Preek van de Week – Zondag 24 januari ’21

Amos 4, 1 – 2
Marcus 1, 14 – 20

I
Ik twijfel waar ik moet beginnen. Bij de herinnering aan het moment dat ik met mijn ogen dicht in de maand november in de zon aan het Meer van Galilea stond en het water zachtjes hoorde neuriën. Of bij de herinnering aan een van de vele keren dat ik met vriendjes aan het vissen was in het kanaal, waaraan mijn geboortedorp zijn ontstaan te danken heeft.

Die eerste herinnering is zonder twijfel esthetisch de mooiste. En ze komt dichter in de buurt van het evangelie dan de tweede. Tenminste, als het decor van het evangelie er voor jou toe doet. Met mijn ogen dicht en met de zon op mijn huid overbrugde ik met groot gemak de tweeduizend jaar die mij scheiden van Jezus en de eerste discipelen. Zo heeft het gekabbel van het water toen ook geklonken. Ook al stond het waterpeil hoger dan nu.

En toch kies ik ervoor om met die tweede herinnering te beginnen. Ook al schaam ik me er met terug werkende kracht voor. Ik zal u gerust stellen: ik vis niet meer. En ik ben diervriendelijker geworden dan ik als kind was. Wij visten met een worm aan de haak en het kanaal zat vol met een vis, die pos heet, maar bij ons bekend stond als de snotter. Een kleine gulzige rover, grauw als het kanaal zelf. Als je beet had, was het vaak al te laat. Dan waren wurm en haak al doorgeslikt. In dat geval zwiepte je de lijn met de vis over je schouder op de straatklinkers en maakte je een eind aan het leven van de vis. Om het vervolgens met een deel van de verfomfaaide worm nog eens te proberen.

Nu ben ik visser van mensen. Nou ja, herder is misschien een charmanter beeld. Want het is alle hens aan dek om de boel bij elkaar te houden en er wordt bar weinig gevangen. Maar laten we het beeld van deze zondag even vasthouden – visser van mensen. Het betaalt beter dan wat Simon en Andreas, Jacobus en Johannes verdienden toen ze nog gewoon vissers waren. Het gaat er ook wat vriendelijker aan toe, als ik het kerklied moet geloven: ‘Christus die door de wereld gaat / verheft zijn stem niet op de straat, / Hij spreekt ons hart aan, heden / en wenkt ons met zich mede.’ (Lied 531 vers 3) Maar moet ik het wel zo geloven? Is het geloof alleen een zaak van het hart?

Ik kon het niet laten om bij het evangelie van deze zondag een Bijbelse dissonant te laten klinken, die van de profeet Amos. Ik had ook Jeremia of Ezechiël kunnen kiezen. In de boeken van de profeten heeft ‘opgevist worden’ niet zo’n prettige klank. Het gaat bij geloven om meer dan het hart en de ziel. Dat hoor je in een ander couplet van dat zelfde kerklied nog enigszins terug: ‘Hij komt misschien vandaag voorbij / en neemt ook jou terzij of mij / en vraagt ons, Hem te geven / de rijkdom van het leven.’ (Lied 531 vers 2)

Ja, die rijkdom, dat is wel een dingetje. Al klinkt het in dat lied meer omfloerst dan in de profetie van Amos. Meer overgoten met dankbaarheid dan doordrenkt van onrecht en decadentie : ‘Hoort dit woord, vaarzen van de Basan / op de berg van Samaria, die geringen verdrukken en armen vertrappen!; die tot hun heren zeggen: laat komen, we willen drinken! Gezworen heeft mijn Heer, de Ene, bij zijn heiligheid dat er, zie, dagen over u op komst zijn, dat men u zal optillen aan angels, uw achterste aan vishaken’ (Amos 4, 1 – 2).

Zo krijgt vissers van mensen worden een andere klank. Om het nog maar niet te hebben over opgevist worden. Het zijn Jeroen Bosch-achtige taferelen. Als Gods koningschap nabij gekomen is, is er meer in het geding dan jouw ziel en zaligheid. De wereld behoort God toe. Daarom doet het er toe dat Jezus naar Galilea gaat, waar hij Gods goede nieuws verkondigde. Het is niet om het even. Gods goede nieuws is gerelateerd aan het alledaagse leven van mensen die weten wat schulden zijn en wat uitzichtloosheid met je doet.

Vandaar dat ik toch maar begonnen ben met het dorp van mijn kindertijd in plaats van met het meditatief moment aan de oever van het Meer van Galilea. Het eerste is minder verheven en omgeven met een gevoel van schaamte. Grauw als de pos op de klinkers. En toch komt het dichterbij de profetie van Amos en bij het alledaags gemodder in Galilea dan het moment dat ik werkelijk in Galilea was en ik daar overvallen werd door een diep religieus gevoel. Geloven is zo veel meer dan de topervaring op de lijn tussen jou en God. Geloven begint bij gevonden en geroepen worden terwijl jij eelt op de handen aan het kweken bent bij het herstellen van de netten, samen met je vader en je broer en de dagloners. Het werkterrein van God is niet de ziel, maar de wereld en het alledaagse.

II
De NBV had liever gehad dat ik dat moment aan het Meer van Galilea als uitgangspunt voor de overweging had genomen in plaats van die jeugdherinnering. Zo kennen we het immers? Als een van de trekpleisters voor een pelgrimage naar het Heilige Land. Waarom zou anders het woord ‘zee’ als ‘meer’ vertaald zijn? Voor ons gemak verbeteren ze de auteur van dit evangelie. Het is veel te lastig om de meerdere betekenissen van het woord ‘zee’ aan mensen van deze tijd uit te leggen. Maar ga er toch maar even voor zitten. Want het gaat wel degelijk over jou en mij.

Woestheid en warboel, zegt het scheppingsverhaal. En duisternis op de oervloed. ‘Tohoe wa bohoe,’ zo klinkt dat dreigend in het Hebreeuws. Laten we zeggen: het tegenovergestelde van de religieuze topervaring. Dat klinkt mee in het woord ‘zee’. Geen zachtjes neuriënd water van een meer dat glinstert in de zon. Eerder de dreiging van een naderende psychose, de radeloosheid van een ondernemer die niet meer slaapt, de terugkerende stress aan het eind van de maand als het geld op is. Je bent nergens meer. Je hoeft dus niet naar het Heilige Land om dichter op het evangelie te kunnen komen. Over wanen gesproken.. Het is natuurlijk andersom. Jíj wordt opgezocht met je gekte, met je zorgen, met je rugzak, met de draden waarmee je vast zit aan de wereld en er onderdeel van uitmaakt. Dát is het goede nieuws!

Dat is ook zo mooi aan het beeld van Petrus en zijn broer, die samen tot aan hun middel in het water staan en hun netten uitwerpen in de zee. Het is niet moeilijk om het voor je te zien in een toeristische folder. Maar daarin lees je niet over de belasting die de Romeinse bezetter heft, of over het gebrek aan zelfrespect omdat je uit Galilea komt, over onderstromen die je zo maar onderuit kunnen trekken, of over  jouw eigen gemarchandeer. Je staat tot aan je middel in het water. En zomaar staat het aan je lippen.

III
Daar komt Jezus voorbij. Hij moet in Galilea zijn. Bij jou, waar jij je stand niet meer kunt ophouden. Een nette kerk.. God, wat een grote vergissing. Het koningschap van God laat eeuwig op zich wachten als wij ons niet willen laten vinden in onze verwevenheid met alles wat niet deugt aan onszelf en aan deze wereld. ‘Hè, niet zo negatief, dominee. Geen wonder dat je niks vangt.’ Maar dat is een misverstand. Ik ben niet negatief. Mijn hart maakt een sprong van heb ik jou daar. Want hier begint God met ons. Waar wij ons niet meer moreel superieur wanen en niet langer spelen alsof wij op het droge staan en de wereld als poel van verderf moeten zien te redden. Een wereld vol wappies en harteloos volk.

Jij bent geen wappie, zeg je. En zeker niet harteloos. Maar in het licht van Gods koningschap ben je een wappie als je denkt dat jij jezelf moet redden. En je bent harteloos als je doet alsof solidariteit een individuele keuze is van een goed mens. Een die net een treetje hoger staat en permanent vergeet dat de ander is als jij – jouw broer, jouw zus, jouw herinnering aan het gezicht van God. Er zullen wonderen gebeuren als wij ons onze privileges laten afnemen en onze vermoeide zielen rust gunnen nu Gods koningschap zo nabij is.

IV
De nabijheid van het koningschap van God toont zich in elke stap die Jezus zet naar jou toe. De boodschap is niet de mooiste preek ooit gehoord. De boodschap is hij zelf, met hart en ziel en in levende lijve. Die blik, die gestalte, getekend en gevormd door zijn jeugd in Nazareth. In hem komt Gods koningschap nabij.

Ik heb me altijd afgevraagd hoe gek je kunt zijn om alles uit je handen te laten vallen als hij je roept. O ja, ik kan de preken wel dromen waarin dominees mij opzadelden met hun dubbele boodschap. Ja, geef je hart aan Jezus. Maar doe dat door vooral gehoorzaam te zijn aan je opvoeding, aan je vader, aan de kerk. Blijf op je post. Wees verantwoordelijk. Wat daar gebeurde was uniek. Dat was toen. En die vissers kenden hem en hadden al veel nagedacht over ‘zal ik wel?’ of ‘zal ik niet?’

Hoe begrijpelijk is zo’n boodschap. Hoe krijg je het anders op een rijtje? Ja, misschien is dat het wel, dat Gods koningschap niks heeft met onze rijtjes. Het heeft wat met ons, waar wij de dingen niet meer op een rijtje hebben. God zelf neemt de gestalte aan van een mens met een rugzakje. Net zo een als die van jou.

Dat die vissers met Jezus mee gaan is niet omdat hij een charismatische rattenvanger van Hamelen is, maar omdat ze zich door God zelf gekend weten in hun rugzak, gekend in het vastgepind worden op hun sociale status, gekend in hun onmacht om de ban te breken. ‘Kom, volg mij!,’ zegt Jezus. Met elke stap zul je dichter bij jezelf komen. Ik vraag van jou niet om een politiek programma te onderschrijven of om in een visioen te geloven. Ik vraag van jou te accepteren dat God je gevonden heeft en dat jij voortaan tot zijn familie behoort en dat jij er een wereld aan broers en zussen bij gekregen hebt. ‘Kom, volg mij!’ Voorbij alle schaamte. Voorbij alle armoede en rijkdom. Voorbij de eenzaamheid. Wie zou niet alles uit handen willen laten vallen, als God jou omarmt?  

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.