Preek van de Week – zondag 4 juli ’21 door Christiaan Schoonenberg en ds. Evert Jan Veldman

‘Je mag een geitenbokje niet koken in de melk van zijn moeder.’
Exodus 23, 19b

I
Van tijd tot huis huist in de kieren en de gaten van de Nieuwe Kerk
een kolonie dwergvleermuizen.
Hoe verhouden we ons als gemeente tot deze medebewoners?
Is het ongedierte?
Of is er een christelijke gemeenschap denkbaar, die zich uitbreidt tot de dieren?
Daarover gaat het afstudeerproject van Christiaan Schoonenberg, waarover u meer leest in de Zondagsbrief.
Toen ik zocht naar de vleermuis in de bijbel,
las ik in de Thora dat die bij de dieren hoort
die een jood niet mag eten.
Goed nieuws voor de vleermuis.
Onrein klinkt als fout, maar pakt in de praktijk goed uit:
je bent een beschermde diersoort.
Maar er was een tekst direct daarna
die mij afleidde van de vleermuis.
De tekst komt drie keer voor in de Thora.
En in alle drie lijkt die uit het niets te komen.
Schijnbaar zonder enig verband met wat er voor of er na komt:
‘Je mag een geitenbokje niet koken in de melk van zijn moeder.’

II
De tekst bracht mij in één klap terug naar mijn kindertijd.
Naar de vader van mijn vriendje.
Een atypische vader voor die tijd.
Hij was oprecht geïnteresseerd in het kinderspel.
Een man met aandacht voor de fantasie van kinderen.
Ik heb altijd gedacht dat hij veel jonger was dan mijn eigen vader.
Maar dat bleek achteraf niet zo te zijn.
Op een dag vroeg hij zo maar uit het niets aan mijn vriendje en mij
– we waren acht of negen – :
‘Waarom mag je een geitenbokje niet koken in de melk van zijn moeder?’
We keken hem aan, konden ons er niets bij voorstellen.
Wat een gekke vraag.
Maar ik zie nu nog zijn gezicht oplichten en open gaan
toen hij zijn antwoord gaf:
‘Sommige dingen doe je gewoon niet!’
In Jodendom vertaalt het gebod zich in de regel
dat vlees en melk in de keuken nooit samen mogen komen.
Een alledaagse praktische herinnering dat er grenzen zijn
waar je niet overheen hebt te gaan.
‘Sommige dingen doe je gewoon niet!’
Met terugwerkende kracht denk ik
dat de vader van mijn vriendje ons dit antwoord meegaf,
niet om ons te leren maar om het zichzelf in te prenten.
Een man met oog voor het kinderspel,
voor dat wat er niet toe lijkt te doen.
Er zijn zaken die beschermd dienen te worden
in de grote mensenwereld.
Allereerst de kinderen.
Maar in hun spoor zoveel meer.
Ook de dieren.
‘Sommige dingen doe je gewoon niet!’

III
In het Kyrie waren we even stil
voor de 4600 varkens die leven verbrandden.
Slimmer dan kleuters.
Sinds mijn achtste is er veel veranderd.
Ten goede en ten kwade.
De last van dat laatste is vooral bij de dieren komen te liggen.
We zijn grenzen over gegaan.
Letterlijk: de wereld is een dorp geworden.
We kunnen niet wachten tot het weer kan.
We hebben grenzen verlegd.
Maar we hebben vergeten om aan elkaar te vragen
waarom je een geitenbokje niet mag koken in de melk van zijn moeder?
Wat zijn die dingen, die je gewoon niet doet?
Nou, bijvoorbeeld 4600 varkens in megastallen stoppen
die dan ook nog eens niet brandveilig zijn.
We hebben het laten gebeuren.
Omdat we verleerd zijn onszelf deze vragen te stellen
en ze nu monsterlijk groot op ons af komen?
Het gebod ‘Je mag een geitenbokje niet koken in de melk van zijn moeder’,
gaat misschien terug op een of andere vruchtbaarheidsmythe.
Een geitenbokje, gekookt in de melk van zijn moeder,
als een soort belofte van eeuwige jeugd en gezondheid.
Anderen denken dat het van meet af aan beeldspraak was,
met als boodschap:
Gun het jong en de moeder de zoogtijd.
Haal ze niet vroegtijdig uit elkaar.
Maar waar het gebod ook op teruggaat,
we kijken in de spiegel en moeten bekennen
dat we een moderne vruchtbaarheidsmythe hebben gecreëerd
waaraan iedereen moet geloven:
Alles wordt in geld uitgedrukt.
Geld dat groeien moet en gouden bergen belooft.
Boeren moesten er in mee om te kunnen bestaan.
Dieren werden producten.
Het jong en de moeder werden de zoogtijd ontnomen
om de bedrijfstak gezond te houden.
Om over de 4600 varkens maar te zwijgen.

IV
‘Sommige dingen doe je gewoon niet!’
We zullen moeten leren het tegen elkaar te zeggen.
En daar dan flink de tijd voor nemen.
Want simpele antwoorden zijn er niet.
Hoezeer er ook partijen zijn die ons dat willen laten geloven.
Zoals in het Jodendom elke dag de keuken koosjer gehouden wordt,
zo is de kerk geroepen om doorgaand vragen te stellen
bij een grenzenloze drang naar meer
en bij het presenteren van de rekening
aan de meest kwetsbaren in deze wereld.
Weet u wat?
Laten we deze wereld ombouwen tot een ark.
Te beginnen met deze kerk en de tuin eromheen.
Gebruik daarvoor de fantasie van toen u acht jaar oud was.
Samen bouwen aan een wereld,
die een goed heenkomen is voor mens en dier.
Laten we Noachje spelen.
Ik weet hoe hij er uitziet.
Hij lijkt precies op de vader van mijn vriendje.
Ja, laten we Noachje spelen.
Christiaan begint.
Hij zal ons op weg helpen.

V
In het verhaal van de Ark zijn de dieren personages.
Er wordt over de dieren gesproken als dieren.
En in het verhaal vormen ze af en toe het onderwerp van de tekst.
Zoals de duif.
Hij is meer dan een symbool.
Volgens mij kunnen we in het verhaal van de Ark
daarom een voorbeeld zien
van hoe dieren en hun eigen werkelijkheid
in de kerk meer aanwezig kunnen zijn.
Niet op een letterlijke manier,
niet als een kat op onze schoot in de kerkbanken,
maar als diegenen
met wie een zorgzame, duurzame relatie
aangegaan kan worden.
Laten we een aantal verzen wat preciezer lezen.
De lezing uit Genesis
begon net na het keerpunt van het verhaal.
We lazen over Noach die het venster opende
en vogels naar buiten laat
om te peilen of het water al gezakt is.
Maar daar gaat een heel verhaal aan vooraf.
God heeft spijt dat hij de mensen en de dieren gemaakt heeft,
want ze maken er een rotzooitje van op aarde.
Hij besluit een eind te maken aan al het leven op aarde.
Noach geeft hij de opdracht een Ark te bouwen,
waar er van alle dieren twee naar toe zullen komen.
Als de aarde begint te overstromen gaan ze de ark in.
Het regent en regent en het water stijgt, voor 40 dagen en 40 nachten, totdat de hele aarde onder water staat.
En dat blijft zo voor 150 dagen.
Dan staat er:
‘Toen dacht God weer aan Noach en aan alle wilde dieren
en het vee bij hem in de ark.
Op zijn bevel begon er een wind over d’e aarde te waaien,
waardoor het water afnam.
Dit vers vormt als het ware het middelpunt van het verhaal.
Hierna begint het water weer af te nemen
en dan komen de verzen die we als schriftlezing gehoord hebben.
Er wordt in het verhaal deze beweging gemaakt.
Eerst omhoog en dan weer naar beneden,
met als centrale vers God die aan Noach en de dieren denkt
en die een wind over de aarde doet waaien.
Dit vers verwijst naar het vers uit Genesis 1, het scheppingsverhaal,
waar Gods geest
(wind en geest zijn hetzelfde woord in het Hebreeuws: ruach)
over de aarde zweeft, vóór de eerste scheppingsact.
Het verhaal van de Ark kunnen we dus lezen
als een soort scheppingsverhaal.
En zoals God daar op de zesde dag
zowel de mensen als de dieren schept,
zo denkt hij hier niet alleen aan Noach,
maar ook aan de dieren.
De dieren zijn er in dit verhaal niet voor de mensen,
maar eerder andersom:
Noach bekommert zich om de dieren,
hij bouwt een ark om te zorgen dat het leven bewaard blijft.
In één vers in het bijzonder komt de relatie tussen mens en dier
heel mooi aan het licht.
Nadat Noach voor de eerste keer de duif naar buiten heeft gelaten,
lezen we:
Maar de duif kon nergens een plekje vinden om te rusten
en kwam bij hem terug in de ark,
want overal op de aarde was nog water.
Hij stak zijn hand uit;
pakte haar en nam haar weer bij zich in de ark.
De naam Noach betekent in het Hebreeuws ‘rust’.
De schrijver speelt hier met de naam van Noach
en gebruikt het woord ‘manoach’
om de rustplek van de duif aan te duiden.
Er staat dus eigenlijk:
de duif vond geen andere manoach dan noach.
Zolang het water nog te hoog staat,
vormt Noach de plek waar de duif rust kan vinden.
En in alle grootsheid en heftigheid van het verhaal,
klinkt er plots veel tederheid door
in de wijze waarop de schrijver aandacht heeft
voor de handbeweging waarmee Noach
de duif weer bij zich in de ark neemt.
Wanneer de duif voor de tweede keer uitvliegt,
laat ze zien dat de zorg van Noach geen eenrichtingsverkeer is.
Er vindt een uitwisseling plaats.
De duif komt terug met een olijftakje
en toont Noach dat het water aan het zakken is.
Als we nu uit het verhaal van de Ark stappen
en om ons heen kijken,
is er van die zorg en uitwisseling niet altijd sprake.
Het leven op aarde is aardig uit balans.

VI
Ik denk dat we het verhaal van de Ark serieuzer dan ooit moeten nemen
en dat het kan helpen de kerk te zien als die ark.
Niet om letterlijk dieren in te houden,
wel als een plek waar we net als Noach
zorgdragen voor het verdwijnende leven.
En vooral als een oefenplaats.
Om de liefdevolle houding naar elkaar,
waar we het zo vaak over hebben,
uit te breiden, ook naar andere soorten toe.
En dat hoeft niets spectaculairs te zijn:
het kan zo simpel zijn als de vleermuizen in de Nieuwe Kerk
niet als ongedierte te zien maar als medebewoners van dit godshuis
en de uitgeputte exemplaren aan de zorg toevertrouwen
van de vleermuizenopvang in Groningen.
Het kan door bewuster te eten
en door te achterhalen waar het vlees vandaan komt
als het voor jou een feestje is om soms eens vlees te eten.
De hele dag wemelt het van het leven in de tuin,
als je er met aandacht naar kijkt.
Hoe meer je je in dieren verdiept, hoe groter de wereld wordt.
De kerk kan zo’n plek zijn.
Waar het gaat om een levenshouding, een zijnswijze,
die aansluit bij onze omgeving
en de andere wezens met wie we die omgeving delen.
En wie weet,
misschien ontstaan er dan wel bijzondere uitwisselingen.
De Heilige Geest heeft niet voor niets het lichaam van een duif.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.