Preek van de Week – Zondag 3 januari ’21

Jesaja 60, 1 – 6
Matteüs 2, 1 – 12 

I
Al dat licht. Het kan een mens ook gewoon te veel worden. Zo’n ster die zich in al zijn schoonheid en zijn uitzonderlijkheid aan je opdringt, zodat je er wel wat mee moet. Zoals het geval is bij de magiërs uit het evangelie. Ja, er is sprake van diepe vreugde. Maar toch echt pas als de ster stilstaat boven de plek waar het kind was. Na een lange, lange reis. Aan het eind van het verhaal. Niet als ze hun koffers pakken. Misschien hebben ze op dat moment ook wel gedacht: ‘Hebben wíj weer.’

En wat te denken van Jeruzalem dat bestraald wordt door de glorie van God. Als de zon je al laat vechten voor een plekje in de schaduw, hoeveel te meer wanneer het licht van de Ene over je opgaat. Het contrast is gewoon te groot. Wat heeft het donker te zoeken in dat licht? 

En het is wel jouw donker, hè? Jouw alledaags getob. Jouw liefde of wat daar voor door moet gaan. Jouw leven, dat niet groots en meeslepend is. Maar wel jóuw leven. Waar blijft dat allemaal in dat licht? Het vaagt alle donker weg.

Het mag dan ineens allemaal licht zijn, en de gelovigen mogen allemaal ‘Halleluja!’ roepen, maar wat is er dan van jou over? Van alles waar je niet mee te koop liep, maar waar je wel zuinig op was, omdat de ups nou eenmaal niet los verkrijgbaar zijn van de downs. Met zo veel licht is er geen hoekje in jezelf te vinden waar je je kunt verstoppen. 

Het licht heeft iets onbarmhartigs. Daar loop je dan te stralen omdat je in de Heer bent. Het is met jou net als met Jeruzalem: ‘Duisternis bedekt de aarde en donkerte de naties, maar over jou schijnt de HEER.’ (Jes. 60, 2) Tegen iedereen kun je vertellen hoe God je leven heeft veranderd en hoe het is om Jezus in je hart te hebben. Maar waar is je oude jij gebleven, de kromme stok die soms zo maar een rechte slag wist te slaan, het rugzakje dat wel bij je is gaan horen; je oude jij, die jou met vallen en opstaan tot hier gebracht heeft?

Al dat licht. Je zou er sterretjes van gaan zien.

II
Nee, dan liever de kaarsjes uit het kinderliedje. Ook een beetje kerst, maar dan beter te hanteren: ‘Jezus zegt dat hij hier van ons verwacht / dat wij zijn als kaarsjes, brandend in de nacht / en hij wenst dat ieder tot zijn ere schijn’ / jij in jouw klein hoekje en ik in ’t mijn.’ 

Het is bescheidener dan de ster van Bethlehem of het licht van Gods aanwezigheid dat de stad Jeruzalem zo laat glanzen dat heel de wereld komt kijken. Dat kaarsje uit het kinderliedje gedoogt in ieder geval jouw oude jij. Het legt de lat niet zo hoog. Het weet wel dat het alledaags gemodder er bij hoort. Als je je best maar doet voor Jezus. Als jij in jouw klein hoekje er maar bent voor anderen.Want dat is toch waar het in het geloof om gaat? 

Dat is ook best vermoeiend. Want het kan je aardig leeg trekken. Maar aan de andere kant geeft het op het moment zelf ook een goed gevoel.  Dat je later in jouw klein hoekje kunt zitten te pakken met een gevoel van leegte, dat hoort er een beetje bij. Dan voel je plotseling hoe zwaar je eigen rugzak aanvoelt en is het gevoel van eigenwaarde soms ver te zoeken. Maar dat gaat wel weer over. Als er opnieuw een appel op je gedaan wordt, dan schijn je er weer vrolijk op los – ‘jij in jouw klein hoekje en ik in ’t mijn.’ 

III
Dat kleine hoekje is in ieder geval veiliger dan het grote speelveld van de wereld. Daarin verschilt het kinderliedje van de beide lezingen van deze zondag. Het feest van Epifanie, dat Verschijning betekent, laat van jouw en mijn klein hoekje weinig heel. Het licht verbindt alle hoekjes waar mensen zich verstoppen aan elkaar. Wereldwijd. 

Vanuit jouw klein hoekje zie je de Chinese journaliste Zhang Zhan in haar cel in hongerstaking. Veroordeeld tot vier jaar cel vanwege ‘onrust stoken en provocatie’. Ze heeft geschreven over de verspreiding van het coronavirus op sociale media. In die berichten was ze kritisch op de censuur van de overheid. Jij ziet haar in haar klein hoekje en zij ziet jou in jouw klein hoekje. Daarom is ze in hongerstaking. Omdat ze weet dat jij haar ziet. 

Wat zou je tegen haar willen zeggen? ‘Meid, wat doe je jezelf aan? Was toch in je kleine hoekje blijven zitten! Houd alsjeblieft op met die hongerstaking. Kies voor jezelf. Ze laten je daar gewoon doodgaan.’ 

Ja, wat kun je hier aan deze kant van de wereld met jouw klein kaarsje, brandend in de nacht? En zij kijkt vanuit haar klein hoekje in de cel, ergens in China, jou zwijgend aan. Dat licht gaat niet meer weg, dat jou met haar verbindt, en andersom. Want het is het licht van Epifanie.

Het licht dat de Magiërs aan het koninklijk hof in het Oosten verbindt met Jeruzalem. Waardoor blijven zitten in hun klein hoekje met hun rijkdom en verwanten, voor hen geen optie meer was. Het licht van de ster heeft van de wereld een dorp gemaakt. 

IV
Ja! Met Jeruzalem als hoofdstad, zou Jesaja zeggen. Over haar schijnt het licht van de Eeuwige. Het zelfde licht waarmee ik u elke zondag weer mag zegenen: ‘De Levende zal zijn lichtend gelaat over je doen schijnen en je genadig zijn.’ Het is een licht dat alle sterren van de wereld in de schaduw zet. ‘Duisternis bedekt de aarde en donkerte de naties, maar over jou schijnt de Eeuwige.’ Jeruzalem is niet langer de stad in haar klein hoekje, een geschiedenis lang bezig haar wonden te likken. Een stad op een berg. Ja, een berg ellende. Steeds hoger omdat ze elke keer herbouwd wordt op de puinhopen van de vorige editie. Deze geschonden stad wordt tot middelpunt van de wereld. 

Sorry Geert en Thierry, maar alles komt in beweging, alles trekt op haar aan. Er is geen redden aan. Grenzen dicht?, zeg je. ‘Open je ogen,’ zegt Jesaja, ‘kijk om je heen: ze stromen in drommen naar je toe.’ En deze keer niet om je aan stukken te slaan. Ze komen op het licht af. Het is voorbij met ‘jij in jouw klein hoekje en ik in ’t mijn’ En weet je, net als jullie weet ik me geen raad met dat licht.

V
Wie ben ik in deze twee lezingen? Ik kom niet uit Midjan of Seba. En Jeruzalem? Slechts op bezoek geweest met een gemeentegroep. Tot de wijzen wil ik me niet rekenen. Ik houd het dan toch maar op wat ik het best kan meevoelen: de schrik van Jeruzalem. ‘Waar is de pasgeboren koning van de Joden? Wij hebben namelijk zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om hem eer te bewijzen.’ Koning Herodes schrok hevig toen hij dit hoorde, en heel Jeruzalem met hem.’ (Mat. 2, 2 e.v.)

Je zou het zelfde willen zeggen als tegen Zhang Zan: Was alsjeblieft in het Oosten gebleven, daar waar jullie horen. Had voor jullie zelf gekozen. Snap je dan niet dat hier ellende van komt? Zo in het volle licht op zoek gaan naar de pasgeboren koning van de Joden, dat wordt door Herodes gezien als ‘onrust stoken en provocatie’. En binnen de bestaande verhoudingen snappen wij dat het zo werkt. Hier komt dikke ellende van.  Daarvoor hebben we juist ‘jij in jouw klein hoekje en ik in ’t mijn’. Om te kunnen duiken. Om het een beetje leefbaar te houden. En om in dat klein hoekje voor de ander een lichtje te zijn, dat tot Jezus’ ere schijnt.

VI
Nou zou je kunnen denken dat ik het niet zo op heb met ‘jij in jouw klein hoekje en ik in ’t mijn’ en dat ik vind dat alles open gegooid moet worden.  Maar daarvoor weet ik te goed hoe belangrijk dat hoekje kan zijn waar een mens zichzelf weer bij elkaar probeert te rapen. Dat hoekje waar je breekbaar en diep teleurgesteld kunt zijn, zonder er voor te worden afgestraft. Een beschutting tegen de verwachtingen van anderen. Het plekje waar je leeg mag zijn en je even niet als een kaarsje tot zijn ere hoeft te schijnen.

Die zoektocht van de magiërs naar het koningskind brengt hen op een verborgen plek. Die lange, lange reis naar Jeruzalem, daar was niets verborgens aan. Er zijn vele wegen die naar Jeruzalem leiden. Om daar te komen hadden ze geen ster nodig. Maar dat laatste stukje, kronkelend door Bethlehem. Zonder tempel en paleis. God, waar moet je dan zijn? Dan is daar de ster, die ze in het oosten hadden zien opgaan, die voor hen uit gaat, totdat hij stil bleef staan boven de plaats waar het kind was. Daar in hun klein hoekje vonden ze het kind met Maria, zijn moeder. En ze waren er welkom.

Hier raken de uitersten elkaar: Het licht dat alles open legt en oost en west en noord en zuid samen brengt en dat huis in het nietige Bethlehem met een moeder en een kind. Het licht vaagt de uithoeken niet weg, maar het verbindt die aan elkaar. 

Het licht legt jouw sores niet bloot om het te grabbel te gooien voor het oog van jan en alleman. En het vaagt het ook niet weg zodat de inhoud van jouw rugzakje als sneeuw voor de zon verdwijnt. 

Het licht weet er van. Het is de wereldwijde macht van ultieme kwetsbaarheid, waarin elk mens zich mag herkennen en waar uiteindelijk alle harde krachten hun Waterloo vinden. Die ultieme kwetsbaarheid is geen abstract filosofisch principe. Het heeft een gezicht, daar in zijn klein hoekje in Bethlehem. En het krijgt steeds opnieuw een gezicht als dat van Zhang Zan in hongerstaking in haar cel. Dit kind verbindt ons wereldwijd en voor altijd. Het geneest jou en mij van de drang om ‘jij in jouw klein hoekje en ik in ’t mijn’ af te grendelen van de rest. Het kind wil bij jou zijn in jouw klein hoekje. En het heeft jou ook nodig in zijn klein hoekje. Zon, maan en sterren zijn er louter om hiervan te getuigen. En wij zijn er om te stralen van vreugde. Mét onze rugzakjes en door onze tranen heen. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.