Preek van de Week – Zondag 23 januari ’22

1 Samuël 3, 1 – 10
Johannes 1, 35 – 52
I
‘Wat zoek je?,’ vraagt Jezus aan Andreas en aan nog een ander.
Misschien is dat jouw vraag ook wel,
want wie weet ben jij die ander wel.
Ja, wat zoek ik eigenlijk?
Nou misschien dat wel, dat jij mij ziet,
dat jij letterlijk naar mij omziet.
Het is geen enkele kunst meer om de weg kwijt te raken.
Dit is een tijd die je op sleeptouw neemt.
Terwijl de richting ontbreekt.
Heb je dit wel gezien? Heb je dat al gehoord?
En je mag niks missen.
Want wie weet mis je wel de boot.
En waar blijf je dan?

‘Wat zoek je?’
Dit is een ander roepingsverhaal dan bij Matteüs en Marcus.
Daarin word je niks gevraagd.
Hun versie is kort samengevat in het lied
dat vaste prik is op de derde zondag na Epifanie:
Jezus die langs het water liep
en Simon en Andreas riep,
om zomaar zonder praten
hun netten te verlaten,
Hij komt misschien vandaag voorbij
en roept ook ons, roept jou en mij,
om alles op te geven
en trouw Hem na te leven.
In dit lied roept Jezus de eerste leerlingen los uit hun sociale verband.
Dag vader en dag moeder, dag netten en dag boot, dag thuis.
Van het een op het andere moment laten ze alles uit hun handen vallen
en gaan ze met hem mee.

Deze keer zingen we het lied niet.
Omdat er vandaag een ander verhaal verteld wordt,
dat van de evangelist Johannes.
Zomaar zonder praten hun netten verlaten, is er niet bij.
Er wordt gepraat en er is tijd.
Misschien is dit wel meer een verhaal voor ons vandaag.
Op drift geraakt zijn we namelijk al.
Daar hoeft iemand ons niet meer bij te helpen.
In één generatie is er zo veel veranderd.
Mensen hoppen van baan naar baan,
leven uit de koffer, lopen vast en beginnen opnieuw.
We hebben Jezus niet nodig om van onze wortels los getrokken te leven.
En elk van ons moet zelf maar zien hoe die daar gezond bij blijft.

Het eerste wat Jezus zegt in dit verhaal is niet: ‘Volg mij!’
Hij draait zich om naar Andreas en naar jou
en hij vraagt: ‘Wat zoek je?’
Niet dat het een makkelijke vraag is om te beantwoorden.
Zoeken is spannend in positieve zin,
als je nog weet waar je vandaan kwam
en gelooft dat de toekomst iets moois in petto heeft
voor wie niet bang is voor verandering.
Maar als je je oriëntatiepunten kwijt bent,
als het hier en nu alle hens aan dek is
en toekomst iets wordt waar je bang voor bent,
dan is zoeken niet leuk meer.
Dan ben je misschien wel extra gevoelig voor een leider
die tegen jou zegt: ‘Ik weet waar het naar toe moet. Volg mij!’
Niet meer hoeven zoeken.
Weten hoe het zit en blind er voor gaan.
Je ziet het mensen doen en je denkt net op tijd: toch maar niet.

Hoewel. We volgen toch.
Zonder dat Jezus ons er toe opriep.
Het kwam door wat Johannes zei: ‘Zie, het lam van God.’
En wat dat ook precies mag betekenen,
het doet denken aan Grote Verzoendag.
De last die van je schouders wordt genomen.
Opnieuw mogen beginnen.
Kwetsbaar mogen zijn.
Bij hem moet je zijn.
‘Wat zoeken jullie?’ vraagt hij, terwijl hij zich naar ons toekeert.
Je spreekt hem aan met rabbi – leermeester.
Alsof je wilt zeggen:
Help ons het antwoord te vinden op deze vraag.
Begeleid ons daarbij.
En dan direct er achteraan: ‘Waar verblijft u?’

II
Dat is best een rare vraag, toch?
Niet erg diepzinnig of hoogstaand.
Ben je op zoek naar het antwoord op de vraag hoe je verder moet,
kom je met zo’n vraag.
Waar verblijf je? Waar ben je thuis?
Hoe ziet het er binnen bij je uit?
‘Kom maar mee, dan zul je het zien,’ antwoordt hij.
Gelukkig schudt hij niet zijn hoofd;
trekt zich niet terug in diepzinnige gedachten
die alleen hijzelf begrijpt.
Hij klinkt uitnodigend.

De vraag ‘Waar verblijf je?’
weerspiegelt het verlangen naar een beschutte plek,
een vast punt, waar een mens zich veilig kan voelen.
Iets meer dan een afdak waaronder je even schuilen kunt
voor je weer door moet.
Zonder precies te weten waar naar toe.
Eigenlijk zoek je dat thuis, dat nooit ver weg is,
ook al loop je in zeven sloten tegelijk.
Zoals in het verhaal van de verloren zoon,
met die oude vader die naar je uitkijkt
en die dichterbij was dan je durfde dromen.
Zodat, wat er ook gebeurt, je je nooit angstig hoeft af te vragen:
Waar blijf ik dan?
‘Kom maar mee,’ zegt Jezus, ‘dan zul je het zien.’

De tekst verklapt niet wat je krijgt te zien.
Niets over de stoel in de kamer of de kleur aan de muur
en het aantal tandenborstels in de beker.
Alleen dat Andreas en jij bij hem blijven die dag.
Een dag, die nog beginnen moet.
‘Het werd avond en het werd morgen,’
zegt het scheppingsverhaal bij elke nieuwe scheppingsdag.
Zo is het ook hier.
‘Het was ongeveer twee uur voor zonsondergang,’ vertelt het verhaal.
Blijven heeft met plaats en met tijd te maken
– in dit geval een nieuwe tijd.
En voor de evangelist Johannes is Jezus van beide het midden.
Van het verblijf en van ons blijven.
‘Blijf in mij, dan blijf ik in jullie,’
zegt Jezus tegen ons elders in dit evangelie.

Hij is wat we te zien krijgen. Niet zijn huis.
De evangelist speelt voortdurend
met de woorden kijken, aanschouwen en zien.
Je kijkt uit je ogen, maar of je het dan ook ziet?
Dat is de grap van het spelletje ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet’.
En je aanschouwt een schouwspel.
Je kunt het volgen, maar of je het ook doorziet?
‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt,’ zei Johan Cruijff.
Zoals de jonge Samuël het pas ziet als hij het doorheeft.
Het woord zien dat de evangelist hier gebruikt,
is door de buitenkant heen zien
en dan alles op z’n plek zien vallen,
jouzelf incluis.
Je bent niet langer toeschouwer.
En je hoeft geen ogen meer van achteren en van voren te hebben.
Je zoekt niet meer.
Je bent thuis gekomen bij hem.

III
Niet dat je dan blijft zitten waar je zit,
als een spinnende poes in het zonnetje in de vensterbank.
Wie het is gaan zien en thuis gekomen is bij Jezus,
wordt vanzelf gevoelig voor de aanblik van de ander.
Wie door hem gevonden is, stopt niet met zoeken.
Zo iemand zoekt de ander op.
Dat is wat er in dit evangelie gebeurt.
Andreas vindt zijn eigen broer, Simon.
En Filippus vindt Natanaël.
‘Ik zal jullie vissers van mensen maken,’
zegt Jezus in de versie van Matteüs en Marcus.
Maar hier zijn ze het al van meet af aan.

Als ik die andere versies van de roeping van de eerste leerlingen lees,
moet ik altijd eerst mijn associatie
met de rattenvanger van Hamelen opruimen.
Alsof roeping van je vraagt om je zelf uit te schakelen
en blind hem na te volgen.
In de versie van Johannes hoeft dat niet.
Elk van de leerlingen heeft iets eigens.
Roeping is relatie.
Roeping heeft te maken met gevonden worden.
In zijn nabijheid licht jij op met jouw verhaal.
Roeping maakt jou speciaal, maar zet je niet op een voetstuk.
Roeping laat je vrij om anderen op jouw pad te vinden,
voor wie je net zo uitnodigend bent als hij was voor jou.
‘Kom en zie,’ zegt Filippus tegen Natanaël.
Dat zijn dezelfde woorden waarmee Jezus Andreas riep. En ook jou.
Roeping is gevonden worden en dan die ander vinden.
Het in haar zien. Ook al ziet ze het zelf nog niet.
En het voluit vieren, zoals in de gelijkenis van de verloren zoon gebeurt.
‘Wat konden we anders doen dan feest vieren?’
Want je broer was dood en leeft.
Hij liep verloren en is gevonden.’
Ja, het is dag en nacht verschil
tussen continu jezelf maar moeten zien te redden,
terwijl je weet dat het niet gaat,
én gevonden worden.

IV
De evangelist Johannes heeft meer woorden nodig
voor de roeping van de eerste leerlingen
dan Matteüs en Marcus, en ook Lucas.
Ze krijgen in dit evangelie meer smoel.
Elk van hen heeft een eigen verhaal.
Ook ná dat ze zijn geroepen en ná dat ze zijn gevonden.
Bij Jezus blijven, maakt zijn volgelingen niet aan elkaar gelijk.
Ze worden niet in het zelfde pak gehesen.

Dat is ook goed nieuws voor de gemeente
van de Nieuwe Kerk en van De Fontein.
Want jij en ik hebben elk ook een eigen verhaal.
En dat verhaal verdwijnt niet
achter de kerkelijke aanspreektitel: ‘zusters en broeders’.
Als wij gehoor geven aan de oproep van Jezus
‘Blijf in mij, dan blijf ik in jullie’,
dan licht ieder van ons individueel op.
En dat licht zit ‘m erin dat er van jou gehouden wordt,
dat jij gevonden bent
en dat hij zich door jou steeds opnieuw laat vinden.
Dat mag er bij jou en mij van afstralen.
Nee, dat dóet het.

En dan te bedenken dat dit roepingsverhaal
zich niet in de beschutte ruimte van de kerk afspeelt,
maar midden in de wereld.
En niet op een van die plekken waar je een keer geweest móet zijn.
We zijn in Betanië, het Huis van de Arme,
en het gaat naar Galilea, het Oost Groningen van toen.
Roeping, gevonden worden, bij hem blijven, zíen met nieuwe ogen;
het zijn geen termen die thuis horen in het religieus domein.
Ze horen thuis bij hem – Jezus Messias,
het midden van de tijd, het midden van de wereld.

Als mensen vandaag ergens behoefte aan hebben,
dan is het aan een thuis.
Ja, natuurlijk ook aan een eigen woning.
Maar misschien nog wel meer aan het huis van de samenleving.
Een thuis waarin je niet gewantrouwd wordt,
waar het kapitaal het niet voor het zeggen heeft,
waar je er niet alleen voor staat
en waar jouw hoogst eigen bijdrage gewaardeerd wordt
omdat anderen weer andere dingen kunnen.
Een thuis waarin je verantwoordelijkheid nemen
niet betekent slikken of stikken wat van hogerhand wordt opgelegd,
maar datgene inzetten wat bij jou hoort.
Jouw ongedachte mogelijkheden
die vrij komen als jij je gevonden weet,
als jij antwoord geeft op jouw roeping.

‘Droom lekker verder,’ hoor ik iemand denken.
Maar wie het verhaal kent dat we hier vanmorgen hebben gelezen,
die zou beter moeten weten.
Want Jezus Messias is niet de mascotte van de kerk,
maar het midden van de tijd
en het midden van de wereld.
En hij leeft.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.