Preek van de Week – Zondag 22 augustus ’21

Johannes 6, 41 – 59

I
‘Hoe kan die man ons zijn lichaam te eten geven!,’ roepen ze. Het zijn niet de eerste de besten. De joden, dat zijn in het Johannes-evangelie niet zij die een joodse moeder hebben. Jezus heeft zelf ook een joodse moeder. De joden, dat zijn de mannen van statuur met contacten in de hoogste kringen van Jeruzalem. Geen domme jongens. En dus verdienen ze een beter antwoord dan de kerk doorgaans heeft gegeven: dat het hier over de eucharistie of het avondmaal gaat, dat je deze woorden alleen kunt begrijpen in de heilige ruimte van de kerk en dat je het vooral niet al te letterlijk moet nemen als Jezus zegt: ‘Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik blijf in hem.’

Gaat het dan niet over de eucharistie of het avondmaal? Jawel, maar dan niet als ritueel van een instituut, dat bepaalt hoe vaak het dient te worden uitgevoerd. En ook niet als een gebeuren dat niets te maken heeft met de lijfelijkheid van ons bestaan. Van: ‘Ik kan zijn bloed wel drinken.’ Tot ‘Je bent om op te vreten.’ We zouden de link niet durven leggen. Daarvoor is het sacrament ons te heilig. Het directe verband met lijfelijkheid zit tenminste nog in de vraag van de joden: ‘Hoe kan die man ons zijn lichaam te eten geven!’

De kerk heeft een damwand geplaatst tussen haarzelf en de wereld. Om de liederlijkheid buiten de deur te houden en zich te kunnen concentreren op het geestelijke en op de eeuwigheid. Natuurlijk, ieder mens haalt op zijn tijd natte voeten. Ook de gelovige. Maar de kerk was toch een vluchtheuvel waar vergeving te halen was en waar een mens opnieuw zicht kreeg op de eeuwigheid. De wereld liet haar ook niet onberoerd. Men keek over de damwand om te zien of er nog iets te redden viel. Er was zorg om al die drenkelingen. Er waren goede werken. Maar alles onder het motto: ‘’t hoofd omhoog / het hart naar boven / hier beneden is het niet.’

Dat 17e eeuwse lied van Jodocus van Lodenstein gaat trouwens als volgt verder: ‘’t Ware leven / ’t ware loven / is slechts waar men Jezus ziet.’ Juist ja. Maar is dat daar omhoog? Of is dat juist hier beneden? ‘De harten omhoog!,’ zegt de dominee aan het begin van de viering van het avondmaal. En de gemeente antwoordt ‘We zijn met ons hart bij de Heer.’ Je zou zeggen dat we hem dus hoog moeten zoeken. Maar wie weet maakt ons hart juist wel een sprongetje omdat de Heer met brood en wijn aan ons verschijnt in de sores van alledag.

Wat de joden uit het evangelie van deze zondag bindt aan Jezus, is niet alleen het hebben van een joodse moeder, maar bovenal de Thora waarin het verhaal van bevrijding uit de slavernij staat opgetekend. Een verhaal dat verder wordt geschreven in geboden voor alledag, die een dam opwerpen tegen hoogmoed en onderdrukking. Geen dam om de wereld buiten te houden. Maar een om te waken voor wat zo maar in een mensenhart, ook in het jouwe, op kan komen: dat jij in de wereld een streepje voor hebt op de ander.

Wat Jezus en zijn gesprekspartners gemeen hebben is het verhaal van het manna in de woestijn ten tijde van de tocht van het bevrijde slavenvolk naar God mocht weten waar dat land om in vrijheid te kunnen leven. Dat was geen geestelijk voedsel. Ja, het kwam uit de hemel. Maar het kwam om de honger te stillen en om te ontdekken dat er al delend genoeg was voor iedereen, voor elke dag. Vandaar die joodse vraag, die niet te snel de hoogte in wil schieten. Laten we het concreet houden: ‘Hoe kan die man ons zijn lichaam te eten geven!   

II
Hoofdstuk 6 van het Johannes-evangelie begint ook heel concreet met verhaal waarin Jezus vijf gerstebroden en twee vissen, door een kind aangeleverd, deelt met vijfduizend man. Het was kort voor het Pesachfeest, zegt het evangelie. Jawel, het feest van de bevrijding. En het was op een plek met veel gras. Een beloftevol oord. Zo klinkt het. Het wordt een manna verhaal 2.0. Ik ga er niet te diep op in. U kent het. Alle vier de evangeliën vertellen het. Wie rekent met de wetten van de wereld weet dat het nooit genoeg kan zijn, vijf gerstebroden en twee vissen. Een paar zullen er aan hun trekken komen. De rest krijgt niks. Zo gaat dat. En niemand die er nog van opkijkt.

Dat laatste doet Jezus wel. Hij kijkt op. Hij dankt de hemel. De vijf broden herinneren hem aan de vijf boeken van Mozes en de twee vissen aan de Thora en de Profeten. Onder de hemel en in het licht van de Thora blijkt er genoeg te zijn voor iedereen. Armenvoer wordt tot feestmaal. En de groene weide toont voor even Gods nieuwe aarde. Twaalf manden brood blijven over om er van te delen wereldwijd. Er is genoeg voor iedereen. Wij noemen dat een wonder. Maar dat is omdat wij weigeren te leven met de Thora en de Profeten. Wij volgen de wetten van deze wereld en doen net alsof het natuurwetten zijn die de een alles geeft en de ander de kruimels.

De manier waarop Johannes dit verhaal vertelt en het een plek geeft in de compositie van het evangelie, is anders dan Matteüs, Marcus en Lucas het doen. Johannes legt een directe link tussen het gerstebrood, waar het kind mee aan kwam zetten, en het brood dat wordt gebroken aan de avondmaalstafel. Het woord eucharistie wordt letterlijk gebruikt om het verhaal te vertellen.

‘Oké, weer een weetje,’ denkt u misschien. Maar het is zo veel meer dan dat. Met dat u dit hoort wordt de dam weggeslagen tussen kerk en wereld. Hoe we ook ons best doen om het brood op de avondmaalstafel er anders uit te laten zien dan het brood in de aanbieding van de supermarkt of het brood dat zovelen tekort komen – de gestanste hostie of het recht gesneden witbrood, het gaat ons niet meer lukken om de keukentafel en de avondmaalstafel, het altaar en de stamtafel tegen elkaar uit te spelen. Het hogere van het avondmaal of de eucharistie zit ‘m nou juist in de verbinding die de hemel legt met het alledaagse. Wat is er hoger en heiliger dan het gebod om de naaste, die is als jij, lief te hebben en met haar te delen wat de aarde voortbrengt, tot overhoudens toe.

III
Maar hoe moeten we ons die verbinding voorstellen? Het moreel appel om te delen kenden we al, evenals het bijbehorende schuldgevoel dat we daar te weinig van bakken. Is wat wij vanmorgen horen meer dan een moreel appel? Ja. Als Jezus hier zegt: ‘Ik ben het brood dat leven geeft,’ zijn wij er als de kippen bij om te roepen: ‘Beeldspraak!’ En wij schudden ons hoofd als de heftige discussie onder de joden gaat over de vraag: ‘Hoe kan die man ons zijn lichaam te eten geven!’ Veel te concreet.

Kunnen we het niet aan dat de Godsnaam ‘Ik ben’ vlees en bloed geworden is in Jezus? Kunnen we het niet aan dat God zijn leven geeft voor de wereld; dat hij zelf de Thora en de Profeten vervult door zich uit te delen? Kunnen we het niet aan dat God zijn hemel verlaat om in ons bestaan de gestalte aan te nemen van de Abeltjes, van wie het bloed uit de aarde naar boven schreeuwt?; of de gestalte van hen, die bijna letterlijk leeg gegeten worden, om er nog beter van te worden? Wat willen we God graag in die hemel houden als ons laatste redmiddel, zodat we weg kunnen kijken bij wat we onherstelbaar hebben beschadigd: de aarde en de menselijkheid.

Maar stel je eens voor dat wegkijken niet meer hoeft? Stel je eens voor dat het waar is dat God ons daar opzoekt, waar we geen raad meer weten met onszelf, met de wereld en hoe het verder moet? ‘Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik blijf in hem,’ zegt Jezus. Dit geheim is te groot voor de kathedrale kerk en de prachtige liturgie. Te groot voor poëtisch taalgebruik en mooie beeldspraak. In die zin moeten we het ook vanmorgen weer hebben van de joden die vragen: ‘Hoe kan die man ons zijn lichaam te eten geven!’  

In de viering van het avondmaal of de eucharistie is er een weg uit de schuld die we nog dagelijks op ons laden. Een andere weg dan nog een keer onze stinkende best doen om het anders aan te pakken. Die weg ontdekken we nooit als wij keukentafel en avondmaalstafel, altaar en stamtafel, ver bij elkaar vandaan houden. Het eten van het brood en het drinken van de wijn, het deel krijgen aan Christus, schept een nieuwe ruimte waarin wij de Abeltjes van deze wereld onder ogen durven komen, van wie het bloed schreeuwt vanaf de aardbodem – de zussen en broers van de Gekruisigde. Om door hen in de armen gesloten te worden en hen in onze armen te sluiten. Ruimte om de Thora vervuld te zien worden, om te ervaren dat de dode zal leven. Dat kan alleen maar daar gebeuren waar God mens geworden is. Midden in een wereld die al lang bewezen heeft dat die zichzelf niet redden kan. En waarvan een deel dat ook niet wil omdat ze hun eigen hemel hebben gecreëerd.

IV
De gemeente is het lichaam van Christus. Ik weet niet hoe fijn u dat nog vindt om te horen na vanmorgen. Je zou willen roepen: ‘Bij wijze van spreken.’ Maar daarmee komen we niet langer weg. U hoeft het niet waar te maken. U bént het. Zolang we dat beseffen, is er de ruimte om aan tafel te gaan met wie in deze wereld de kans niet krijgen, om samen te vieren de wereld die komt. En als wij er vanaf zien, dan doen anderen het wel.  Dan zullen er andere plekjes komen waar keukentafel en avondmaalstafel tegen elkaar aan geschoven staan. De Geest waait waarheen ze wil. En Jezus is Heer. Of wij het nu willen geloven of niet.

Hoogst vermoeiend om er van af te zien, trouwens. Dan wordt kerkzijn het bewaken van religieus erfgoed. Tegen de klippen op. Terwijl het niet hoeft. Er valt namelijk niks te bewaken sinds God zichzelf heeft uitgedeeld aan een verloren wereld. Tafel dekken is minder vermoeiend dan het erf bewaken.

Amen

One thought to “Preek van de Week – Zondag 22 augustus ’21”

  1. brood dat jezelf bent

    God is er niet
    hoezo hij is liefde
    ben je blind of zo
    kijk eens om je heen
    blinde haat
    moordpartijen in zijn naam
    pijn, eindeloos verdriet
    molensteen om je nek
    baan die je kwijtraakt
    gepest op school of werk
    roddel achter je rug
    ruzie in je huis
    afgunst
    kanker in je lijf
    woordkeus op sociale media

    ja die God, die doet ja niks

    maar kijk eens om je heen
    zomaar
    die arm om je schouder
    die kus op je lippen
    die ogen die je volgen
    die oren die je verhaal willen horen
    dat bloemetje voor zomaar

    zomaar
    die liefdevolle bron
    van genegenheid
    van zorg
    van geborgenheid
    van bemoediging

    dat is zomaar
    God in je leven

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.