Preek van de Week – Zondag 20 juni ’21 door ds. Alberte van Ess

Lezing: Johannes 4: 1-42

Vandaag is de laatste dag van de lente. Morgen, vannacht zo u wil, gaan we de grens over en begint de zomer om iets over half zes. Wellicht dat u daarvoor niet wilt opstaan, maar misschien wilt u er wel voor opblijven dat die dag de zon de hoogste stand boven de horizon bereikt en daarmee het morgen het langst licht blijft. We hebben het dan wel over de astronomische zomer.
Bij ons een van de vier seizoenen. In de bijbel ging men indertijd uit van twee seizoenen: zomer en winter. Samen duiden zij het hele jaar aan. Daarbij is de winter de regentijd, waarin geploegd en gezaaid wordt. De zomertijd vanaf april tot en met oktober is de droge tijd, waarin het gewas rijpt en geoogst wordt. Zomertijd is oogsttijd. De begrippen zijn bijna identiek in de bijbel.
Ons bijbelverhaal staat ook in het teken van de oogst. Al lijkt dat er in het begin van het verhaal helemaal niet op dat er wat te oogsten valt. We bevinden ons namelijk op fout en onvruchtbaar grondgebied. En dat had alles te maken met degene die erop woonden: de Sameritanen.   

Want die waren van alles niks. Ze waren geen niet-joden, maar ook geen heidenen. Letterlijk en geografisch een tussengroep. Voor de heidenen boven hen, waren ze niet ongelovig, immers verwant met het joodse geloof. Maar de recht­zinnige judeëers onder hen beschouwden hen niet als echte joden. Het conflict tussen de joden en de Sameritanen was ten tijde van dit verhaal al bijna 500 jaar oud. De Samari­tanen hadden hun eigen tempel op de berg Gerizim en weigerden hun eredienst te houden in de tempel te Jeruzalem. Ze erkenden alleen de Thora en niet de profetenboeken en de overige ge­schriften van wat wij nu noemen het Oude Testament. Rechtgelo­vige joden spraken niet met Sameritanen en meden hen zoveel mogelijk. Een jood reisde bij voorkeur niet door Samaria, maar er omheen en zou er zeker geen twee dagen blijven, zoals Jezus deed. Joden beschouwden de Samaritanen als onrein, in het bijzonder de Sameritaanse vrouwen. Geen geestelijke uit Jeruzalem zou het woord tot haar richten of haar toestaan het woord tot hem te richten. Een ontmoeting tussen Jezus en de Sameritaanse vrouw en dan ook nog een gesprek is dus op zich al een provo­catie. Afgezien van de inhoud van het ge­sprek.

En dan speelt het zich ook nog allemaal af op uitgerekend dat speciale  stukje grondgebied. Bij de Jacobs­bron. Gelegen in een stuk land dat vader Jacob heeft ge­kocht, na zijn verzoening met zijn broer Ezau en later heeft geschonken aan zijn zoon Jozef. Deze is dan ook later in dit grondgebied begraven. Het is notabene het eerste stuk land dat van de voorouders was, maar nu gelegen in vreemd,  Sameritaans ge­bied. Op die heilige, betekenisvolle, maar ook schrijnende grond bevond zich blijkbaar een welput, bron van water.

De evangelist Johannes heeft wat met water. In veel van zijn verhalen speelt het een rol. De doop in de Jordaan, de bruiloft te Kana, het gesprek met Nicodemus, die herboren moet uit water en geest. Steeds gaat het over water, over vernieuwing, geboren worden, nieuw leven. Dat had hij   natuurlijk van geen vreemde. De hem bekende joodse geschriften kenden al een rijke symboliek met water. In de joodse beeldspraak wordt de Thora als levend water aange­duid. En God zelf wordt meerdere malen voorgesteld als de bron van het levende water. Psalm 42 is daar een goed voor­beeld van: “Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God.”   Water is voor een Oosterling van levensbelang. Water halen was een essentieel onderdeel van het huishoudelijk bedrijf. Het was echter ook een sociaal gebeuren. Je kwam nog eens iemand tegen. Sterker nog volgens de bijbelse verhalen leverde het nog wel eens een huwelijk op. Izaäk en Rebecca, Jacob en Rachel, Mozes en Sippora. En nu weer een ontmoeting bij de bron. Tussen Jezus en de Sameritaanse. Ongeveer het zesde uur, zeg maar op het heetst van de dag. Dat is van de kant van de vrouw wel opmerkelijk. Water halen deed je meestal niet op het heetst van de dag. Dan zorgde je dat je het al in huis had. Over het waarom van deze eenzame tocht is nogal gespeculeerd. Sommige opperden: “het was rond het middaguur zo warm dat niemand kwam en omdat zij een zondige levenswijze voerde ging zij dan juist uit.”

Dat brengt ons op de merkwaardige exegesegeschiedenis van dit verhaal. De Sameritaanse vrouw is in de kerkelijk-theologische uitleg weggezet als een vrouw met een twijfelachtige reputatie. Immers ze had vijf mannen gehad en die ze nu heeft was niet eens haar eigen man. De zin die we lazen: “En Hij heeft alles gezegd, wat ik gedaan heb”, werd al heel snel gelezen als: En Hij heeft alles gezegd, wat ik misdaan heb. Kortom de vrouw was een zondares en de moraal van het verhaal was dat Jezus haar slechtheid doorziet en haar vergeving aanreikt.  Daarbij werd haar verder een niet al te snuggere rol toebedeeld in het gesprek met Jezus. Het zou haar eigenlijk boven de pet gaan, want ze begreep immers Jezus steeds verkeerd. Hoe kunnen wij deze ontmoeting bij de Bron dan wel recht doen?

Van zondevergeving is in ieder geval nergens sprake. Blijkbaar was er geen laakbare situatie. En er zijn veel andere redenen denkbaar die het huwelijksverleden van de vrouw zouden kunnen verklaren. We horen Jezus er in ieder geval geen oordeel over uitspreken. Helderziendheid van zijn kant is wel vaker sprake van. En wat haar snuggerheid betreft: de vrouw lijkt  prima in staat als gelijkwaardige gesprekspartner op te treden. Na eerst op de letterlijke  betekenis van Jezus woorden te reageren, schakelt ze al snel over naar de diepere betekenis. Ze is goed op de hoogte van religieuze geschillen. Daarbij komt ze in een paar minuten tijds tot een opmerkelijke geloofs­belijde­nis: “Zou deze niet de Christus zijn?” In de andere evangeliën is het Petrus die deze Messias-belijdenis uitspreekt. Jezus beantwoordt de vraag naar het Messiasschap met de woor­den: “Ik, die met u spreek ben het.” Daar horen we de Godsnaam in. JHWH: Ik ben, die Ik ben.

Het is de typische openbarings­uitspraak, waarmee Jezus in het Johannes-evangelie van zich­zelf getuigt. Er zullen er nog zes van volgen: Ik ben het brood, het licht, de deur, de ware herder, de opstanding en het leven, de weg, de waarheid en het leven, de ware wijnstok. Ik ben de met jou-sprekende is eigenlijk de titel vooraf, waarmee Jezus zijn identiteit onthult.  Wil je weten wie Ik ben? Met dat ik met jou spreek, als vrouw,  vreemdeling, dissidente, afvallige en verboden gesprekspartner, weet je dat Ik de Messias ben.  

De openbaring is aan de vrouw wel besteed. Ze kan zich voegen in de rij van apostelen.  De Sameritaanse vrouw is dan de eerste apostel voor de  opstanding van Jezus, gevolgd door Maria Magdalena als de eerste apostel na de opstanding. De eerste Sameritaanse apostel gaat dan ook direct het woord zaaien in haar dorp. Zij vertolkt daarbij de rol als zaaier en maaier bij de oogst. Want uiteindelijk geloven haar dorpsgenoten haar niet meer enkel om haar woord, maar om het woord van de Messias zelf. Zaai en oogsttijd overlappen elkaar en komen in uitgerekend die Sameritaanse bij elkaar.  

Door het getuigenis van de vrouw kwamen velen van haar volksgenoten tot geloof. En welk geloof dan? Voorbij die religieuze twistpunten?

“Er komt een uur, ja het is er al, dat de ware aanbidder de Vader zullen aanbidden in Geest en Waarheid.” We krijgen vandaag niet alleen een lesje in vooroordelen, rolpatronen en taboes, maar vooral ook een lesje in oecumene. God is Geest. Nu moeten we niet te snel zijn en zeggen: ja, dat wisten we al. God is geestelijk. We kunnen Hem niet zien. Maar hier wordt meer gezegd. God is Geest. Dat wil zeggen: God is een en al beweging. De Geest waait waarheen zij wil. In het Hebreeuws, de taal van het Oude Testament: ruach, beweging, storm die opjaagt van Godswege. Het plaatst die hele discussie over de juiste plaats, berg, om God te vereren in de goede proporties. God is niet gebonden. Hij of Zij laat zich overal vinden. Geen berg of tempel, geen volk, geen kerk, of religieuze groepering heeft het alleenrecht van zijn aanwezigheid. Sytze de Vries in zijn net verschenen nieuwste boek over het Johannesevangelie zoekt het ook in die richting. De Sameritaanse vrouw is geen mannenverslindster. De vijf die ze zogenaamd zou hebben versleten slaan op de vijf eerdere tempels van de Samaritanen die niet meer bestaan. Jezus wil daarmee zeggen dat zowel Samaria als Israël zonder eigen heiligdommen God moeten leren aanbidden.

In geest en waarheid. Er hoort nog wat bij die bewegelijkheid. Waarheid, betrouwbaarheid. Juist in die bewegelijkheid is God ons trouw en nabij. God is niet te vatten in door mensen gemaakte geloofsopvattingen en dogma’s. Hij of zij is aan geen enkele plaats maar ook aan geen menselijk leerstuk gebonden. De Eeuwige laat zich overal vinden waar mensen Hem zoeken in geest en waarheid.

Het verhaal van de Samaritaanse vrouw is daarmee aan alle kanten een grens doorbrekend verhaal. Jezus doorbreekt grenzen. Breekt door in het bestaan van de vrouw en van haar dorpsgenoten. Wie volgt? De keus is aan ons of wij er open voor staan, amen

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.