Preek van de Week – Zondag 25 april ’21

Ezechiël 34, 1 – 10
Johannes 10, 11 – 18

I
‘Mijn God, mijn herder zorgt voor mij’.
Dat hardop zeggen is lastig.
Je bent geen kind meer.
Je hebt de ander niet eens nodig om te zeggen:
‘Kom op, zeg. Word eens volwassen.’
Voor een ander het kan zeggen, heb jij het al lang tegen jezelf gezegd.
Daarom houd je het ook voor je.
Behalve als je het mag zingen.
Je zingt het zachtjes mee met de voorzanger:
‘Daar rust ik aan een stille stroom – en niets dat mij ontbreekt.’  
En je verlangt naar het moment dat je het weer hoort klinken
uit al die monden tegelijk.
Wonderlijk, die samenzang.
Niemand houdt zich in,
terwijl we een voor een de vragen kennen bij wat we zingen:
‘Mijn God, mijn herder zorgt voor mij’. Ja, ja..
Nee níks ‘ja, ja..’.
Niet op het moment dat het gezongen wordt.
Als we het samen zingen, zwijgen de volwassen vragen,
zonder die te hoeven overstemmen.
Daarom is ‘De Heer is mijn herder’ ook zo populair bij uitvaarten.
Al zingend voeg je een dimensie toe aan de dood van een geliefde,
van wie je afscheid nemen gaat.
Zij staat niet op. Je zingt haar niet wakker.
Maar zij zingt mee als er samen gezongen wordt:
‘De Heer is mijn herder! / Al dreigt ook het graf, /
geen kwaad zal ik vrezen, / Gij zult bij mij wezen. /
 o Heer, mij vertroosten / uw stok en uw staf!’
Ik denk dat dit de kracht is van de samenzang
in de viering van de liturgie.
Er is een waarheid die ontglipt aan de volwassen vragen.
Er is een God, die niet het eindproduct is van ons gezamenlijk geloven
en die niet weg geblazen wordt door onze twijfels.
Een die er aan vooraf gaat en er ver bovenuit gaat.
Dat is ook het verschil tussen liturgie vieren
en een heerlijk avondje samenzang in een bomvolle kerk.
Bij ‘Nederland zingt’ ontbreken de nood van de wereld
en de vertwijfeling van moderne mensen.
De grote vragen worden thuis gelaten.
En de grootheid van God is er recht evenredig
met het aantal stemmen en het geluid uit zoveel kelen.
Om die God kun je niet heen.

II
Om ‘Mijn God, mijn herder’ kun je wel heen.
Hij dringt zich niet op.
Zij dient zich niet aan als godsbewijs;
veegt de vragen niet van tafel;
is geen antwoord dat het houdt.
‘Mijn God, mijn herder’ zoekt zijn schapen waar ze verloren lopen.
Ezechiël beschrijft ze als zwak, ziek, gewond,
verjaagd, verdwaald en hard en wreed behandeld.
Om zo’n God kun je prima heen.
Net zoals je prima om die schapen heen kunt.
Je moet stilstaan en omkijken om nog een glimp van ze op te vangen.
Je hebt ze achter je gelaten, die God met zijn schapen.
Want wie te lang stil staat bij het onrecht
dat mensen en dieren wordt aangedaan
en de oorzaken durft te benoemen,
loopt de kans de aansluiting te missen met de koplopers.
Net als die God met zijn schapen.
Twee zondagen geleden waren we getuige
van de ontmoeting tussen de opgestane Heer en Tomas.
Jezus toonde Tomas zijn wonden en nodigde hem uit ze aan te raken.
‘Mijn Heer en mijn God,’  zei Tomas toen.
Hij is een op een de zelfde als ‘Mijn God, mijn herder’
Het is een God die de aansluiting met de koplopers gemist heeft
en die de wonden van wie hard en wreed behandeld worden
in zijn wezen gekerfd ziet.
Nooit meer zullen ze zonder elkaar zijn:
deze God en zijn onaanzienlijke kinderen.
Over wie we het dan hebben?
Over de slachtoffers van de toeslagenaffaire
met hun niet Nederlandse namen.
Over de kinderen achter het hek in de vluchtelingenkampen,
overal vandaan en in Europa niet gewenst.
Ach, ik hoef niet iedereen te noemen.
God kent de namen.
Hij is met hen.
‘Al moet ik door het doodsravijn, / U gaat steeds aan mijn zij.’
Dat is een troostende gedachte, toch?
Wat ons niet lukt,
wat wij niet willen doen omdat we de boot niet willen missen
en het liefst onze zegeningen tellen in de kopgroep,
dat doet ‘Mijn God, mijn herder’ wel.
Begrijp me goed, ik meen het echt.
Ik sta hier niet om u de oren te wassen.
Ik heb de handen vol aan het wassen van mijn eigen oren.
Maar ik wil wel de vraag met u delen hoe eerlijk het is
om zo’n prachtig lied met elkaar te zingen,
op een melodie waaruit alle pijn verdwenen is,
zonder ons af te vragen wat er achter ons gebeurt
met onze zussen en onze broers.
En daarbij hoort ook de vraag
of ‘Mijn God, mijn herder’ nog wel in de kopgroep te vinden is.
Waarbij het antwoord ‘God kan alles en is overal’, niet direct bevredigt.
Het verzet van een modern mens
tegen een al te gemakkelijk ‘Mijn God, mijn herder, zorgt voor mij’,
laat zich niet zomaar wegwuiven.
Nee, je bent geen kind meer.
Je hebt de ander niet nodig om te zeggen:
‘Kom op, zeg. Word eens volwassen, jij!’

III
En toch zingen we het in de liturgie.
De tekst en de melodie troosten en ontroeren.
Hoe kan dat?
Nou ja, ieder mens heeft op z’n tijd
behoefte aan zachtheid en troost, toch?
Ja, alleen is dat antwoord tegen de achtergrond van dat beeld
van de koplopers en de achterhoede niet helemaal onproblematisch.
Is die troost niet wat goedkoop?
Heeft God er een hand in?
Of doen we het zelf?
Zoals we alles vandaag zelf moeten kunnen,
willen we niet gelost worden uit de kopgroep.
Ik geloof dat God er de hand in heeft.
Ook al vertrouw ik mezelf en u voor geen cent.
We zijn voortdurend op zoek
om het onszelf zo comfortabel mogelijk te maken.
Troost zoeken hoort daarbij.
En toch geloof ik dat God meekomt in het lied
en in de melodie op deze zondagmorgen.
Dat is het verschil tussen liturgie vieren en Nederland Zingt.
God laat zich in de viering van de liturgie verleiden
om naar ons toe te komen.
Om maar een gewaagd beeld te gebruiken uit een ander evangelie:
hij laat de negenennegentig schapen achter op de heuvels
om het verlorene te vinden.
Dat zijn u en ik.
Dat zijn de mensen die zich liever geen schaap laten noemen,
omdat ze zich geoefend hebben in het doppen van hun eigen boontjes
en in de eigen schaapjes op het droge brengen –
Scherp aan de wind zeilend bij het invullen van de belastingaangifte
en chagrijnig als het pensioen minder waardevast blijkt te zijn
dan wel eens gedacht.
Individuele gelovigen,
die God soms nodig hebben om de onderneming, die leven heet,
door moeilijke tijden te loodsen.
De liturgie draait de rollen om.
De laatsten worden de eersten.
De koploper blijkt het verloren schaap.
Zoiets verzin je niet.
Het gebeurt aan je du moment God besluit om jou te gaan zoeken.
Dat is de bron van jouw ontroering
als je zachtjes met de voorzanger meezingt:
‘Mijn God, mijn herder, zorgt voor mij’
en jij ontdekt: waarachtig, het is waar!
Eerder zei ik dat ze nooit meer zonder elkaar zouden zijn:
deze God en zijn onaanzienlijke kinderen.
Daarom is er een correctie nodig
op het beeld van de herder
die de negenennegentig schapen op de heuvels achter laat.
God heeft ze bij zich als zij ons opzoekt in onze verlorenheid.
Wat ons in de wereld nog niet lukt,
lukt wel in de viering van de liturgie.
De achterhoede is bij ons
en maakt dat het Kyrie uit onze tenen komt.
En wij bidden niet voor stad en wereld
omdat het nu eenmaal zo hoort.
Als wij bidden voor mensen die alles meegemaakt hebben
wat Ezechiël beschrijft,
dan zien we de gezichten voor ons.
Omdat God hen bij zich heeft.
In de viering van de liturgie zijn er geen koplopers
en is er geen achterhoede meer.
Dan zijn er alleen maar zussen en broers en God alles in allen.
En eindelijk durven we te zeggen hoe moe we zijn van onszelf
in onze pogingen aan de goede kant van de streep te blijven.
We kunnen vertellen van ons klein verdriet dat o zo groot kan zijn.
En om ons heen staan zussen en broers,
die we nooit eerder gezien hebben,
die knikken omdat ze het begrijpen.
Honderd schapen bij elkaar,
die weten wat het betekent
om je eigen herder te moeten zij
en je zelf te moeten weiden.
Hoe kostbaar is de viering van de liturgie!
Daar kan geen Nederland Zingt tegen op.
En daarom zou ik u willen vragen:
als het straks weer kan, kom dan naar hier en vier!
Loop hier de deur plat.
Niet omdat de viering van de liturgie het een en het al is.
God laat zich misschien verleiden om er bij te zijn,
maar God woont hier niet.
God is waar de achterhoede zich bevindt.
In de wereld laat God van zich horen:
‘Mijn schapen hadden geen herder,
ze werden weggeroofd en door de wilde dieren verslonden;
en jullie, herders, keken niet naar mijn schapen om,
jullie hebben alleen jezelf geweid maar niet mijn schapen!
Daarom, herders, luister naar de woorden van de HEER:
Dit zegt God, de HEER:
Ik zal de herders straffen en mijn schapen opeisen;
zij zullen ze niet meer mogen weiden.
Ook zullen ze niet langer zichzelf weiden:
ik zal mijn schapen uit hun mond redden,
ze zullen ze niet meer eten!’
De viering van de liturgie is het bruggenhoofd naar een andere wereld
waarin de kloof is gedicht
en het recht van de sterkste het onderspit heeft gedolven.
Er zijn twee plekken waar de stem van de Goede Herder is te verstaan:
in de viering van de liturgie en in de achterhoede van de wereld,
waar mensen elkaar een gezicht geven
en opkomen voor rechtvaardigheid.
Het laatste kan wel zonder het eerste.
Weet hoe gezegend we zijn met een wereld aan Gods kinderen.
Het eerste kan niet zonder het laatste.
De viering van de liturgie brengt je onontkoombaar
op plekken waar de pijn van het leven dagelijks gevoeld wordt.
Weet wat je doet als je naar de kerk gaat.         

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.