Preek van de Week – Zondag 5 september ’21

Deuteronomium 31, 9 – 13
Johannes 7, 1 – 24

I
De zomer loopt op zijn eind.
De R is in de maand.
September was altijd de maand waarin we de draad weer oppakten,
die we twee maanden vrolijk hadden laten vieren.
De maand van de Startzondag.
Maar na anderhalf jaar Corona, is dat toch anders.
Er is te veel gebeurd om te kunnen zeggen:
we pakken de draad weer op.
Zeker, er is toekomst.
Het is Christus’ kerk en de Geest waait waarheen ze wil.
Ook tijdens de pandemie.
Ze laat zich niet stil leggen door de anderhalve meter afstand
die we geacht worden te houden.
En we bidden dat de Geest ook ons mee zal nemen in haar beweging.
Daar vertrouwen we op.

Stilletjes hopen we dat de regering gelijk krijgt
en dat over twee weken de anderhalve meter maatregel
in zijn geheel van tafel kan.
Wat zal het fijn zijn om gewoon op zondagmorgen te beslissen
dat je naar de kerk wilt
en daar niet hoeft te zoeken naar een kussentje waarop je mag zitten,
met voldoende afstand tot de kerkganger naast je.
Maar écht gewoon is toch anders.
Jij en ik, we zijn veranderd.
Niet iedereen, die gewend was
om met regelmaat op zondag naar de kerk te gaan, komt terug.
Nou was het ook al vóór Corona zo,
dat geen volwassen mens meer naar de kerk kwam
omdat ie moest van die of gene.
Maar nu hoeft ie ook niet meer van zichzelf.
Er is iets vanzelfsprekends zoek geraakt.
De kadans.
Daarbij zijn de uitzendingen via Kerkomroep
voor meerdere kerkgangers een prima alternatief gebleken.
Enkele anderen haakten in coronatijd juist aan,
omdat ze in de kerk iets zagen gebeuren
waar ze behoefte aan hadden in die ontregelende periode.

Daarbij is het niet alleen de pandemie die ons ontregeld heeft
en die het moeilijk maakte om het vertrouwde spoor terug te vinden.
De klimaatcrisis was er natuurlijk al lang.
De debatten over de ernst ervan en de rol van de mens daarin
zijn niet van gisteren.
Maar dit jaar komt het ons werkelijk aan de botten.
Het besef daalt in dat de klimaatcrisis meer is
dan het zoveelste onderwerp waar je een mening over moet vormen.

Er is iets veranderd.
We weten nog niet goed hoe ver die verandering reikt.
Ook voor de kerk weten we dat niet.
Eigenlijk zitten we er nog midden in.

II
Waarom kwamen we hier ook al weer?
Daar is niet één antwoord op te geven.
Een vertrouwde plek.
Een goede gewoonte.
De rust. De stilte.
De muziek en de samenzang.
God.
Een woord om mee te nemen.
Ergens bij horen.
De koffie na de dienst, die zo veel meer is dan koffie alleen.
Wat hebben we dat gemist!
Ja, maar wat stelt dat allemaal voor
nu we voor zulke grote uitdagingen staan?
De pandemie die niet over is
en die om maatregelen op wereldschaal vraagt.
Een klimaatcrisis die daar nog eens in het kwadraat om vraagt.
Hebben we onszelf hier al die tijd niet in slaap gesust?
Omdat al het andere gewoon veel te groot was om vast te kunnen pakken.
En geloven we nog dat God werkelijk iets kan betekenen?
Meer dan het troosten van het kind in ons,
dat toch ergens weg moet kunnen duiken?

Vandaag helaas geen lezing die helpt
om even onze gedachten te verzetten
of die een mooi troostwoord voor ons in petto heeft.
Er zijn genoeg Bijbelverhalen die dat wel hebben.
Maar dit?
Ik heb even gegoogeld op het evangelieverhaal van vanmorgen.
Er is geen preek bij te vinden.
We zullen het er mee moeten doen.
Met het verhaal én met de onzekere tijden waarin we leven.

Op één punt komt het verhaal ons in ieder geval wel tegemoet.
Het weet dat de R in de maand is.
Het Joodse Loofhuttenfeest zit er aan te komen, zegt het evangelie.
Het leven kan nog zo ontregeld zijn, de kalender is onverbiddelijk.
Het is tijd om het Loofhuttenfeest te gaan vieren.
Dit jaar is het van 20 – 27 september.
Het staat wel niet op de kalender van de kerk,
maar waarom zouden wij er ons niet aan optrekken?
Pasen en Pinksteren zijn alweer zo lang geleden.
Het vuur is er wel een beetje uit
en er is zo veel dat ons zorgen baart.
De dagen worden korter.
Hoe lang hebben we nog?

III
Tijdens het Loofhuttenfeest herdenkt Israël de woestijntocht,
die volgde op de bevrijding uit de slavernij.
Veertig jaar lang hadden ze geen vaste woon- of verblijfplaats
en leefden ze in zelf gebouwde hutten.
Over onzekerheid gesproken.
Omdat herdenken ook iets heeft van aan den lijve ervaren,
bouwen joodse families voor het feest een eigen hut
om er een week lang samen te eten en soms ook te slapen.
Een hut met een dak van loof, waardoor je de sterren moet kunnen zien.
Een kinderliedje zingt:
‘Vier muurtjes en een dak van riet, meer is het niet, meer is het niet.’
Het is zo lek als een mandje.

En toch valt er wat te vieren.
In een van de zomerdiensten citeerde ik
uit het dagboek van Etty Hillesum,
een jonge Joodse vrouw die vermoord werd in Auschwitz.
Op 21 juni 1943 schreef ze:
‘Al blijft ons één nauwe straat waardoor we mogen gaan,
boven die straat staat toch de hele hemel.’
Het Loofhuttenfeest doet dat besef groeien.
Het heeft geen zekerheden nodig om te kunnen geloven.
Een gat in het dak waarboven de hemel zich welft,
het is genoeg om overvallen te worden
door een gedachte die nergens op stoelt
en die je toch gaande houdt.
Leven zonder vaste woon- of verblijfplaats,
maar met een wonderlijk vertrouwen dat het goed zal komen.
Is dat niet iets dat ons ook mag overkomen nu de R in de maand is
en de sleur – die goede gewoonte – hardhandig is doorbroken
door de pandemie en de klimaatcrisis?

IV
Terwijl Jezus rondtrekt door Galilea, nadert het Loofhuttenfeest.
Het een past naadloos op het ander.
De mensen in Galilea wonen minder hoog en droog
dan de inwoners van Jeruzalem.
Hun huizen waren wel geen hutten als tijdens de woestijntocht,
maar ze hadden er meer van weg dan van de huizen in Jeruzalem –
genesteld binnen de muren van de stad en in de luwte van de tempel,
met God als buurman.
Galileeërs wisten van leven met onzekerheden.
Veel van hen waren dagloners,
die vandaag niet wisten of er morgen brood was.
Trekarbeiders, die het Loofhuttenfeest niet nodig hadden
om ’s nachts de sterren te zien,
omdat ze vaker sliepen onder de open hemel.
Aan de rand van de akker of in het veld bij de schapen.
Maar het vertrouwen dat uit het feest spreekt,
de belofte van thuis komen,
een weten dat je er niet alleen voor staat,
dat hadden ze des te meer nodig.

En toch, om het Loofhuttenfeest voluit te vieren
moest je naar Jeruzalem, naar de tempel.
Dé plek die de Ene heeft uitgekozen, om daar voor hem te verschijnen.
Want zo staat het geschreven.
Wist Mozes veel wat er van die plek geworden was.
Hoe het vertrouwen was ingeruild voor een zeker weten
en de godsdienst ingekapseld was geraakt
in de uitoefening van de macht.
De sterren weerspiegelden de status van Jeruzalem.
De herinnering aan de woestijntocht was er folklore geworden.

Daar moet je heen, zeggen de broers tegen Jezus.
Niet hier, dáár moet je zijn.
Laat zien wat je in huis hebt. Je kúnt het.
We hebben het met eigen ogen gezien.
Dit is het moment.
Heel Israël trekt op naar Jeruzalem.
Doe het.
Ze weten niet wat ze zien.
Je wordt de ster van allemaal.
Verstop jezelf niet langer.
Vertoon je aan de wereld.
We zullen er niet minder van worden, hier in Galilea.
En direct daarna de zin:
‘Ook zijn broers geloofden namelijk niet in hem.’ (vers 5)

V
Die dissonant. Je blijft hem horen.
Ze spreken hun vertrouwen uit.
En wij krijgen te horen dat ook zij niet in hem geloofden.
‘Net als wij?’, denk ik dan.
Wat is er mis met het naar voren schuiven van koning Jezus?
Hoe moet je anders reclame maken voor de kerk?
Dat we geen potten meer breken, is al frustrerend genoeg.

‘Gaan jullie maar. Ik blijf,’ zegt Jezus tegen zijn broers.
‘Het is nog niet mijn tijd.’
Hij blijft in Galilea, waar het leven op het randje is.
En de tijd niet in hun voordeel.
En als hij dan tóch gaat om recht te doen aan de Thora,
dan neemt hij hun leven mee.
Dat verborgen bestaan.
Permanent ingehaald door de tijd.
Dat achterlijke volk.

Het onderricht van Jezus in de tempel op het hoogtepunt van het feest
raakt vriend en vijand.
‘Waar haalt die Galilese man het allemaal vandaan?,’
vragen de Bijbelgeleerden zich af.
Hij heeft nooit aan de voeten gezeten van de grote leermeesters,
zoals zij dat wel hebben gedaan.
Hoe kan dan alles op zijn plek vallen als hij de Thora uitlegt?

Nou, hoog geleerde heren, zou het kunnen
dat jullie bijbelteksten rondpompen en er puzzels van leggen,
alsof kennis van de Thora een doel in zichzelf is?
Zou het kunnen dat het verlangen naar bevrijding
bij jullie is zoek geraakt in jullie controledrift
en jullie inspanningen om de heilige huisjes in stand te houden?
Ben je dan vergeten dat de Thora Gods antwoord is
op de schreeuw van mensen die geen kant op kunnen?
Is dat niet wat jullie zo raakt in het onderricht van deze Jezus?
Voor de vorm bouwen jullie hutten tijdens het feest
en wonen er een week lang in.
Maar jullie hart is een villa met camerabewaking
en met een hek er omheen
met daarop het plaatje van een vechthond – ‘Hier waak ik!’.
Te groot geworden om naar de sterren te kijken door een lekkend dak.
Te veel sterallures.
Lieve mensen, durf in de spiegel te kijken.
Daarvoor is zo’n feest.
Wat doen we hier in de kerk?
Draaien we in rondjes om onszelf heen,
geholpen door geruststellende woorden
en de vertrouwde schoonheid van deze plek?
Of mag de kerk een Loofhut worden,
in open verbinding met de stad en het Nieuwe Kerkhof
en de hemel die alles omspant?
Verbonden met al die mensen bij wie het kiert en tocht in hun leven;
voor wie het leven beter te vergelijken is met een hut
dan met een bijna afbetaalde doorzonwoning.

Het is maar goed dat dit geliefde godshuis kiert en tocht.
Hoe vaak zeggen we niet tegen onszelf
dat we hier gezegende mensen zijn?
We hebben het leven in hoge mate op orde.
Iets wat de broers van Jezus ook voor ogen hadden,
toen ze hem zo snel mogelijk naar Jeruzalem wilden hebben.
Verhef ons, Jezus!
Als iemand het kan, dan ben jij het!
Maar Jezus bleef achter in Galilea.
Wij zeggen wel eens: ‘Alle zegen komt van boven!’
Maar dat klopt niet.
De zegen van het goede leven begint met een God
die met mensen op trektocht gaat door de woestijn.
Wonend in hutten en tenten.

Zegen begint bij onze kieren en gaten.
Als we dat besef als kerkgemeenschap kwijt raken,
zoals de hele samenleving dat besef is kwijtgeraakt,
dan gaan we de zegen bewaken als ons bezit.
Zoals de mannen van het pluche in Jeruzalem dat ook waren gaan doen.
Als wij door onze eigen kieren en gaten naar de wereld leren kijken,
in plaats van die kieren en gaten zo snel mogelijk te verstoppen,
dan zullen we een andere wereld zien.
Niet die van wij tegenover zij.
Niet die van geslaagd tegenover mislukt.
Niet die van zwart tegenover wit.
Maar een wereld waarin wij elkaar zien van aangezicht tot aangezicht
en waarin wij niet langer bang zijn voor onze kwetsbaarheid.

Leven in een hut met kieren en gaten is geen onverdeeld genoegen.
En toch is het een feest waard.
Want daar heeft God ons gevonden
en is hij met ons op weg gegaan.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.