Preek van de Week – Zondag 30 augustus ’20

Jeremia 7, 23 – 28
Matteüs 17, 14 – 20

I
‘Een geloofsbelijdenis moet je op de nagel van je duim kunnen schrijven,’ zei een van mijn oud docenten. Ik werkte toen net in Rotterdam. In een setting die in de verte doet denken aan dat dal beneden met die wanhopige vader van wie je niet weet hoe je hem zou kunnen helpen. In de schaduw van de berg, waar vlak daarvoor hemel en aarde elkaar nog raakten en even alles op zijn plek viel. Met Jezus als stralend middelpunt. Met die stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde. Luister naar hem!’ Een groter contrast is niet denkbaar tussen de toppen van het geloofsleven en de harde werkelijkheid daar beneden. Waar we nu zijn.

Misschien is de stelling van die docent me daarom zo bij gebleven. Want hoe doe je dat: de rijkdom aan woorden en gedachten, waarin je zo lang had mogen delen, terug brengen tot de kern? En stel dat het je lukt om die op de nagel van je duim te schrijven, wat heb je er dan aan? Of beter: wat heeft die ander er aan? ‘Ik heb mijn zoon die ten gronde gaat bij je leerlingen gebracht,’ zegt die vader tegen Jezus, ‘maar zij konden hem niet genezen.’ Zo herkenbaar. Je doet je best. Daar zal het niet aan liggen. Maar het is dweilen met de kraan open. ‘De stad, die duizend dromen kraakt per dag,’ stond er op een poster uit die zelfde tijd. Dat is dat dal uit het evangelie in de schaduw van de berg.

Die oefening in concentratie, het terugbrengen van geloofstaal tot de kern, heeft wel een functie. Het voorkomt dat je de werkelijkheid vangt in jouw net van woorden. Jij bent immers de visser. De ander is jouw vangst. Je kunt de wereld plaatsen. Dit hoort hier en dat hoort daar. Logisch toch? Maar met alleen die kern, die op de nagel van je duim past, valt er niets te vangen en te duiden. De paar woorden, die je hebt opgeschreven, gaan met je mee als je de werkelijkheid toelaat en jij je antwoord niet klaar hebt op de vraag: wat moet ik er in godsnaam mee? Dan kom je mensen tegen, die je goed aan moet kijken omdat je je oordeel over hen niet klaar hebt na een vluchtige blik. En als je al denkt: ‘Daar heb je er weer één’, dan is het: ‘Daar heb je er weer één zoals ik.’ Eén die het ook niet weet.

Er bestaan meerdere maatjesprojecten waarin twee mensen aan elkaar gekoppeld worden, van wie er één gevangen zit in schulden en kopzorgen. Doel is om samen een weg te vinden uit dat diepe dal. Toen ik een ervaringsdeskundige vroeg naar de kans van slagen, zei ze: ‘Je moet eerst iets vinden wat je gemeen hebt. Bijv. een dementerende moeder. Als je daar over met elkaar kunt praten, dan maak je een kans.’ Een dementerende moeder als succesfactor. Alles begint bij niet weten, bij het opschorten van je vooroordelen, bij het achterlaten van je antwoorden. Dat is best eng.

II
Hoe kwam ik nou bij die geloofsbelijdenis, die op de nagel van je duim moet passen? Nou, door dat geloof als een mosterdzaadje. Een mosterdzaadje is nog heel wat kleiner. Daar kun je zelfs de kern van het geloof niet op kwijt. Maar misschien hoeft dat ook niet omdat het mosterdzaadje zelf de kern van het geloof is.

Het is niet voor het eerst dat Jezus de metafoor van het mosterdzaadje gebruikt. In een van zijn gelijkenissen vergelijkt hij het koninkrijk van de hemel met een mosterdzaad: ‘Het koninkrijk van de hemel lijkt op een zaadje van de mosterdplant dat iemand meenam en in zijn akker zaaide. Het is weliswaar het kleinste van alle zaden, maar het groeit uit tot het grootste onder de planten. Het wordt een struik, en de vogels van de hemel komen nestelen in de takken.’ (Mat. 13, 31-32)  

Zowel het koninkrijk van de hemel als het geloof van de leerlingen wordt vergeleken met een mosterdzaad. Het geloof is iets anders dan een ticket voor de hemel. Een mosterdzaad gaat niet omhoog, maar valt in de aarde. Daar gebeurt het. In het donker. Onderaan de berg. Dat is ook de volgorde in het evangelie. Het eindigt niet op de top, waar Jezus het stralend middelpunt is, met Mozes en Elia aan zijn zijde. Hoe graag Petrus dat ook wilde. Het gaat naar het dal toe. Daar komt alles tot zijn bestemming. In de donkere aarde zal het ontkiemen. Daar waar je niet eens meer kunt lezen wat je op de nagel van je duim had geschreven. Wees niet bezorgd als je de hemel niet meer weet te vinden. Er zal een struik gaan groeien, groot genoeg om de vogels van de hemel allemaal te laten nestelen.

Dat went nooit. Een mens wil naar de toppen toe met haar geloof. Dichter komen bij het geheim dat God genoemd wordt. Maar terwijl jij blijft hangen bij die berg en nog eens een poging doet om hem te bedwingen, gaat het verhaal verder en beweegt het zich bij je vandaan. Tevergeefs spits je je oren. Er zal op de berg geen stem uit de wolk meer klinken. ‘Luister naar hem!,’  had de hemel gezegd. Terwijl jij de berg probeert te beklimmen, heeft Jezus de diepte opgezocht. En hij is dichter bij jou, dan jij bij jezelf bent.

III
Daarom staan we vanmorgen ook niet te lang stil bij de diagnose maanziek. Alle verschijnselen wijzen op epilepsie. En sinds anderhalve eeuw weten we dat er geen enkel verband is tussen de stand van de maan en een epileptische aanval. Er zijn ook geen demonen in het spel en knolselderij is geen probaat middel tegen epilepsie. Ja, wij weten meer dan Jezus en zijn tijdgenoten. Maar als we dat zo zeggen, zie ik ons vooral de berg van de verheerlijking beklimmen. Ja, we kunnen er wat van! De vraag is hoe veel ruimte er is voor onze breekbaarheid en ons tekort bij het beklimmen van de berg. Want je kunt nog zo veel weten. Wie de zorg herkent van die vader om zijn zoon, snapt waar ik het over heb.

De weg die God gaat, is niet die van hoog naar hoger. God zoekt de diepte op. Over een God op de berg kun je verhalen ophangen over alwetendheid en almacht. Alomtegenwoordig is zo’n God, zoals de hoge berg in wijde omtrek alomtegenwoordig is. Maar een God die de diepte opzoekt, is daar bij de mensen die zich daar bevinden. Tijdgebonden. Plaatsgebonden. Met diagnoses die morgen weer achterhaald kunnen zijn.

Hoewel ik een lans zou willen breken voor de demonie. Die bestaat nog steeds. We zijn ons er steeds meer van bewust dat het demoniseren van anderen krachten los maakt die we niet in de hand hebben. Bij alles wat we kunnen. Waar voorbijgegaan wordt aan andermans breekbaarheid en tekort; waar gezworen wordt bij vermeende superioriteit en rotsvaste identiteiten, daar dansen de demonen. En niet bij wijze van spreken. De meest kwetsbaren zijn de eerste slachtoffers van deze demonie. Zo gek is de diagnose van het evangelie dus ook weer niet.

IV
De woedende uitval van Jezus naar zijn leerlingen en de mensen om hen heen, heeft daarmee te maken. Hij noemt ze een ongelovige en corrupte generatie. ‘Iets minder mag ook wel,’ zou je zo denken. Heb je je best gedaan om die jongen te genezen en demonen uit te drijven, krijg je dit over je heen. Ik zie onszelf al sussend tussen Jezus en de mensen instaan. ‘Ach, hij kan soms wat ongeduldig zijn, maar hij heeft het beste met jullie voor.’ En naar Jezus toe: ‘Ze hebben zo hun best gedaan. Volgende keer beter.’

Het is niet onze rol om te sussen. Dit is de plek om de Bijbel te laten spreken. Om ons tegen te spreken als dat moet. De leerlingen werden niet overvraagd. Al eerder waren ze twee aan twee door Jezus uitgezonden: ‘Ga op weg en verkondig: “Het koninkrijk van de hemel is nabij.” Genees zieken, wek doden op, maak mensen die aan huidvraat lijden rein en drijf demonen uit. Om niet hebben jullie ontvangen, om niet moeten jullie geven!’ (Mat. 10, 8)

O ja, dat was ook zo. We zouden het mosterdzaadje bijna vergeten, waarmee Jezus het koninkrijk van de hemel vergelijkt. Het kleinste onder de zaden, dat in de aarde vallen moet. Om daar te ontkiemen, onttrokken aan het oog van elke diagnose.

En nog iets, wat kan helpen om de woedende uitval van Jezus te verstaan: Matteüs trekt voortdurend parallellen tussen Jezus en Mozes. Als Jezus de berg afkomt, loopt hij tegen het zelfde aan als ooit Mozes: de vrome wens van het volk om een God bij de hand te hebben, waarmee je je naam kunt vestigen in de wereld. Een topper. Niet een die sterven moet als god om zijn koninkrijk te laten komen. Weet u nog hoe Mozes uit pure woede de stenen platen met de tien vingerwijzingen van God aan stukken gooide op de rotsen, toen hij zijn volk zag dansen rond het gouden stierkalf? Het is dezelfde woede. Het zelfde ongeloof. De zelfde corruptie, waarin God terug gezet wordt op de plaats waarvan wij vinden dat een God thuis hoort. Op een sokkel. Een God waarvan de grootheid op ons afstraalt. Let op, hoog geëerd publiek, wij hebben wat in huis!

V
Durft u het aan met die God van wie de almacht zo groot is als een mosterdzaad? Een die geen antwoorden toetert, maar zó dicht bij mensen is, die geen kant op kunnen, dat je niets van een God terug vindt. Kent u hun bange vragen? Durft u het aan met hen? Het slagveld overzien dat wij nog zo mooi ‘samenleving’ noemen? Bent u bereid te leren kijken door de ogen van die vader en zijn zoon en hun lotgenoten, die van alle tijden zijn? Gelooft u werkelijk dat u samen met hen een struik zult zien groeien waarin álle vogels van de hemel een plek zullen vinden om te rusten? Niet alleen de geluksvogels, die gewend zijn om alle andere vogels gelukszoekers te noemen. Durft u die sprong te wagen in plaats van deze werkelijkheid dicht te timmeren met mooie woorden over God en jouw beste bedoelingen?

Want als we dat als kerk blijven doen, moeten we niet gek opkijken als we nabij de verdwijning zijn. Blijven hangen op de berg houdt risico’s in. Hoewel, dat moeten we ook weer niet te groot maken. Want God trekt wel verder. Het heil van de wereld hangt niet van ons af. Die struik, die uit het mosterdzaadje groeit, die komt er toch wel. Misschien zullen we eens op het gefluit van de vogels afkomen en ons verbazen. Wedden dat er ook dan nog plaats voor u en mij is?    

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.