Preek van de Week – Zondag 6 februari ’22

Klaagliederen 3, 22 – 26 . 31 – 32
Johannes 11, 1 – 16

I
Vanaf Pasen vorig jaar lezen we op zondag in de nieuwe Kerk
uit het Johannes evangelie.
In de Adventstijd en met Kerst hebben we even een uitstap gemaakt
naar het Lucasevangelie.
Dat voelde als een verademing.
Een paar zondagen geen gekkigheid.
Of in ieder geval: vertróuwde gekkigheid.
Van engelenbezoek tot bepaald niet alledaagse zwangerschappen.
In de feestmaand december doen we het niet voor minder.

Maar nu is dat ruimschoots achter de rug.
We zitten weer midden in het Johannes evangelie.
Met soms onbegrijpelijke wendingen en met raadselachtige woorden.
Het is een kunst om er bij te blijven.
Vandaag en de komende zondagen
zitten we letterlijk midden in het Johannes evangelie.
Met tien hoofdstukken die er aan vooraf gaan
en met tien hoofdstukken die nog volgen.
Hoofdstuk elf vertelt het verhaal van Lazarus
die door Jezus uit zijn graf geroepen wordt.
Het is de as van het Johannes evangelie.
En dan heb ik het niet over de as uit de urn,
die wordt uitgestrooid – stof tot stof.
Nee, de as van een wiel waar alles om draait
en waardoor de dingen in beweging worden gezet.

De kunst is om niet direct af te haken.
Want waarom zou je je een paar zondagen achtereen
door dit lange hoofdstuk heen worstelen,
terwijl je weet dat het moment komt dat Jezus opdracht geeft
de steen voor de ingang van het rotsgraf weg te halen
en de zus van de overledene hem probeert bij zinnen te brengen:
‘Maar, Heer, de stank! Hij ligt er al vier dagen!’
Er zijn grenzen aan wat een gelovig mens anno 2022 kan verteren.
Ook vandaag doen bizarre verhalen de ronde.
Mensen blijken bereid om van alles te geloven.
Maar daar hoeven we als kerk toch niet aan mee te doen?

De opwekking van Lazarus is moeiteloos onder te brengen
bij de ‘alternative facts’ waarmee Donald Trump zijn eigen wereld schiep
om te kunnen gloriëren.
In zijn wereld staat hij in het centrum.
In de wereld van het Johannes evangelie is dat Jezus.
‘Deze ziekte (van Lazarus) loopt niet uit op de dood,
maar op de eer van God,
zodat de Zoon van God geëerd zal worden,’
horen we Jezus zeggen.
Vergeeft u mij de vergelijking.
Maar echt bescheiden klinkt het niet.

II
Toch draait het hier wel om.
Om de eer van God en om de eer van Jezus als de Zoon van God.
Met hem in het centrum
komt alles en iedereen in een nieuw licht te staan.
Maar het is niet het licht van ‘Zie mij eens!’.
Of het licht van: ‘Heb je dat wel gezien?’
Het is niet het zoeklicht waarmee jij probeert niet van het padje te raken
en je weg moet zien te vinden in donkere tijden.
Met Jezus in het midden als het licht van de wereld,
zien we een zekere Lazarus uit Betanië,
het dorp waar Maria en haar zus Marta woonden.

‘Er was iemand ziek’ Zo begint het verhaal.
O ja? Wat scheelt hem dan? Dat is onze vraag.
Diagnose. Behandelplan maken. Repareren. En weer door.
Sterven is geen optie. Het gebeurt wel. Maar niet in het licht.
Het licht is er om mensen te laten schitteren,
om successen breed uit te meten,
om te kunnen bewijzen dat geluk een keuze is.
Hier niet.
In het licht van Jezus zie je iemand die ziek is,
iemand die Lazarus heet en van Betanië is.

Het woordje ziek is hier geen mankement dat verholpen kan worden.
Het is breekbaarheid waar je niet omheen kunt.
Geef ons een zoeklicht in handen en we speuren naar het goede,
het mooie en het gezonde.
Weg bij onze eigen breekbaarheid.
En als we een selfie maken, dan met een lach op ons gezicht
en alles aan je waar je zo van baalt weg gefotoshopt.
‘Er was iemand ziek’ Misschien ben jij dat wel.

Nee, zeg je. Jij heet geen Lazarus. O nee?
Ken je de momenten niet dat je bijna hardop roept: ‘God help me toch!’?
Gelukkig verborgen voor anderen.
Want jouw zoeklicht schijnt een andere kant op
en houdt jou in het donker.
En anderen laten op zulke momenten
hun licht liever ook niet op jou vallen.
Als het al opvalt, kijken ze liever weg. Gauw vergeten.
Want het doet te veel denken aan de momenten
dat ze er zelf doorheen zitten.
‘Een zekere Lazarus’ schrijft de evangelist Johannes.
Dat klinkt vaag genoeg om jezelf in hem te kunnen herkennen.
Het mag. Niet bang zijn.
Je wordt beschenen door een licht
dat jou niet afrekent op je falen, op je angsten, op je breekbaarheid.
Lazarus – ‘God help me toch!’.

Die zekere Lazarus is van Betanië.
Daar heb je dat dorp weer, dat vaker genoemd wordt in dit evangelie.
De ene keer ligt het vlak bij Jeruzalem,
aan de verkeerde kant van de Olijfberg,
de andere keer ligt het aan de overkant van de Jordaan,
waar Johannes doopte.
Net als de naam Lazarus, beweegt ook Betanië met je mee.
‘Huis van de Arme’ betekent het.

Betanië is de plek waar je niet wilt wonen.
Er schijnt tegenwoordig een nieuwe rage te zijn,
die de treurtrip wordt genoemd.
Een treurtrip leidt jou langs wijken en locaties,
die esthetisch volledig mislukt zijn.
Betanië is een van de attracties van zo’n treurtrip.
Betanië is de plek waar mensen van elkaar wel weten
dat ze roepen: ‘God help me toch!’
En dat het antwoord uitblijft.

III
Dat is ook een pijnpunt in dit verhaal.
Dat Jezus draalt.
Hij krijgt bericht van de zussen Maria en Martha uit Betanië.
‘Heer, uw vriend is ziek.’
In dit geval geen mededeling, maar een oproep.
Kom over en help ons. Genees hem.
Had Jezus dat maar gedaan.
Dan was het verhaal voor ons ook nog te pruimen geweest.
Met de genezer kunnen we leven.
Het is een kunst die ook wij verstaan.
Ook al is die dan tegenwoordig meer evidence based.
Maar een graf schenden
en dan tegen de dode roepen dat hij eruit moet,
dat is ver voorbij het betamelijke.

Maar goed, zo ver is het nog niet.
Daar moet Ruth Peetoom zich over twee weken maar mee zien te redden.
Vandaag draalt hij.
Jezus is het antwoord dat uitblijft.
En het is precies dat uitblijvend antwoord,
dat hij verbindt met de eer van God
en met zijn eigen verheerlijking.
Dat is moeilijk te verkroppen.
Zijn er al niet genoeg geweest, die er hun eer in hebben gelegd
om mensen, voor wie er niets anders overblijft dan wonen in Betanië,
in de steek te laten?

‘Toen Jezus gehoord had dat Lazarus ziek was,
bleef Hij nog twee dagen waar Hij was,’ zo vertelt het verhaal.
Met direct daaraan voorafgaand de toelichting
dat hij veel hield van Marta en haar zus, en van Lazarus.
Hoe krijg je het bij elkaar verzonnen?
Het woord dat hier gebruikt wordt voor houden van,
betekent: solidair zijn met.
Hier spelen niet de hormonen op of de persoonlijke passies.
Dit is de band van de liefde die ons aan elkaar verbindt
in dat ene zeker weten, dat we kinderen van God zijn.

Als Jezus zich op de derde dag gereed maakt om naar Judea te gaan,
naar Martha, Maria en Lazarus in Betanië,
dan gaat hij niet als de alleskunner.
Dan gaat hij als een van hen.
Een die de stilte kent, die volgt op de schreeuw: ‘God, help me toch!’.
Niet als iemand die nog een kunstje in zijn rugzak heeft
en applaus komt halen.
Hij komt te laat zoals de mensen in Betanië permanent te laat komen.
Maar dat is solidariteit: gaan, ook al weet je dat je te laat komt.
Bij de mensen zijn, waar geen eer aan te behalen is,
dat is tot eer van God.
Zo zal de Zoon van God geëerd worden.

Geloof het of niet, maar daar kunnen de machten van de dood niet tegen.
Met een God die aan de goede kant van de streep blijft,
kan de dood wel leven.
Het speelveld is netjes verdeeld.
Het goede, het mooie en het hemelse aan de ene kant.
De angst, de ademnood, de bikkelharde verhoudingen
aan de andere kant.
Maar met een God, die dáár wil zijn waar zijn mensen zijn,
aan de verkeerde kant van de streep,
daar weet de dood geen raad mee.

Als Jezus op de derde dag tegen zijn leerlingen zegt:
‘Onze vriend Lazarus is gaan slapen, Ik ga hem wakker maken’,
is het hem niet in de bol geslagen.
En het is ook niet de grafrede, zoals wij die zo goed kennen,
afgesloten met ‘Rust zacht!’
De onmacht, die alleen te harden is,
als wij er mooie woorden om heen draperen.
Hij gaat hem wakker maken.
En hij zal het gaan doen als lotgenoot van Lazarus,
als bondgenoot van al diegenen die een geschiedenis lang
naamloos over de kling gejaagd zijn.
Hij is hun klokkenluider.
Hij zal ze wakker roepen.

Als dit elfde hoofdstuk het verhaal is
waar heel het Johannes evangelie om draait,
dan kan het niet anders dan dat hier Jezus’ eigen dood en begrafenis
een woordje meespreekt.
Wat zeg ik? Hét Woord: ‘Ik ben de opstanding en het leven’
Een woord dat volgende week zondag hier prominent klinken zal.
De derde dag, waarop Jezus naar Betanië afreist,
is dat niet de dag geweest
waarop de hemel hem deed opstaan uit de dood?

IV
Dit verhaal kent meerdere lagen.
Het zijn er te veel om ze allemaal recht te kunnen doen.
Het is een klein universum,
bijeen gehouden door Christus, het Licht van de wereld.
Toen en nu lopen door elkaar heen.
De tijdslijn is lang niet altijd logisch.
Neem de introductie van Maria.
Dat gebeurt met een verwijzing naar een verhaal
dat nog verteld moet worden.
Verwarrend en grappig tegelijk.

De vriendenclub in Betanië
zijn enerzijds tijdgenoten van Jezus en zijn leerlingen,
maar verwijzen in alle breekbaarheid en solidariteit
ook naar de eerste christelijke gemeente.
Als over twee weken het evangelie te groot is om te kunnen hanteren,
met Lazarus die naar buiten komt
en die overduidelijk dood is geweest,
denk dan maar aan de kerkelijke gemeente vandaag,
die zich zo lang al in zichzelf heeft opgesloten
dat iedereen in Stad denkt dat ze dood en begraven is.
En hoor dan die stem, die ons nog steeds weet te vinden:
‘Kom eruit!’

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.