Preek van de Week – Zondag 28 november ’21

Eerste zondag van Advent

Lucas 1, 5 – 25

I
Elisabet en Zacharias,
‘mijn God heeft gezworen’ en ‘de Ene gedenkt’.
In hun namen zit iets van ‘en toch..’,
God ís er. God zal zich laten zien.
Ook al weet ik bij God niet waar ik hem zoeken moet.
Als je die twee zo ziet, denk je niet:
‘Daar gaat wat van uit.’ ‘Dat wordt nog wel eens wat.’
Maar hun namen spreken een andere taal – Bijbelse taal.
Er zit iets vasthoudends in.
Laten we het op deze eerste zondag van Advent
volgehouden verwachting noemen.
Je ziet het niet aan ze af.
Niet aan de buitenkant – het zijn twee oude mensen.
Maar ook niet aan de binnenkant – te veel gezien
en te veel meegemaakt om in sprookjes te kunnen geloven.
De volgehouden verwachting zit alleen nog in hun namen.

Wat heb je daar nou aan?, zou je denken.
Wat moet je ermee?
Misschien wel niks.
Niets meer dan accepteren dat God iets wil met jou:
Elisabet – ‘mijn God heeft gezworen’,
Zacharias – ‘de Ene gedenkt’.
Levenslang lastig gevallen worden door je eigen naam.
Een naam die jou tot bidden aanzet,
terwijl je het helemaal niet van plan was:
‘Je hebt het toch gezworen, God?’
‘Jij bent het toch die gedenkt?’
Bijbelse taal is als de luis in jouw pels.
Ze valt je lastig met het ‘en toch…’
Moeilijk is dat.
Vooral op de momenten dat je rust gevonden hebt
in hoe het is gelopen.
De acceptatie dat je het ermee zult moeten doen.
Met wat er van je is geworden.
Met dat het is zoals het is.
Voor je gevoel zit in die acceptatie
zeker zo veel van God als in dat ‘en toch…’,
dat jou maar niet met rust laat.

II
Laten we eens doen alsof de Nieuwe Kerk de tempel van Jeruzalem is
en dat wij hier samen Zacharias en Elisabet zijn.
Beide vergelijkingen gaan mank.
De Nieuwe Kerk lijkt niet op de tempel en ís ook geen tempel,
ook al wilden de bouwers ons dat graag doen geloven,
gelet op de tekst boven de toreningang:
‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER,
naar de tempel van Jakobs God.’

En zoals de Nieuwe Kerk niet de tempel van Jeruzalem is,
zo zijn wij ook Zacharias en Elisabet niet.
We hebben hier wat samen,
maar we zijn niet met elkaar getrouwd.
We zijn eenlingen geworden.
De een lukt het met een beetje fantasie
om iets van zichzelf te herkennen in Zacharias.
Een ander ziet misschien iets van zichzelf terug in Elisabet.
Maar om nou samen te kunnen zeggen: ‘Dat zijn wij!’?
Dat is een brug te ver.
Daarvoor zijn we, een voor een, te veel van hier en nu.

En toch gaan we beide vergelijkingen aan.
Daarbij gesteund door fantasie en door geloof,
dat misschien wankel is geworden maar niet weg is.
Elke keer als we hier binnenkomen popt het even op.
Alsof het ook in de muren zit,
in de lange adem van de geschiedenis van dit monument.
Zoals het bij Zacharias en Elisabet in hun namen zit.
En binnen die muren, die al zo veel hebben gezien en gehoord,
zit het ook in het samen doen wat generaties vóór ons ook al deden:
bidden, zingen, horen, stil zijn.
Het doet iets met je,
ook als het geloof binnen in jou weinig meer voorstelt.
Dat is misschien nog wel de belangrijkste motivatie om te blijven komen:
de ontdekking dat het geloof niet uit jóuw tenen hoeft te komen.
Zoals dat bij zo veel dingen vandaag wél moet.
Hier is het net alsof het geloof op jou wacht.

III
Zacharias mag het avondoffer brengen in de tempel.
Volgens rooster is de priesterafdeling van Abia aan de beurt.
Zo’n twee keer per jaar is de afdeling aan de beurt
om het dagelijkse wierookoffer te verzorgen.
Er wordt geloot welke priester het mag doen.
Een kans van 1 op 400 dat jij het bent.
Het lot valt op Zacharias.
Met zo’n naam moest het er toch een keer van komen:
‘De Ene gedenkt’.
Zacharias weet wat hem te doen staat.
Ook al is het misschien zijn eerste keer.

Mooi om te zien dat het geloof en de rituelen
niet van jou persoonlijk afhangen.
Het omvat jou meer dan dat jij het in de hand hebt.
Maar als je dan aan de beurt bent, zoals Zacharias vandaag,
dan ben je meer dan een anoniem schakeltje.
Jij stelt het reukwerk samen zoals het staat geschreven
en steekt de wierook aan voor God, de Ene.
Een groots moment waarin ook jij wordt opgetild.
Terwijl je toch zelf de handelingen verricht.
De priester wordt niet naar zijn geloofsovertuiging gevraagd.
Hij moet doen waarvoor hij priester is.
In dit geval: het avondoffer brengen.

Is dat niet troostend?
Dat de boel niet in het honderd loopt,
als in jouw ziel de twijfel toeslaat.
Dat het hele spel niet stil komt te liggen
als jij het niet meer weet.
En dat er niets schijnheiligs aan is,
als jij met meer vragen dan antwoorden
de handelingen verricht
om het ritueel uit te voeren.
Wat je samen viert is zo veel groter
dan jouw persoonlijke overtuiging.
Net zo als de naam Zacharias, ‘de Ene gedenkt’,
zo veel meer betekent
dan wat de naamdrager er in het leven van bakt.
De naam houdt God dichtbij,
ook als de naamdrager tot de conclusie is gekomen
dat God afwezig is, of in ieder geval ver weg.

IV
En dan is daar ineens die engel van de Ene
aan de rechterkant van het reukofferaltaar.
Rechts betekent goed nieuws.
In de bijbel dan.
Zacharias schrikt harder dan wij.
De engel past in ons plaatje.
Het is tenslotte bijna Kerst.
Gabriël wordt in de bijbel slechts drie keer genoemd,
maar vraag je rond op straat,
dan zou het je misschien verbazen
hoeveel mensen zouden antwoorden:
‘Was dat geen engel of zo?’
Maar Gabriël past niet in het plaatje van Zacharias.
En dat is wel zo bijbels.
Ook al is de verschijning van de engel
het levende bewijs van Zacharias’ eigen naam,
‘De Ene gedenkt’, hij breekt wel in.
Hij komt van buiten.
Zacharias is geschokt en bang.

Blijkbaar sluiten die twee elkaar niet uit:
Goed nieuws en geschokte reacties,
de manifestatie van de hemel en de angst daarvoor.
‘Wees niet bang, Zacharias, je gebed is verhoord:
je vrouw Elisabet zal je een zoon baren,
en je moet hem Johannes noemen.’

Je gebed is verhoord. Mijn hemel!
Als ergens duidelijk wordt dat bidden
iets anders is dan God iets vragen
en het vervolgens krijgen, dan wel hier.
Er is een Woord, een gerucht, een verhaal
dat jou is doorverteld,
dat jou tot bidden aanzet.
En in het gebed ontstaat er de ruimte
om je hart uit te storten,
word je uitgetild boven alles wat jou klem zet.
Het gaat er niet in de eerste plaats om
of je gelooft dat je krijgt wat je vraagt.
Het gaat om het binnen gaan
in de ruimte van het gebed.

Hoe lang zal het geleden zijn
dat Elisabet en Zacharias gebeden hebben om een kind?
Bij het klimmen van de jaren vielen de woorden weg,
waren het alleen nog hun namen die woord gaven
aan het gemis dat overbleef van het verlangen:
‘Je hebt het toch gezworen, God?’
‘Jij bent het toch die gedenkt?’

En dan is daar Gabriël.
Zijn verschijning is schokkend.
Evenals de boodschap.
Een mens kan niet dichter bij de hemel
en de reddende liefde van God komen
dan door de ruimte van het gebed binnen te gaan
waarin uiteindelijk alle vragen stil vallen.
Want God zelf is te groot om aan te kunnen,
ook al zegt de engel: ‘Wees niet bang!’ Mijn hemel.

Als de hemel Zacharias
vreugde, verzoening en toekomst heeft aangezegd,
met het kind van Elisabet als heraut,
vraagt Zacharias aan de engel:
‘Hoe kan ik weten of dat waar is?
Ik ben immers een oude man
en ook mijn vrouw is al op leeftijd.’
Ja, hoe kan een mens dat weten?
Ook al heet je Zacharias en ben je priester voor het leven?
Ook al ken je de verhalen van Sara en Abraham,
toen zíj oud geworden waren.
Al is je hele bestaan een en al zoeken naar God
en dienstbaar zijn aan zijn toekomst,
hoe kun je wéten dat het waar is?

V
‘Dat kun je niet weten, dat moet je geloven’ zei de kerk.
Ik heb dat antwoord altijd gewantrouwd.
Vooral omdat de kerk aan alle kanten uitstraalde
dat zíj het wel wist en niet zat te wachten
op vragen bij het zorgvuldig dicht getimmerde verhaal.
Heeft die kerk Gabriël aan haar kant?
‘Zie, je zult zwijgen, je zult niet kunnen spreken
tot op de dag dat dit alles geschiedt,
– daarvoor dat je geen geloof gehecht hebt aan mijn woorden
die vervuld zullen worden als het hun moment is!’

Ik lees het anders.
Niet als straf.
God kan je even niet gebruiken, Zacharias.
God gaat geschiedenis maken
en heeft jou als priester daar even niet bij nodig.
Zacharias wordt een sabbatical gegund.
Een tijd waarin het in mag dalen
dat Gods toekomst niet van hem afhangt.
Een tijd waarin hij zijn vrouw Elisabet mag zien
zoals hij haar nooit eerder zag, als beloftevol.
Zij als de eerste viool, hij als de luisteraar.
Wat een zegen, zo’n sabbatical!

VI
Elke vergelijking gaat mank.
Maar we doen het toch.
Laat dit huis een plek mogen zijn, waar we worden stil gelegd.
Laat het ons overkomen
als we hier doen wat we het liefste doen: liturgie vieren.
Dat we stil vallen.
Overmand door het geheim dat we de toekomst
over mogen laten aan God zelf.
Misschien kan God
de gemeente van de Nieuwe Kerk
even niet gebruiken
omdat haar geloof te veel in bijzaken is gaan zitten.
Wie weet ontstaat er ruimte
in de stilte die wij laten vallen.
Ruimte voor andere mensen
om zich bij ons te voegen
zonder dat wij om het hardst ‘Welkom!’ roepen.
Mensen die wij niet hebben uitgekozen,
maar die door God zijn aangeraakt.
Zoals dat meisje uit Nazaret,
dat even verderop in dit verhaal haar stem laat horen
in de stilte die de priester Zacharias moet laten vallen.

Om dan, door haar geïnspireerd,
ons eigen tekort en onze breekbaarheid
te leren zien als Gods kracht.
Ineens en voor het eerst
de Elisabet in ons als gemeente
de eerste viool horen spelen.
En alle praatjes en weetjes en borstklopperij tot zwijgen gebracht.
Niet door ons.
Door God zelf.
En dan maar zien wat er van komt.
Wat God er van maakt.
Wat God van óns maakt.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.