Preek van de week – Zondag 27 juni ’21

Geliefde van Christus,

Toen er in het afgelopen jaar  plots een heleboel uitjes niet meer mogelijk waren, zoals naar het zwembad, de bioscoop of het museum, werd er gezocht naar allerlei alternatieven. En één van de dingen die plotseling weer ontzettend succesvol bleek, was de old school speurtocht of puzzeltocht. Zij het in de vorm van autopuzzelritten door het Groningse platteland, een stadwandeling waarbij hapjes en puzzels gecombineerd werden of de Paaschallenge van de PKN zelf.

Misschien heb je er ook wel één gedaan het afgelopen jaar. Anders zullen er waarschijnlijk alsnog maar weinig hier zijn die nog nooit een speurtocht hebben gedaan óf er één in elkaar hebben gezet. Hoe oud of jong je nu ook bent, het blijft een mooie uitdaging om goede raadsel aan aanwijzingen te bedenken of om zo goed mogelijk op te lossen.

Maar voor je je begint af te vragen waarom ik het nu toch over speurtochten en aanwijzingen heb, dat heeft te maken met de evangelielezing van vandaag. Johannes de schrijver van dit evangelie houdt ook wel van een puzzel en de genezing waar we vandaag over horen is een soort aanwijzing of zoals hij dat zelf noemt een ‘wonderteken’.

Om dat wat beter te begrijpen moeten we even uitzoomen. De opzet van het Johannes evangelie wordt namelijk wel eens beschreven als een soort speurtocht, vol met zorgvuldige verborgen en soms cryptische aanwijzingen. De bruiloft in Kana, waar Jezus van water wijn maakt, is volgens Johannes de eerste. Ons verhaal van vandaag is de tweede en daarna laat hij ons zelf verder tellen.

En die aanwijzingen, die Johannes zelf beschrijft met het woord ‘wondertekenen’, fungeren op weg door zijn verhaal heen als een soort richtingwijzers. Ze willen onze aandacht ergens op richten en onze blik als het ware de juiste kant op zetten.

Maar waar richten die aanwijzingen, die tekenen, ons dan op? Daarvoor moeten we eigenlijk even terug naar het begin van het evangelie; naar de ontmoeting tussen Nathanaël en Jezus. Nathanaël had van zijn vriend Fillipus over Jezus gehoord, maar was er nog niet zo van overtuigt dat uit een simpel plekje als Nazareth iets veelbelovends kon komen. Tot Jezus tegen hem zei: ‘Ik zag je al zitten onder de vijgenboom, nog voor Fillipus je riep’. Van verbazing over die kennis, zei Nathanaël: ‘Rabbi, u bent de Zoon van God, u bent de koning van Israël!’  Waarop Jezus antwoordde: ‘Geloof je hierom? Je zult nog grotere dingen zien’. ‘Ik verzeker jullie, jullie zullen de hemel geopend zien, en de engelen van God zien omhooggaan en neerdalen naar de Mensenzoon’.

Voor ons een nogal cryptische uitspraak waar Johannes verder geen woorden aan wijdt, maar direct zijn verhaal vervolgd met de bruiloft in Kana, het eerste wonderteken.  Maar blijkbaar wijzen die tekenen ons op iets wat te maken heeft  met die geopende hemel en de engelen die omhoog gaan en neerdalen naar de Mensenzoon. Voor Joden in die tijd bracht deze uitspraak direct de herinnering omhoog aan Jakob die, op de vlucht voor Esau, in een droom de hemel geopend zag met een ladder waarop de engelen van God op en neer gingen. Voor Jakob maakte dit duidelijk dat God daar bij hem aanwezig was.

Voor Joden stond dit verhaal dus symbool, voor Gods aanwezigheid; God die bij hen woont; een plek waar hemel en aarde elkaar raken. Wanneer Jezus deze woorden tot Nathanaël spreekt, wil hij dus eigenlijk zeggen: wat je zult gaan zien zijn niet zomaar wat kunstjes of bijzondere, miraculeuze gebeurtenissen. Nee, als je bij mij in de buurt bent zul je iets gaan zien van hoe die werkelijkheid eruitziet waarin hemel en aarde elkaar raken, waarin God zelf aanwezig en werkzaam is en het volle leven zichtbaar wordt.

Tegen die achtergrond plaatst Johannes dan dus de verhalen die volgen over de wondertekenen van Jezus. Als richtingwijzers, of zoals het woord het zelf al zegt als ‘tekenen’ van Gods werkelijkheid die zichtbaar wordt. In de verhalen gaat het dus niet allereerst om die tekenen zelf, over die uitzonderlijke gebeurtenis of over de vraag of het wel echt gebeurd kan zijn. Nee, het zijn juist verhalen die van onze aardse werkelijkheid afwijzen naar een hemelse werkelijkheid, naar leven in al haar volheid.

Het zijn tekenen of momenten waarop de hemel even geopend is en de levensveranderende kracht van Gods liefde in de wereld naar binnen breekt.

Dat, zegt Johannes, mag je verwachten in de nabijheid van Jezus en wanneer je zijn woorden en handelen serieus begint te nemen als voorbeeld en leidraad voor je eigen leven.

Maar dan komt Johannes bij ons verhaal van vandaag dat tweede wonderteken en daar is iets aan de hand. Om maar weer het voorbeeld van die puzzeltocht te gebruiken, het lijkt hier alsof een aantal deelnemers meer geïnteresseerd is geraakt in de aanwijzingen zelf dan in hun rol als richtingwijzers die helpen de schat of het einddoel te ontdekken.

De angst daarvoor klinkt door in de tekst, waarbij al lezend de vraag oprijst naar de aard van het gastvrije welkom in Galilea: zijn ze oprecht geïnteresseerd in Jezus en wie hij is, of toch vooral in de tekenen die hij laat zien? En het klinkt ook in Jezus’ eigen woorden wanneer hij zegt: ‘Als jullie geen tekenen en wonderen zien,

geloven jullie niet!’

Johannes schets het gevaar  dat men zo dreigt te worden afgeleid door de wondertekenen dat men vergeet waar het om gaat. Of om het maar in de termen typisch voor Johannes te zeggen: ‘Het Woord is mens geworden, maar wat als de mensen die mens zo gaan bewonderen dat ze het Woord helemaal vergeten?’

Dat is de vraag in de tekst, maar die kaatst ook terug naar ons vandaag.

Want volgens mij is het een herkenbaar gevaar, in het geloof, maar misschien ook wel in onze dagelijkse keuzen en focus, dat we uit het oog verliezen waar het nu echt om gaat. Dat we in ons verlangen naar vol leven of echt geluk blijven hangen in die dingen die dat vooral snel voor elkaar lijken te krijgen of waarvan we als samenleving hebben bepaald dat het succes of geluk definieert.

Steeds vaker lijkt geluk gekoppeld te worden aan een interessant, succesvol of enerverend leven. Als je na het weekend weer op je werk of op de uni komt en er wordt gevraagd wat je in het weekend hebt gedaan, dan voelt het misschien bijna soms ongemakkelijk om te zeggen: ‘niet zo veel, gewoon rustig thuis’. En ook in ons werk of zelfs in onze relaties, zijn we vaak voortdurend, bewust of onbewust op zoek naar een mooie ervaring, uitdaging of verassing.

Maar met die hang naar succes, naar snel geluk of enerverende ervaringen, maken we – voor we het weten – onszelf gek of opgebrand. Voelt het als falen wanneer we daar niet in mee kunnen komen en verliezen ten diepste misschien wel uit het oog

waar het nu om gaat; wat het leven echt zin geeft.

Want misschien zit dat juist net in het gewone en alledaagse; in de verbinding met de mensen om ons heen. Er zijn maar weinig mensen die aan het eind van hun leven zeggen: ‘Ik wou dat ik meer had gewerkt, dat ik succesvoller was geweest of meer citytrips had gemaakt’. Maar des te meer die zeggen: ‘Ik wou dat ik meer tijd had genomen met de mensen van wie ik houd of dat ik het gewone alledaagse meer had gewaardeerd’.

En daarbij, wanneer geluk vooral in het succesvolle of bijzonder gaat zitten, dreigt het al snel iets individualistisch te worden of alleen voor de sterkste of meest bevoordeelde bereikbaar. Iets wat we veilig proberen te stellen en daarmee al snel voor onszelf proberen houden. Dat gebeurt op persoonlijk niveau, maar niet zelden ook op groter niveau. Zij het in de manier waarop we als Europa omgaan met de vluchtelingen aan onze grenzen of de verdeling van vaccins.

Volgens mij stelt de tekst ons hier vragen en daagt ze ons uit, maar voor Johannes gaat het hier ook nog dieper. Voor hem heeft het ook alles te maken met Christus en met wat het betekent om te geloven.

De tekst van vandaag, en het evangelie zelf, nodigt ons niet uit om te geloven in een abstract idee, een vaag gevoel of  een niet onder woorden te brengen geestelijke ervaring. Het is meer dan een mooie spirituele of culturele ervaring, meer dan een kort moment van rust of inspiratie waarna we onze alledaagse bezigheden weer gedachteloos kunnen vervolgen. Nee, geloof wat zich laat raken door dat evangelie, door het Woord (Christus) zelf, heeft alles te maken met vernieuwing. Het opent onze ogen én ons hart voor de mensen en de wereld om ons heen en voor de transformerende kracht van Gods liefde.

Die transformerende liefde, die allereerst in Jezus zelf zichtbaar en werkelijk werd.

In die wondertekenen… maar misschien nog wel meer op die momenten dat hij sprak met vreemdelingen, at met mensen die als buitenstaanders of zondaren werden gezien, de momenten dat hij vergaf, luisterde met aandacht en met ontferming bewogen was. In en door hem werd Gods aanwezigheid en werkelijkheid; het volle leven, zichtbaar en tastbaar.

Of om maar weer kenmerkende woorden voor Johannes te gebruiken: daar brak het Licht in, in deze wereld. En dat Licht of haar effect ziende, worden we niet geroepen  om het slechts te bewonderen of ons erover te verbazen en vervolgens weer door te gaan met ons leven. Nee, we worden geroepen om ons erdoor te laten raken, inspireren en vernieuwen. Opdat Gods werkelijkheid van vrede en recht die grenzen doorbreekt ook in en door ons zichtbaar wordt. En opdat we mogen leven vanuit een hoopvolle verwachting.

Sprekend van verwachting wordt onze aandacht gevestigd op de vader in onze tekst. Van ver gekomen, misschien met het laatste beetje hoop wat in hem is. En dan zou je zeggen dan ga je pas weer weg als je resultaat ziet of zekerheid hebt. En toch zien we hem terug naar huis gaan zonder dat hij er op staat dat Jezus met hem mee gaat. Het is niet het wonder wat hem het geloof geeft, maar de woorden van Jezus. Blijkbaar klonk er een kracht en werkelijkheid in door die hem het vertrouwen gaf om in de verwachting terug te keren naar zijn zoon.

Het vraagt nogal wat vertrouwen en hoop om te geloven dat God aanwezig is, –  vernieuwend, transformerend – wanneer we er soms misschien maar weinig van zien. En tegelijk kunnen we dan misschien niet anders dan op weg gaan, die nieuwe werkelijkheid – dat volle leven – verwachtend en anticiperend.

God was tastbaar aanwezig in Jezus, in hem kwam hij bij ons wonen. Maar met Pinksteren in ons achterhoofd klinkt de belofte dat God, door zijn Geest, ook in en door ons aanwezig wil zijn. En zoals Jezus liet zien hoe het leven eruit ziet wanneer Gods werkelijkheid doorbreekt. En zijn wondertekenen als het ware voorproefjes waren van een tijd waarin hemel en aarde weer samen één zijn. Zo worden ook wij opgeroepen die nieuwe realiteit waar hemel en aarde elkaar raken, en het leven in al haar volheid werkelijkheid wordt, te verwachten, te anticiperen en uit te leven in ons eigen leven.

En dat zit hem niet allereerst in grote, bijzonder of impactvolle acties, want net als de wondertekenen kan ook dat soms ten onrechte onze focus worden. Misschien gaat het wel veel meer om die kleine maar trouwe dingen die we doen. Onze onvoorwaardelijke liefde, stilzwijgende aanwezigheid, diepgaande zorg of open houding naar de mensen om ons heen.

Een voorbeeld vinden we in Tabita/Dorcas. Haar verhaal staat als een soort intermezzo tussen die grote verhalen over de reizen en handelingen van bekende apostelen, zoals Petrus en Paulus. Maar niet zonder reden. Jezus of zelfs Petrus hadden de weduwen waarschijnlijk nooit gezien, maar wel de tunica’s en mantels door Dorcas gemaakt. Ook dat, of misschien juist dat, is iets waar Gods nieuwe werkelijkheid toen en nu al even tastbaar wordt.

Amen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.