemand heeft het ooit nog over hen.
Totdat. Tot die keer dat Jezus riep:
‘Lazarus, kom uit je vergeethoek!’
en hij uit zijn graf tevoorschijn kwam.
Lazarus – zijn naam betekent ‘God, help me toch!’.

God gaat zijn ongekende gang.
Hij kwam Lazarus halen,
daar waar geen mens je meer zoekt
omdat er nu eenmaal grenzen zijn.
Denk aan de vader uit het verhaal van de verloren zoon:
‘Laten we eten en feestvieren,
want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen,
hij was verloren en is teruggevonden.’ (Lc. 15, 24)
Zou het waar zijn dat God zich meer aangetrokken voelt
tot wie geen kant meer op kan, dan tot de hemeltroon,
die voor de Allerhoogste wordt klaar gezet door Binnenhof en Biblebelt?
Het mág niet waar zijn.
Vandaar het bijna absurde slot van de evangelielezing:
Lazarus moet weer dood.
Hij moet terug naar waar hij vandaan kwam.
Terug in het graf.

IV
In het hart van de lezing is er een maaltijd aan de gang.
In Betanië nog wel.
Wat een mooie voorbereiding op Pesach – het feest van de bevrijding.
Jezus is er met zijn leerlingen.
En Lazarus is het feestvarken.
Inderdaad: ‘Laten we eten en feestvieren,
want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen,
hij was verloren en is teruggevonden.’

Ik ben zo benieuwd wat mijn vader had gevonden
van de actie van Maria tijdens de maaltijd.
‘Judas was een dief,’ zei hij.
Maar wat was Maria?
Misschien is het eerlijker om te vragen wat haar actie met mezelf doet.
‘Marta bediende’ vertelt het verhaal.
Maar doet Maria dat eigenlijk ook niet?
Ze bedient Jezus, zoals ik dat één keer in mijn leven heb gedaan
bij een jonge vrouw die overlijden zou aan AIDS.
Ik zie me nog gaan met dat koffertje,
met daarin de heilige olie om haar hoofd en handen te zalven.
Bedienen heet dat inderdaad.
Wat zou mijn vader er van gevonden hebben?

We moeten Marta en Maria niet te veel tegen elkaar uitspelen.
Een feestmaal in het Huis van de Arme is een wonder op zich.
De toekomst van God, waarin er voor ieder mens een plek aan tafel is,
breekt in in het hier en nu.
Wie wil daar niet als Marta in de bediening zijn?
Je proeft dat God daar is,
terwijl je dacht dat hij voor een mens als jij onbereikbaar ver was.
Ineens weet je als Marta
wat die andere Maria, die uit Nazaret, moet hebben ervaren,
toen ze zong: ‘Hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares.
Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen.’ (Lc 1, 48)
Precies, Marta, zo is het!

Maria, de zus van Marta, weet ook waar zij God zoeken moet.
Hij zit aan tafel met Lazarus – ‘God, help me toch!’
De hogepriesters en de Farizeeën figureren
aan de randen van dit verhaal,
met hun angst dat de status van God er aan gaat
als hun eigen status in het geding is.
Ze hebben geen idee dat hij aan tafel zit
bij wie weten van ‘God, help me toch!’.

Maria weet ervan.
Zij focust op die Ene.
Zij gaat hem bedienen zoals ik ooit die jonge vrouw bediend heb,
vlak voor ze sterven ging.
Ik had het zopas over Gods ongekende gang.
Wat Maria doet is ook ongekend.
Ze breekt een kruikje zuivere nardusmirre
en zalft daarmee de voeten van Jezus,
waarna ze die droogt met haar haren.
Ze herkent die voeten als de voeten
waarmee God zijn weg vond naar ons toe.

En ineens ruik je wat die ongekende gang van God naar ons inhoudt
en waar die toe leidt:
Hij zal de plek innemen
die de machten bestemd hebben voor wie zich niet kunnen verweren –
de grafspelonk van de geschiedenis.
We denken vandaag aan de doodsbange mensen in Kiev en Charkov,
die geen kant op kunnen.
En aan de doodsbange Russische soldaten, die om hun moeder roepen.
O God…!
Tijdens de maaltijd gaat Maria buitensporig los
omdat ze in Jezus God herkent,
die buitensporig houdt van wie er niet mogen zijn
en die zo snel mogelijk aan het gezicht moeten worden onttrokken.

V
Judas ziet het buitensporige van wat Maria doet.
Maar of hij God ook heeft herkend,
daar bij die maaltijd in het Huis van de Arme?
‘Judas was een dief,’ zei mijn vader Johannes na.
En ik zou hem willen vragen: ‘Zijn wij dat niet dan?’

Het valt op dat het niet Jezus is die Judas van diefstal beschuldigt.
Hij gaat serieus in op de kritiek die Judas uit:
‘Waarom is die olie niet voor driehonderd denarie verkocht
om het geld aan de armen te geven?’
Wees eerlijk, het had toch ook onze vraag kunnen zijn?
Je kunt je geld maar een keer uitgeven
en God wil toch dat wij delen?

Er hangt in de kerk een geur van wierook rond het woord delen.
We geloven er in. Zeggen we. Denken we.
We zijn de beroerdsten niet.
Nee, dat laatste geloof ik ook wel.
Al was het maar omdat ik daar ook bij wil horen.
Maar Judas niet dan?
‘Hij beheerde de kas en stal eruit,’ zegt de evangelist in een bijzin.
Wij niet dan?

Wereldwijd zijn we vermogensgroei gaan zien als een goddelijk recht.
Dat mijn huis, net als het uwe, in een jaar tijd
een halve ton in waarde gestegen is door er alleen maar in te wonen,
hoe duid je dat?
Is het een zegen of een vloek?
Ons goed recht misschien?
Of is het wat het is en hoort het bij de schommelingen van de markt?
En dat het ons maar moeilijk lukt
om de sterkste schouders de zwaarste lasten te laten dragen
en vermogensgroei te belasten,
is dat omdat we denken dat rijkdom een zegen is
en dat het het vrolijke lot van geld is dat het geld maakt?

Als we die vragen ook hier niet stellen,
zit er een luchtje aan onze passie voor de armen.
En het is niet de geur van wierook.
Is het zo gek om in de spiegel te kijken en te zeggen:
Wij bekommeren ons niet echt om de armen.
Wij beheren de kas en stelen eruit?
En als dat te confronterend is, wil ik het wel enigszins nuanceren:
Er zijn er een handjevol die wereldwijd de kas beheren
en die er meer uit stelen dan u en ik.
Zonder dat het als diefstal hoeft te worden aangemerkt.

VI
We hoeven trouwens geen helden te zijn
om in de spiegel te durven kijken.
We zitten namelijk niet met hogepriesters en Farizeeën
in de marges van dit verhaal, maar er middenin.
Daar zit er Een aan tafel die weet hoe radeloos wij bij tijd en wijle zijn.
En hoe graag wij de zaak recht zouden willen trekken.
Ik denk dat Judas dat ook wilde,
dat hij wel degelijk begaan was met de armen
en zich voor hen verantwoordelijk voelde.
Maar ik denk dat hij, net als wij nu, niet door had
dat het geen van God gegeven recht is dat wij de kas beheren.
God zit in het Huis van de Arme aan de andere kant van de tafel,
naast Lazarus (‘God, help me toch!’)
en met een buitensporige Maria aan zijn voeten.

Zij weten dat deze God hun enige redding is.
En die van Judas. En die van ons.
Een God die voor ons sterven wil.
Om ons wereldwijd te bevrijden uit het slavenhuis
en uit het graf dat wij van onze wereld hebben gemaakt.
Als ons iets te doen staat, dan is dat niet krampachtig
het topje van de ijsberg gunnen aan de armen.
Wat ons te doen staat is op gezette tijden buitensporig feest te vieren
met jan en alleman, die onze broers en zussen zijn.
God heeft ons niet voor niets als voorschot de Geest in ons hart gegeven.
Hij heeft ons gewaarmerkt als zijn eigendom.
God heeft ons onttrokken aan het magisch denken
dat geld vanzelf geld maakt.
Alsof wat rendement heet niet gestolen is van de aarde,
van mens en dier, ja, van God zelf.
Laten we het feest van Gods bevrijding op gezette tijden uitbundig vieren.
En zo samen vooruit grijpen op wat nog niet is, maar wel komt:
God alles in allen.
Wereld, maak je borst maar nat!
Er is geen ontkomen aan.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.