Preek van de Week – Zondag 4 oktober ’20

Genesis 7, 11 – 16
Genesis 8, 1 – 14

I
4 oktober: Werelddierendag. Maar het is vandaag ook de gedenkdag van de heilige Franciscus van Assisi. Die twee hebben alles met elkaar te maken. Zonder Franciscus van Assisi was er geen Werelddierendag geweest. In ieder geval niet op 4 oktober. Franciscus was een heilige die zich niet terug trok uit de wereld om die te ontvluchten. Hij zou zich ook vandaag niet opsluiten in een resort om het zichzelf zo aangenaam mogelijk te maken. Overigens ook niet in een hutje op de hei. En mocht er ergens een God zijn die nog eens op het onzalige idee komt om de mensen en de dieren te verdrinken, dan zou hij zich de Ark niet in laten praten.

Franciscus omarmde het leven. Hij heeft zich met huid en haar en ziel en zaligheid verbonden aan de schepping en aan iedereen die daarin hulp behoeft.  Om zo zijn Schepper te loven. In zijn preken richtte hij zich soms zelfs tot de vogels en andere dieren. Hij wist dat hij niet boven ze stond. Hij was met hen. En hij zou bij hen blijven. Bij al die dieren die niet de Ark in mochten. En bij al dat hopeloze volk dat zijn eigen graf had lopen graven. Hij zou zijn Schepper blijven loven tot hij met hen ten onder ging.

Drie jaar geleden werd de Ark van Noach door Stadjers gekozen als het mooiste Bijbelverhaal. Ik heb tegen gesputterd. Zien ze dan niet dat het een draconisch verhaal is? Dat de God uit het verhaal voor het Internationaal Gerechtshof in Den Haag behoorde te verschijnen? Over genocide gesproken! Nee, dat zagen ze niet. Ze zagen een ark, een vrolijke beestenboel, met die gekke Noach. En ze werden er blij van. Ze zagen een regenboog en die mooie witte duif met het groene takje in zijn snavel. Ja, wie wil er nou geen vrede? De dominee kan sputteren wat hij wil. De Ark van Noach is het mooiste Bijbelverhaal. Punt.

Blijkbaar zit er in het verhaal iets dat mensen het gevoel geeft dat ze mee mogen in de Ark. Ook al zegt het verhaal iets anders. Dat zíj de gelukkigen zijn. Dat er toekomst voor hen is, ondanks alles. Dat het nog kán. Dat het de mensheid lukt om spelenderwijs de puinzooi op te ruimen, die ze zelf heeft aangericht. Met dat vage gevoel dat er meer is tussen hemel en aarde.

II
Misschien heb ik het aan de Stadjers te danken dat ik ontroering voel als er staat: ‘Toen sloot de HEER de deur achter hem.’  Dat ik me noch buiten gesloten, noch ingesloten voel. Ik zie de moeder, die vóór het slapen gaan tegen haar kind fluistert: ‘Leg al je zorgen maar op je nachtkastje’ en die daarna zachtjes de deur van de slaapkamer dicht doet. Ja, wat is dat toch? Er staat op het punt een ramp van ongekende omvang te gebeuren. En God kan niet volhouden dat hij er niets mee van doen heeft. Toch is er die rust, dat gevoel dat zij weet in te laten dalen: ‘er kan mij niets gebeuren’, als zij de deur dicht doet.

Wij staan aan het begin van een tweede golf. Iedereen weet waar ik het over heb. Een tweede lock-down zou economisch rampzalig zijn. En ineens krijgt het mooiste Bijbelverhaal een zeggingskracht die de Stadjers niet voor ogen stond toen ze drie jaar geleden het verhaal op 1 zetten. De vrolijke beestenboel en de vrede die voor het grijpen lag, maakt plaats voor angst en onzekerheid. Waar is de zon die door onze tranen heen tegen de donkere luchten de regenboog tekent, die alles omspant? Wat staat ons te wachten als achter ons de deur weer dicht gaat?

Er gaan stemmen op die zeggen dat God met deze cisis een bedoeling heeft. Of zelfs dat Covid-19 een straf is op de ongehoorzaamheid van de mensheid. Een zondvloed, maar dan anders. Anderen noemen God niet, maar kijken met een zelfde borende blik als ze roepen dat het een uitvloeisel van de klimaatcrisis is, die we over onszelf hebben afgeroepen. En er zijn ook mensen die nu al weten dat alles anders wordt na de crisis, dat de lucht wereldwijd zal opklaren, dat de kloof tussen arm en rijk gedicht zal worden en dat we beter voor de aarde en voor elkaar zullen gaan zorgen. En ook al ben ik een groter liefhebber van deze heilsprofetieën dan van die donderpreken, beide weten het allemaal net iets te goed. Alsof ze meevaren op de Ark en vanaf daar alles goed kunnen overzien.

III
Helemaal aan het begin van het verhaal staat dat God spijt kreeg dat hij de mens had gemaakt en dat hij pijn had aan zijn hart. Soms zeggen mensen zoiets voor de vorm: ‘Het doet me pijn om te moeten zeggen..’ En dan weet je wel hoe laat het is. Dan zijn ze klaar met je. Maar het woord dat hier gebruikt wordt, ligt zo dicht aan tegen ontferming en compassie dat God er wat mee moet. Ze maken zozeer deel uit van zijn wezen, dat God het gevaar loopt zichzelf kwijt te raken. Ja, op die paar mensen en dieren in de Ark na gaat alles er aan. Nee, ze zijn niet weg. God raakt nooit van hen af. Ze blijven leven in zijn compassie. Als zíj er aan gaan, gaat híj er aan. Dat is de paradox in dit verhaal. Anders dan de predikers van verdoemenis en de heilsprofeten van vandaag, houdt God geen droge voeten.

Als er iets het verhaal van de Ark van Noach tot het mooiste Bijbelverhaal maakt, is het misschien wel deze schijnbare tegenstrijdigheid tussen oordeel en genade, tussen almacht en compassie. Dit verhaal blijft mensen bezig houden. En als er weer een crisis uitbreekt buiten alle proporties, dan popt het op krijgt het een enorme lading. Ik zei aan het begin dat de heilige Franciscus zou passen voor een hoog en droog plekje in de Ark omdat hij kiest voor de compassie met de dieren en voor het hopeloze volk. Maar daarmee kiest hij niet tegen Gods wil in. Integendeel. Hij weet dat zijn compassie niet van een mens is die beter is dan alle andere mensen. Hij weet dat zijn compassie uit God is, dat hij een mens is als alle andere en dat hij onderdeel is van de schepping en er niet boven staat. Dát maakt hem tot een heilige. God gaat mee de Zondvloed in als hij de deur achter Noach en de zijnen zachtjes sluit. Als een ontfermende moeder. ‘Leg al je zorgen maar op je nachtkastje…’ Wie hoort daarin niet de echo van een geliefde Bijbeltekst: ‘Werp al uw zorg op hem, want hij bekommert zich om u’ (1 Petrus 5, 7 / Psalm 55, 23)    

IV
Nee, daarmee is de angel niet uit het verhaal. We zullen met twee woorden moeten blijven spreken over het verhaal van de Ark van Noach. En daarmee komen we niet meer van dit verhaal af. Het blijft het één en het ander.

Tot slot wil ik nog even de aandacht vestigen op de raaf uit het verhaal. In de vrolijke ongecompliceerde versie krijgt de witte duif (waarvan nergens staat dat die wit) met het groene takje alle aandacht. De raaf is niet hemels en frêle genoeg om zich vast te zetten in onze herinnering. Toch is het deze vogel die de compassie en de trouw van God in het verhaal belichaamt. Hij houdt geen droge voeten. Hij heeft geen opgeklaarde hemel nodig om langs te kunnen vliegen. Hij heeft geen sterrenstatus als de duif. Eén verscholen zin in het verhaal is voldoende om van zijn trouw te getuigen. Na veertig dagen maakt Noach het venster open en laat de raaf los. ‘Deze bleef heen en weer vliegen totdat de aarde droog was,’ staat er. De raaf is de loodsvogel, die, ook als je geen hand voor ogen ziet, je het vertrouwen geeft dat er nieuw land is aan de overkant. Als de duif voor de derde keer wordt los gelaten en niet terugkeert naar de Ark, blijft de raaf heen en weer vliegen tussen de Ark en een droogvallende aarde. Tot de toekomst daar is.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.