Preek van de week – Zondag 23 augustus 2020

Geliefden van Christus,

I

Volgens mij hebben we allemaal, hoe gedisciplineerd je misschien ook bent, wel ergens zo’n vergeten project liggen. Je handen hebben iets vol enthousiasme opgepakt, je bent eraan begonnen, maar je hebt het helaas nooit afgemaakt. Ik heb in ieder geval nog wel een plank in de kast met een half afgebreide sjaal en een bijna voltooid schilderij. Het werk van onze handen, begonnen maar losgelaten. Misschien bewust óf onbewust; gedwongen of omdat het niet anders kan; in het klein, zoals met dat breiwerk, maar soms ook in het groot, bijvoorbeeld in onze studie, op ons werk of zelfs in onze relaties. Je had je voorgenomen om altijd contact te houden, maar dan blijken vriendschappen soms toch te verwateren. Dat kan prima zijn, zeker wanneer het van beide kanten zo loopt, maar soms kan het ook behoorlijk teleurstellen of pijn doen. Zeker wanneer je iemand vertrouwde, dacht dat je op de ander kon bouwen, en dat hij of zij je dan toch laat vallen of los laat. Trouw en volharding zijn helaas niet altijd onze beste eigenschappen.

II

En dan, tegen die achtergrond, Psalm 138. Waar de schrijver, die hier wordt geïntroduceerd als David, God prijst om zijn trouw. En, in het besef dat zijn eigen lofprijzing eigenlijk nog niet voldoende is, zelfs de koningen van de aarde oproept om zich aan te sluiten in zijn lofprijzing. God heeft zijn belofte gestand gedaan en hem niet aan zijn lot overgelaten. Heel concreet maakt de psalmist dat, wanneer hij zegt: ‘toen ik u aanriep, hebt u geantwoord, mij bemoedigd en gesterkt’. Hij getuigt ervan, hoe we voor God géén vergeten project worden. Want hoe hoogverheven God ook is, Hij heeft oog voor het allerkleinste. In de tekst staat: naar het nederige ziet Hij om. Hij kent ons door en door.

En dan, in de laatste verzen, komt de schrijver met dat krachtige beeld van Gods handen! De NBV dekt dat eigenlijk niet helemaal in haar vertaling, want in het Hebreeuws staat er zoveel als: “Al ga ik door de nood of de angst heen, U doet mij leven; tegen de toorn van mijn vijanden strekt U uw hand uit, uw rechterhand bevrijdt mij”

En dan in vers 8: “De Heer zal het voor mij bewerkstelligen (Hij zal mij beschermen), Heer, uw trouwe liefde duurt voor eeuwig, laat het werk van uw handen niet los”. Het is een getuigenis en een bede één. En is dat ergens ook niet wat in de doop klinkt?

Toen ik jullie, Albert en Bettina, in gesprek voorafgaand aan deze dienst, vroeg naar de betekenis van de doop, beschreven jullie dit ook als een teken van Gods trouw. De trouw waarmee het begint, en waarmee Hij zich ook Maria verbindt. Die trouw en Gods belofte gaan daarmee vooraf aan wat wij doen of de keuzes die we maken, en blijft staan ‘no matter what’.

God is zijn werk begonnen, met zijn handen die de wereld schiepen, die de mens uit het stof maakte. Zijn handen die stormen tot bedaren brachten, die zieken en onaanraakbare aanraakten. Die handpalmen die doorboord werden aan het kruis, maar waarop ook onze naam geschreven staat. Heer, uw trouwe liefde duurt voor eeuwig, laat het werk van uw handen niet los”.

Zoals de psalmist ervan getuigt dat hij in Gods hand veilig is, en dat hij daar leven vindt, zo mag de doop daar ook telkens weer een getuigenis van zijn, een belofte aan jullie, aan Maria, aan ons allemaal.

III

Maar naast dat getuigenis van de zekerheid vastgehouden te worden, klinkt er aan het slot ook die bede om niet losgelaten te worden. Vanuit het besef dat Gods bescherming en trouw nooit iets vanzelfsprekends worden. Maar misschien ook wel vanuit de ervaring dat we dit lang niet altijd zo duidelijk zien of voelen, vanuit de ervaring dat dat besef: dat we daar niet zonder kunnen, vaak juist komt op die momenten dat de grond onder onze voeten lijkt weg te zakken, de controle ons uit handen valt, we het niet meer weten of er niets meer van begrijpen.

Maar een paar psalmen verder, in Psalm 143 horen we de psalmist zeggen ‘ik ben ten einde raad’. ‘Ik mijmer over uw daden en beschouw het werk van uw handen, ik strek mijn handen naar u uit, dorstig als droge aarde. Heer, geef mij antwoord, haast u, mijn kracht is uitgeput. Houdt u niet voor mij verborgen’.

Die ervaring is er ook: dat Gods trouw vooral een herinnering of een hoopvolle belofte is, die we onszelf te binnen proberen te brengen op die momenten dat de realiteit soms nog zo anders voelt. Iets wat lang niet altijd makkelijk is. Niet voor niets zien we de schrijvers van de psalmen worstelen en heen en weer bewegen, tussen die roep om hulp en ontferming én dat getuigenis van en de hoop op Gods trouw.

Een doopdienst is een prachtig en feestelijk moment, van lof en dankzegging, een teken bij uitstek van Gods trouw. En tegelijk is juist dan het besef nooit ver weg dat het niet vanzelfsprekend is, of dat de realiteit soms ook heel anders kan zijn. Is er ook de realisatie dat we nooit precies weten hoe de toekomst eruit zal zien.

En juist daarom kan de psalm ook niet zonder die bede. De bede dat God niet los laat het werk van zijn handen, ons niet vergeet, maar zijn liefdevolle trouw blijft betonen. Soms zo helder en onmisbaar dat ze ons ervan doet zingen, soms als een belofte waar we ons te midden van alles in vertrouwen aan vastklampen, en telkens weer in herinnering proberen te brengen.

IV

Precies daar hebben we elkaar voor nodig. Maria heeft jullie als ouders en peetouders nodig als getuigen van Gods liefde en trouw. Maar niet voor niets klonk de vraag ook breder naar ons als gemeente. Door de doop worden we allen deel van het lichaam van Christus, van zijn kerk, dat lichaam wat voor elkaar zorgt, elkaar bemoedigt en ondersteund. Dat met elkaar meeleeft, voor elkaar bid en samen zoekt naar Gods koninkrijk.

In de tweede lezing van vanochtend, uit Jesaja 51, lezen we: “Luister naar mij, jullie die de gerechtigheid najagen, jullie die de Heer zoeken. Kijk naar de rots waaruit je gehouwen bent, naar de diepe groeve waar je gedolven bent’. In de doop en als gemeente, zijn we opgenomen in een lange traditie, een traditie waarin God werkt en aanwezig is, waarin mensen hem hebben ervaren én naar hem hebben gezocht.

‘Luister en kijk’ staat er, naar wat ik heb gedaan, hoe ik mijn trouw en liefde heb getoond, als een belofte dat ik dat ook in de toekomst zal doen. Zo hebben we allemaal mensen nodig die ons verhalen vertellen, die ons opmerkzaam maken voor Gods trouw en aanwezigheid. Niet als snelle of makkelijke antwoorden, maar wel omdat het ons soms alleen niet lukt. Geloof is nooit slechts individueel of persoonlijk, maar ook altijd in relatie en gemeenschap. We hebben mensen nodig die ons in hun leven iets laten zien van Gods trouw, die handen en voeten geven aan zijn liefde.

V

Albert en Bettina, jullie refereerde zelf al aan die tekst uit Spreuken 3:3, waar staat: ‘Mogen liefde en trouw je nooit verlaten, wind ze om je hals, schrijf ze in je hart’. Daar klinkt die bede eigenlijk al twee kanten op. Allereerst om Gods liefde, die vooraf gaat aan wat wij doen, om zijn trouw, die ons niet verlaat zelf wanneer wij de fout in gaan. Maar tegelijk ook als een bede dat zijn trouwe liefde als een bron mag zijn die ons in staat stelt en oproept om zelf liefdevol en trouw te zijn. ‘Wind ze om je hals, schrijf ze op de tafel van je hart’

Jesaja 51 heeft als aanhef: ‘jullie die de gerechtigheid najagen en de Heer zoeken’. Tegen de achtergrond van de rest van de tekst bepaalt het ons erbij wat najagenswaardig of de moeite van het zoeken waard is. En dat roept ook naar ons, als ouders, voorbeeldfiguren of gewoon als vriend, vriendin of gemeentelid de vraag op wat wij naar elkaar voorleven. Waar roepen we elkaar toe op, of wat vertellen over wat werkelijk najagenswaardig is? Is dat succes of zelfredzaamheid? Misschien laat juist de afgelopen tijd wel zien hoe kwetsbaar dat kan zijn.

De tekst zegt: jaag gerechtigheid na, zoek God. Zoek liefde en trouw, want daar is God. Wanneer ons handelen en onze keuzes daardoor gemotiveerd worden dan verandert er iets. Dan gaat het niet slechts om de weg vooruit of omhoog, maar om de weg naar elkaar. De weg van gemeenschap met God, met elkaar en met de schepping, omdat we niet zonder kunnen. En dat is lang niet altijd een recht gebaande weg. We gaan die weg met vallen en opstaan, in trouw en liefde en met bewogenheid, maar soms ook met diepe vragen, met die schreeuw naar God, in de hoop dat Hij zijn beloften houdt, dat hij niet los laat het werk van zijn handen.

Wanneer we met onze eigen ogen naar de wereld kijken, of naar het werk wat ons soms bij de handen lijkt af te breken, dan zou je soms moedeloos worden, eerder bezorgd dan hoopvol over de toekomst. Maar de tekst uit Jesaja sluit af met een krachtige en hoopvolle boodschap aan hen die gerechtigheid najagen en God zoeken. Gods eigen stem klinkt troostend en bemoedigend wanneer de oproep klinkt: ‘Luister… kijk…!’ ‘De redding die ik breng, zal voor altijd blijven en mijn recht zal geen einde hebben’.

Dat zien we ook al in de doop. Nog voor je als ouders ‘ja’ hebt gezegd, nog voor we als gemeente de belofte hebben uitgesproken, klinkt de belofte en zegen van God. Moge dat ons de hoop en de kracht geven om te blijven zoeken naar Hem, en in alles te streven om te leven in liefde, trouw en rechtvaardigheid.

Amen.

2 gedachten over “Preek van de week – Zondag 23 augustus 2020”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.