Preek van de Week – Zondag 30 mei ’21

Johannes 3, 1 – 16
I
‘Wij weten,’ zegt Nikodemus. Wij doorzien het.
Jij bent een leraar die van God gekomen is.
Hij komt stevig voor de dag.
Dat is handig als het nacht is.
Want dat is het, zegt Johannes.
Nikodemus komt dan wel in zijn eentje in het donker naar Jezus toe,
maar hij is niet alleen.
Hij heeft het over wij.
Nikodemus heeft een hele traditie bij zich.
Een levende.

Jezus noemt hem dé leraar van Israël.
Geen eenzame nerd.
Geen studeerkamergeleerde.
Hij is zo’n leraar die leerlingen om zich heen verzamelt,
zonder dat er een schoolbel is gegaan.
Ze hangen aan zijn lippen.
Hij is er een die vragen wakker maakt.
Hij overhoort niet om te checken
of zij hun huiswerk wel hebben gemaakt.
Hij laat zich bevragen.
En na elke vraag weet de leraar meer dan voorheen.
Net als zijn leerlingen.
Zo werkt een levende traditie.
Hij is ze er dankbaar voor.
En zij hem, dat hij hun leraar wilde zijn.

Nikodemus komt in zijn eentje naar Jezus.
Maar hij draagt de vragen van al zijn leerlingen bij zich
en heel de levende traditie waarin hij staat.
Hij is niet ik. Hij is wij.
En dankzij die wij is hij niet bang voor de nacht.
Hij is niet alleen. Verdwalen kan hij niet.
Hij heeft een zoeklicht bij zich.
Het licht van de kennis.
De lamp van de Thora.
Het doorgaande geloofsgesprek.
Hij doorziet ermee de nacht.
Hij is een zoon uit Israël.
‘Het volk overwint’ is zijn naam.
Want kennis is macht.
Vooral waar ze gedeeld wordt.
Inderdaad, Nikodemus is een wij.

II
En wij?
Wij zijn toch meer de optelsom van jij en ik,
van hem en haar geworden.
De kennis halen we van het internet
of uit een boek, als we ons de tijd er voor gunnen.
Ieder op haar eigen tijd en op basis van zijn eigen interesses.
En belangrijker dan de vraag of wat je tot je neemt ook waar is,
is of het ons ook uitkomt.
Facebook en Google denken daarin met je mee.
Zo is er toch nog iets van wij.
Voor jou in jouw bubbel en voor mij in de mijne.
En ieder van ons probeert zo de wereld op eigen maat te snijden
om er niet in te verdwalen
en om het een beetje leefbaar te houden voor jezelf.

Zo proberen we het donker te slim af te zijn.
In elk hoekje van ons ik brandt kunstlicht.
Wij zijn niet als Nikodemus, die niet bang is voor het donker.
Jij en ik staan er alleen voor
Jij en ik weten dat je zomaar verdwalen kunt in de nacht.
Met al je kopzorgen en je onzekerheid.
Als het lichtje uit gaat, wie zal er dan voor je zijn?
‘Ik overwin’ is onze naam.
Ik worstel en kom boven.
Meestal lukt dat wel.
Genoeg momenten dat het door ons geregisseerde leven ons toelacht.
Dat moet ook wel. Want leven doe je vandaag.
Als het even kan in het volle licht.
Want jij en ik, we zijn er maar even.

Dat uit het donker een nieuwe dag geboren wordt,
dat weten we zo net nog niet.
Dat is meer iets voor Nikodemus en de Thora.
Zoals het refrein klinkt in het scheppingsverhaal bij elke scheppingsdag:
‘het werd avond en het werd morgen, een nieuwe dag’
Het zit Israël in het bloed en het is Israël met de paplepel ingegoten.
Dat elke dag van donker naar licht gaat en niet andersom.
Dat de nacht niet het laatste woord heeft.
Dat de morgen komt, hoe donker de nacht ook is.

Weet u waarom u hier komt?
Is het de hoop dat bij het ieder voor zich
toch een God voor ons allen bestaat?
Een die een eeuwig licht aansteekt als ons individuele lichtje uitgaat?
Een God, die zich verscholen houdt aan de randen van ieders bestaan
en niet in het hart ervan.
Eén die zich pas laat zien als wij de laatste adem hebben uitgeblazen?
Of komen wij naar hier vanuit een vaag vermoeden
dat er iets grondig mis is met de topsport die wij beoefenen –
op eigen kracht het kunstlicht laten branden?
Het licht zijn op je eigen pad.
De lamp zijn voor je eigen voet.
Het zou goed zijn om het daar samen eens over te hebben met elkaar.
Vragenderwijs zoals het er bij Nikodemus ook aan toe gaat.
Antwoorden krijgen we in onze bubbel al genoeg aangereikt.

III
Terug naar Jezus en Nikodemus in de nacht.
Het is een raar gesprek.
Er zit ruis op de lijn tussen die twee.
En niet omdat ze elkaar niet waarderen.
Voor een buitenstaander is er geen touw aan vast te knopen.
Jezus gaat niet mee in het ‘wij weten’ van Nikodemus.
Terwijl hij toch net als Nikodemus een zoon uit Israël is.
Beide wonen in de Thora.
Tegenover het ‘wij weten’, ‘wij doorzien’ spreekt Jezus over de noodzaak
om opnieuw of van bovenaf geboren te worden.
Het woord dat hij gebruikt draagt beide betekenissen in zich.
‘Amen, amen, zeg ik jou: als iemand niet van bovenaf geboren wordt,
is hij niet bij machte het koningschap van God te zien!’ (vers 3)

Hoe doe je dat?, vraagt Nikodemus.
Je kunt toch niet overnieuw beginnen?
Je kunt je kindertijd niet overdoen.
Je kunt niet terug achter alles wat je weet.
Ja, je kunt er soms naar verlangen.
Naar de geborgenheid die er met een beetje geluk was –
het wegkruipen bij je moeder of anders bij een buurvrouw.
Naar het spel waar je als kind in op kon gaan.
Maar je bent geen kind meer.
Kennis is nodig om voor een nieuwe generatie
aan toekomst te kunnen bouwen.
Zonder wetenschap gaan we het schip in.
Het actuele aanwakkeren van wantrouwen van wat we weten
is in dat licht een uiterst gevaarlijk spel.

‘Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind,
dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind,’
zegt de apostel Paulus in het beroemde bijbelgedeelte over de liefde.
‘Nu ik volwassen ben
heb ik al het kinderlijke achter me gelaten.
Nu kijken we nog in een wazige spiegel,
maar straks staan we oog in oog.
Nu is mijn kennen nog beperkt,
maar straks zal ik volledig kennen,
zoals ik zelf gekend ben.’ (1 Kor. 13 vers 11 e.v.)

Nikodemus zou het Paulus zo na kunnen zeggen.
Dat is niet zo vreemd.
Ze staan beiden in dezelfde Farizese traditie.
Het gesprek over de Thora en het doen van wat gevraagd wordt,
houdt nooit op.
Morgen weet je meer dan vandaag.
Tot de dag waarop je volledig zult kennen
en God zal zijn alles in allen.
De dag waarop aan het licht komt
dat jij al die tijd al door God gekend was.

In het evangelie volgens Johannes ligt dat net even anders.
Het veegt in een keer de spiegel schoon.
En wat we daarin zien
is Jezus aan het kruis als de openbaring van God.
Het is een groot raadsel.
Maar wel helder als glas.
Het schopt tegen de schenen van de schoonheid.
Het laat de executie zien van de veroordeelde onder het Romeinse recht.
Hangend tussen hemel en aarde.
Als teken dat de aarde jou niet meer moet
en de hemel geen zin heeft om jou te ontvangen.
Een vervloekte.
Maar voor Johannes de openbaring van God.
Verhoogd aan het kruis.
Zichtbaar voor iedereen.
Halleluja!

‘Amen, amen, zeg ik jou:
als iemand niet van bovenaf geboren wordt,
is hij niet bij machte het koningschap van God te zien!’
Je wilt wegkijken. Wie wil dat niet?
Hoe kan Gods koningschap iets te maken hebben met die daar hangt?
Hoe kan hieruit iets nieuws geboren worden?
Als het over boven gaat,
wil je dat het over rust gaat en over bevrijding,
over het einde van de pijn en de strijd,
over de hemel dus.
Niet over Jezus aan het kruis op de executieplaats.
Maar Johannes doet dat wel.
De verhoging van Jezus is in de eerste plaats de verhoging aan het kruis.
De nederlaag is de verhoging.
Daarom werd Goede Vrijdag ooit ook wel Kruispasen genoemd.
Dankzij Johannes, denk ik zo.
Als je bij hem probeert kruis en opstanding uit elkaar te pulken,
is Johannes weg.

Johannes kent het liedje niet
van ‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw.’
God toont zich niet in ‘eind goed al goed’.
Tenminste niet in de manier waarop wij dat hebben leren verstaan.
God toont zich in het ‘eind goed al goed’ van het kruis.
Het staat midden in de tijd.
En er is met goed fatsoen en met alles wat wij weten
niets goeds in te ontdekken.
Het is schoppen tegen de schenen van de schoonheid.
God alles in allen is hier.
God is niet een pot goud aan het eind van de regenboog.

IV
Ik weet met dit evangelie niet goed raad.
Maar misschien hoeft dat ook niet.
Zoals je over je geboorte niets te zeggen hebt gehad,
gestuurd door de krachten van de natuur,
zo heb je ook over de geboorte uit de hoogte,
staande onder het kruis, niets te zeggen.
‘De wind waait waarheen zij wil;
je hoort haar stem maar je weet niet vanwaar zij komt
en waarheen zij gaat:
zo is het met al wie is geboren
uit het waaien-van-de-Geest!’ (Joh. 3, 8)

Je staat daar met je eigen pijn
en met alles wat je meent te weten.
Ik mag bang zijn voor de nacht
en de zekerheid kwijt zijn dat er nog een morgen komt.
Ik sta daar te midden van het onrecht
dat mensen uitsluit en vervloekt.
De wereld zit niet op hen te wachten
en er is geen God te bekennen die zich niet heeft laten verbannen
naar de uiterste randen van het leven en daarachter.
Ik mag hopen op de wind die waait waarheen ze wil,
die fluistert dat God hier is;
God die ‘Licht!’ roept midden in de nacht.

Durven we als kerk daarop te vertrouwen?
Niet op ons aandoenlijk gespartel
waarmee we proberen de kerk te redden
en reclame voor haar te maken.
Wij kennen de rijkdom van haar traditie
en weten hoeveel ze te bieden heeft.
En wat zou het toch mooi zijn
als dat kwartje ook bij anderen zou vallen.
Dat sneue gebedel: Zie je ons dan niet?
Kunnen we dat loslaten en vertrouwen op de Geest
die ons opnieuw geboren laat worden?
Van bovenaf.
Vanaf het kruis dat op het kruispunt van wegen staat,
midden in de wereld.
Christus is niet gekruisigd in de kerk
maar door de wereld en in de wereld.

Laat de kerk haar heil zoeken midden in die wereld.
Dichtbij mensen die de wereld liever kwijt is dan rijk.
Lotgenoten van de gekruisigde.
En dan daar onder het kruis zijn stem horen:
‘Kijk, dit is je moeder. Kijk, dit is jouw zoon.’
Om in gemeenschap met hen
die hele kerkelijke traditie te zien oplichten
en thuis te zien komen.
Samen met hen een lied van André Hazes zingen
en daarin het waaien van de Geest ervaren
en de stem van bovenaf verstaan:
‘Geef mij nu je angst, ik geef je er hoop voor terug
Geef mij nu de nacht, ik geef je de morgen terug
Zolang ik je niet verlies vind ik heus wel de weg met jou’

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.