Preek van de Week – Zondag 20 maart ’22

Jesaja 53, 1 – 11a
Johannes 12, 37 – 50


I
In de late avond van 9 december 1968
bellen de theoloog Karl Barth
en zijn vriend en collega Eduard Thurneysen met elkaar.
Dat doen ze vaker.
Het zijn spannende tijden.
De Praagse Lente is in de kiem gesmoord
met het militair ingrijpen van de Sovjet Unie
en het afzetten van de regering in Praag.
Eduard dreigt de hoop te verliezen.
Waren twee wereldoorlogen niet genoeg?
Karl Barth steekt hem een hart onder de riem:
‘Ja, de wereld ziet er duister uit.
Maar nu niet het hoofd (de oren) laten hangen. Nooit!
Want er wordt geregeerd.
Niet alleen in Moskou of in Washington of in Peking.
Er wordt geregeerd over de aarde,
maar dan geheel van boven,
vanuit de hemel!
God is aan het bewind!
Daarom ben ik niet bang.
God laat ons niet vallen, niet een van ons!
Er wordt geregeerd!’
Deze woorden van geloof en hoop kregen een extra dimensie
omdat Karl Barth die zelfde nacht onverwacht overleed.
Hij is 82 jaar geworden.

Ruim een halve eeuw nadien
zijn wij volstrekt ontregeld door de Russische inval in Oekraïne.
De gevolgen van deze oorlog zijn groot.
Zo groot dat we die nu nog niet kunnen overzien.
Vluchtelingen zoeken een veilig heenkomen.
Het lijden van de bevolking van Oekraïne komt onze huiskamers binnen.
Met een intensiteit die een halve eeuw geleden nog niet bestond.
En er is meer.
Toen was er het IJzeren Gordijn,
dat de impact van een gewelddadig ingrijpen dempte.
Het gebeurde daarachter.
Nu is Europa verwond.
De oorlog in Oekraïne is hier
en de gevolgen ervan worden merkbaar
op alle terreinen van het leven
– politiek, economisch, existentieel.

Voor wie gelooft rukt deze internationale crisis
ook aan het vertrouwen in God.
De al te makkelijke antwoorden voldoen niet meer.
Je wordt wreed wakker geschud
uit een net iets te comfortabel geloof in God, die liefde is.
Is God dat dan niet?
Zeker.
Maar of we die liefde hebben kunnen peilen
in een cultuur van comfort en zelfredzaamheid,
dat is maar de vraag.
Liefde weet van angst en van geschonden menszijn.
Ik ben geschokt.

Laat ik eerlijk zijn.
Als de woorden van Karl Barth aan zijn goede vriend
in herinnering worden geroepen, luister ik respectvol,
maar denk ik tegelijkertijd:
‘Zo gold het voor jou, Karl Barth.
Maar voor mij ligt het gecompliceerder.’
Als hij mij zou kunnen horen, zou hij nu zeggen:
‘Voor jou ligt het niet anders.
God is niet het speelgoed van jouw persoonlijk geloof.
God regeert.
Ook als jij het anders ziet.’

De orthodoxie zegt dat ook.
Maar die geloof ik niet meer.
De orthodoxie heeft zich met zijn geloofsovertuiging opgesloten
in het eigen gelijk en de eigen kerk.
Dominees leggen hun hand erop
en corrumperen het geheim dat God regeert.
Het wordt monddood gemaakt.
Bij ons gebeurt het zelfde, maar dan op een andere manier.
Wij zetten vraagtekens bij God en zijn macht.
Niet vanuit existentiële vertwijfeling in het midden van crisis.
Eerder vanuit een lui geloof in menselijke vooruitgang.

Tot voor kort dachten we
dat de geschiedenis bij ons in goede handen was.
Inmiddels weten we beter.
Maar tot in het hart van de kerk zijn we het geloof kwijt geraakt
dat God zijn ongekende gang gaat.
Ongekend door orthodoxie en vrijzinnigheid.
Majestueus en vrij.
Zonder boodschap te hebben aan ons zelfvoldane denken en geloven.
En het kon wel eens zo zijn
dat alleen ons niet weten en onze geschonden werkelijkheid
ons de ogen kunnen openen voor Gods openbaring.
Want een ding is zeker: het is liefde die God drijft.
Niet de onze, maar de zijne.
Laten we het maar weer genade noemen.
Op het gevaar af dat de orthodoxie zal zeggen:
‘Dat hebben wij altijd al gezegd!’
Maar die heeft niet door dat deze sluitsteen van hun geloofsgebouw
de vrije genade van God juist op afstand houdt.

II
De weg terug vinden naar God gaat niet vanzelf.
God stuit me tegen de borst.
Het evangelie van deze zondag is een grote struikelsteen.
En ik heb serieus overwogen om een sluiproute eromheen te nemen.
Vanwege de onbeschaamdheid
waarmee Johannes de profetie van Jesaja op Jezus betrekt
en daarbij zegt dat Jesaja zelf Jezus voor ogen had.
Maar dat alleen zou nog wel te repareren zijn geweest
met de kennis van- en het begrip voor de context
van het Johannes-evangelie.
Er boven staan en zeggen: ‘Je kunt het ook anders zien.’

Maar dat andere is niet te verteren:
dat het ongeloof in Jezus, volgens Johannes,
veroorzaakt wordt door God zelf.
En dan citeert hij Jesaja:
‘Hij heeft hun ogen verblind en hun hart ongevoelig gemaakt.
Anders zouden zij met hun ogen zien en met hun hart begrijpen,
ze zouden op hun schreden terugkeren
en Ik zou hen genezen.’
Waarbij Hij in dit geval niet de profeet is, maar God zelf.
En de ik is Jezus.

‘Er wordt geregeerd!,’ zei Karl Barth
tegen zijn vriend Eduard Thurneysen.
Maar als dat zo gaat, wil ik daar dan wel van weten?
In het Johannes-evangelie ontrolt zich een drama
dat eindigt aan het kruis
– martelwerktuig en symbool van verworpen zijn.
En God heeft er de hand in.
God beheerst het plot.
Het kruis was niet nodig geweest.
God had de mensen van hun blindheid kunnen genezen.
Hij had de gevangenis van het hart kunnen openen.
Dan hadden ze Jezus kunnen herkennen als God-met-ons.
Dan waren ze op hun schreden terug gekeerd.
‘En ik zou hen genezen,’ zegt Jezus.

U snapt wel dat het mij niet lukken gaat dit verhaal rond te breien.
Elk plausibel verhaal,
of het nu de orthodoxe leer is of het vrijzinnig denken,
loopt dood op het kruis.
Behalve dan de ongekende weg van God.
Die loopt niet dood in de dood.
En daarom is het kruis in het Johannes-evangelie,
boven martelwerktuig en schandpaal uit
en door het verworpen zijn heen,
teken van de overwinning.
Wie dat snapt, heeft de clou gemist.
Wie er niet van weten wil, evenzeer.

III
Voor we de stap richting het kruis zetten,
eerst iets over de context van het Johannes-evangelie.
Te lang is dit evangelie in de kerk gebruikt
als brandstof voor antisemitisme.
Jezus en Jezus alleen, betekende: weg met de Joden!
Terwijl de jonge kerk niet meer of minder was
dan een beweging binnen het synagogale Jodendom.
Er werd gesteggeld over de waarheid, maar binnen dat ene gezin.
Het grote trauma van de verwoesting van de tempel
door de Romeinse legers in het jaar 70,
bleek te groot voor dit dynamische gezin om te verwerken.
Wat eigen was aan de Jezus-beweging,
namelijk dat mensen uit alle volken samen aan tafel gingen met Joden,
dat werd een stap te ver toen de tempel was verwoest;
de tempel, die het gezin in al zijn veelkleurigheid,
tot dan bij elkaar had weten te houden.

Het Johannes-evangelie, dat van later datum is,
weerspiegelt de pijn en de frustratie binnen de Jezus-beweging
over dit schisma binnen het ene gezin.
Het maakt ons vandaag opnieuw bewust
van wat oorlog en verwoesting teweeg kunnen brengen.
Het reikt verder dan aantallen doden en gewonden
en verder dan de financiële schade.
Het is te kort door de bocht
om het Johannes-evangelie antisemitisch te noemen.
Dat het als zodanig gretig is gebruikt,
zegt iets over het gevaar van antisemitisme
dat vlak onder de oppervlakte van elk tijdperk schuilt.
Zeker van het onze.

IV
We zetten een stap richting het kruis.
Er zit niks anders op.
Want dat is de plek van waar er geregeerd wordt.
‘U bent knettergek!,’ zou Geert Wilders zeggen.
En ik heb daar geen weerwoord op.
Als Karl Barth zegt:
‘Er wordt geregeerd over de aarde, maar dan geheel van boven’,
dan gaat het over dat kruis.
Hemel en kruis zijn niet tegen elkaar uit te spelen,
terwijl het voor ons uitersten zijn,
die geen mens op eigen kracht bij elkaar weet te houden.
Wie zou de hemelse heerlijkheid
en de hel op aarde in een zin durven noemen?
Het zal ons geopenbaard moeten worden.

Vandaag gebeurt dat aan ons via de profetie van Jesaja
over de lijdende knecht:
‘Wie kan geloven wat wij hebben gehoord?
Aan wie is de macht van de HEER geopenbaard?’
De tekst is mooi van lelijkheid.
Je wilt je er van afkeren.
Maar je wordt er opnieuw naar toe getrokken.
Hij is niet om aan te zien. Verguisd. Geminacht.
Over wie gaat het?
Over Israël, dat zich geen raad weet met zichzelf.
Ballingen onderweg naar Babel.
Het oordeel dat de geschiedenis over Israël geveld heeft,
ziet het zelf als oordeel van God.
Maar met dat Gods naam genoemd wordt,
klinkt ook de tegenstem op uit dat volk:
‘Ik heb jou niet afgeschreven.’
En dan gebeurt er iets geks en onnavolgbaars:
‘De straf die hij onderging bracht ons vrede,
zijn striemen gaven ons genezing.’
Hier is Israël in gesprek met zichzelf
en weet het in zijn godverlatenheid plotseling God heel dichtbij.
Zoiets verzin je niet.
Het moet je geopenbaard worden.
‘Na het lijden dat hij moest doorstaan,
zag hij het licht en werd met kennis verzadigd,’ zegt Jesaja.
Als Jezus zichzelf het licht noemt
dat naar de wereld is gekomen,
dan gaat het over dit licht
en over dit lijden.

Zowel Jezus als zijn Vader hebben zich in deze profetie herkend.
Geen wonder. Zij zijn de enigen die er iets van snappen.
‘Ik en de Vader zijn één,’ zei Jezus eerder.
Als het waar is wat Johannes verkondigt,
dat kruis en hemel uitwisselbaar zijn,
dan hoeven wij God nooit meer ergens anders te zoeken
dan in de godverlatenheid van mensen.
En daar hoort ook onze eigen godverlatenheid bij.
Godverlatenheid als heilige ruimte.
Als plek van hoop.

Dat zijn grote woorden.
Hoe kan ik die het best klein maken?
Ik merk dat ik steeds gevoeliger wordt
voor de aanblik van een mens
met een verdwaalde blik
en een lichaamshouding die niet overtuigt.
Niet dat ik weet wat ik er mee moet.
Niet meer dan de erkenning
dat het haakt aan mijn eigen kwetsbaarheid.
En aan de herinnering aan zo’n zelfde gemankeerde mens
die ik in de kathedraal van de heilige Johannes in het Schotse Oban
vóór de priester uit zag gaan
met een kruis op een lange stok
aan het begin van een eucharistieviering.
Zijn schele blik naar het kruis gericht.
Een heilig moment in het voorbij gaan.
Alsof een derde ons beide ziet
en ons boven eenzaamheid uittilt.

V
Wij verlangen zo naar licht in deze donkere tijden.
Het is er. Híj is er.
Maar de vraag is of wij hem durven zoeken
waar wij dat uit onszelf nooit zouden doen.
In het hart van de nacht.
Waar alle goede wil en gecoördineerde hulpvaardigheid
al lang zijn gestrand.
‘Ik ben het licht dat naar de wereld is gekomen,
opdat iedereen die in Mij gelooft niet langer in de duisternis blijft’
roept Jezus.
Een voor een laten ze zich zien.
Ze stappen naar voren.
Vanuit het duister in het licht.
Onder het kruis.
En geen van hen weet wat hen overkomt.
Wij ook niet als wij de orthodoxie en de vrijzinnigheid achter ons laten
en met hen thuis komen onder het kruis.
Daar waar eeuwig leven ons deel wordt.
Ziedaar: God aan het bewind.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.