Preek van de Week – Zondag 20 december ’20

2 Samuël 7, 4 – 16
Lucas 1, 26 – 38

I
Ik val maar met de deur in huis. Dat doet de engel Gabriël tenslotte ook bij Maria. Die twee schriftlezingen krijg ik niet op elkaar gelegd. Ja, ik snap de verbinding. Van het kind dat uit Maria geboren gaat worden, zegt Gabriël dat de Heer hem de troon van zijn vader David zal geven en dat aan zijn koningschap geen grens zal zijn. De profeet Natan zegt namens God tegen koning David: ‘Ik zal je laten opvolgen door je eigen zoon en hem een bestendig koningschap schenken. Jou stel ik in het vooruitzicht dat je koningshuis eeuwig zal voortbestaan en je troon nooit zal wankelen.’ Een mooie match tussen oude en nieuwe testament, zou je zo zeggen.

Hadden we de eerste lezing wat ingekort, dan was één en één twee geweest. Dan waren we probleemloos het kerstfeest ingerold. Dan hadden we niet hoeven te horen wat er achter de metafoor wegkomt van God als vader en de koning als zijn zoon: ‘als hij zondigt, zal ik hem kastijden met stok- en zweepslagen, zoals een vader doet, maar hij zal nooit bij mij uit de gunst raken zoals Saul, die ik verstootte omwille van jou.’ Geheel in lijn met het boek van de Spreuken: ‘Wie zijn zoon de stok onthoudt, haat hem, wie hem liefheeft, tuchtigt hem.’ (Spreuken 13, 24)

Ja, wat moet je daar mee hè? Andere tijden en zo, nietwaar? Zeker. Maar dat is geen antwoord op de vraag. Misschien moet je zeggen: ‘Dan maar niet, God.’ Dan maar uit de gunst raken bij u en verstoten worden zoals Saul. Weglopen uit dit verhaal, het donker in. Voortaan zonder u verder gaan. Net zo als de verloren zoon, maar dan anders. En ook al staat u tot in eeuwigheid op de uitkijk met alle liefde die u in u draagt, er is geen weg terug voor mij. Hoezeer ik u ook mis. ‘Al gaat mijn weg door een donker dal, ik vrees geen gevaar, want u bent bij mij, uw stok en uw staf, zij geven mij moed,’ zong David. En ik geloofde hem. Dáárvoor was die stok. Je slaat je kind niet!

II
Misschien zegt iemand: Je maakt het te groot. Je bent een kind van deze tijd. Je weet nu eenmaal meer dan de profeten van toen. Probeer er boven te staan en zie ook de mooie dingen die er over God worden gezegd. Maar dat is het nou precies: ik wil niet boven de dingen staan. Ik verlang niet naar een God die ik eerst op maat mag snijden zodat hij in mijn kraam te pas komt. Ik verlang naar een God die naast mij staat in mijn onmacht als ik geen raad weet met het leed dat kinderen, vrouwen en mannen wordt aangedaan. Ik verlang naar een God die niet bij hen is weg te slaan, als ik uit nood geboren de andere kant op kijk.

En nu ineens weet ik wat het werkelijke probleem is, waardoor ik de eerste en tweede schriftlezing niet op elkaar gelegd krijg. Er zitten zulke mooie elementen in de eerste lezing. Het gaat er niet om het oude testament als oud bij het grofvuil te zetten en het nieuwe testament te verheerlijken omdat het beter bij onze tijd zou passen. Teksten die je passen, vind je zowel in het oude als in het nieuwe testament. Evenals passages die je tegen de borst stuiten.

Het werkelijke probleem is dat de mooiste elementen in de eerste lezing gevangen zitten in een mannelijk taalveld. En dat wordt nog eens versterkt doordat de Godsnaam, die een geheim is – ‘Ik ben’, ‘Ik zal er zijn’ –, door de NBV vertaald wordt met HEER. Daar kijken we niet echt van op. Het is een diep ingesleten gewoonte, die doet vermoeden dat deze God mannelijk is. De Amerikaanse theologe Mary Daly houdt ons de spiegel voor: ‘If God is male, the male is God’ (Als God mannelijk is, is de mannelijke mens God).

Bij het lezen van de Bijbel bots je als het ware telkens op de vier hoofdletters die samen het woord HEER vormen. Ze staan als een huis. En laat nou juist in dit verhaal dat huis bevraagd worden. ‘Dit zegt God Ik-zal-er-zijn: Wil jij voor mij een huis bouwen om in te wonen?’ Maar ik heb toch nooit in een huis hoeven wonen? Geef mij maar een tent, zodat ik met mensen mee kan blijven trekken. / Ja, maar een beetje God woont in een tempel. Moet je zien hoe ik woon. Dan kan een tent echt niet meer. Ik wil u als buurman. Het liefst twee onder één kap – tempel en paleis. / Lieve David, niet vergeten waar je vandaan komt, hè! Ik heb je achter de kudde vandaan gehaald om mijn volk Israël te leiden. Vergeet die zorgzaamheid niet. Leeuwen, beren en heren lopen er op stuk. Maar mensen van de dag vinden er beschutting. Jij hoeft voor mij geen huis te bouwen, David. Ik bouw er een voor jou. Een bestendig koningshuis waar mensen tot in lengte van dagen beschutting kunnen vinden.

Ik weet wel: het is allemaal interpretatie. Maar die is nodig om de andere laag in dit verhaal te bekritiseren. De laag waarin dat tempelhuis voor God er alsnog komt. Gebouwd door de eigen zoon van David. ‘Hij zal een huis bouwen voor mijn naam, en ik zal ervoor zorgen dat zijn troon nooit wankelt’ En dan worden het toch twee mannetjesputters, God en de koning, de koning en God. Twee onder één kap. De God, die even daarvoor David er aan herinnerde waar hij vandaan kwam, van achter de schapen, laat zich uit zijn tent praten waarin hij met de Israëlieten heeft rondgetrokken als herder van de herders. Het eeuwig koningshuis dat God aan David belooft is er een van vader op zoon. Geen vrouw te bekennen die God herinnert aan zijn zorgzame kant en dat er geen vader op zoon bestaat zonder vrouwen. Vrouwen die vragen stellen bij de wijsheid van de Spreuken: ‘Wie zijn zoon de stok onthoudt, haat hem, wie hem liefheeft, tuchtigt hem.’  In mijn studententijd liep ik rond met een button met daarop de tekst: ‘Take away the toys from the boys’ (Pak de jongens hun speelgoed af) Op de button stonden wapens afgebeeld. God lijkt in deze lezing verstrikt geraakt in spierballentaal. Hij regeert met ijzeren vuist vanuit de vesting. Net als zijn buurman. Baas boven baas.

III
Maar nu is het Advent. God komt er aan om zijn mensen als een herder te weiden. Gods naam – Ik-zal-er-zijn – bleek sterker dan de vesting waarin hij comfortabel wonen kon. God komt er aan. God komt ons achterop terwijl wij in het donker lopen, zonder God. En die ons achterop komt, dat is de God naar wie wij zo verlangen.

Wie heeft God op het idee gebracht om de deur van de tempel achter zich dicht te trekken? Wie heeft God herinnerd aan kanten van zijn wezen, die dreigden zoek te raken – de zorgzaamheid, de empathie, de wederkerigheid? En nou niet zeggen: God kan alles want daar is hij God voor. Want dan zijn we weer terug bij af, bij de God in zijn onaantastbare vesting. Wie is het geweest, die God uit zichzelf bevrijdde? Ik houd het op de Ruach, op de heilige geestesadem die over Maria zal komen – let op de vrouwelijke uitgang van het woord Ruach. Gabriël noemt deze heilige geestesadem kracht van de Allerhoogste. Zíj heeft God uit God bevrijd. Zíj heeft God aan God herinnerd.

Zo komt Maria in beeld. Een meisje, een jonge vrouw, die uitgehuwelijkt is aan de timmerman uit Nazareth. Haar schoot zal de beschutting zijn voor de ‘zoon van de Allerhoogste’. Uit haar zal hij geboren worden. God uit God, Licht uit Licht, zegt de geloofsbelijdenis van Nicea. Ja, én uit Maria. ‘Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd,’ zegt de engel Gabriël. Ja, maar niet van vader op zoon, maar van moeder op zoon. Wat de Allerhoogste tot Allerhoogste maakt is dat God niet buiten Maria om wil. God levert zich aan haar uit.

Dat is voor iedereen schrikken. Voor de stoere engel Gabriël – ‘Gabber van God’ is zijn naam – die de hemel gewend is en nu op een meisje wordt afgestuurd in het onbeduidende Nazaret. En voor Maria zelf is de schrik nog wel het grootst. Het taalveld is het zelfde als in de eerste lezing: Heer – man – Zoon – vader. Ze is het gewend. Ze kent haar positie. Ze weet van ondergeschikt zijn. Dat is niet waar ze van schrikt. Maar dat zij het céntrum is in dit verhaal, dat alle grote woorden wachten op het moment dat zij ‘ja’ zal zeggen, dat is haar schrik.

‘Hoe zal dat gebeuren?,’ vraagt ze aan de engel. ‘Ik heb immers nog nooit gemeenschap met een man gehad.’ Logisch toch, zo’n vraag? Jazeker, zonder man gaat het niet. Maria moet nog leren wat het is om van een man te zijn. O ja? Nee, ze zal moeten áfleren om van een man te zijn. Dát is haar schrik. Maar ze hoeft het niet alleen te doen. ‘De Heer is met je!,’  hoort ze de engel zeggen. Of liever gezegd, om misverstanden te voorkomen, de Ruach van God zal over je komen, de kracht van de Allerhoogste met die vrouwelijke uitgang. Die zal je afleren om van een man te zijn. Die zal je met trots leren zeggen: ‘De Ene, God Ik-zal-er-zijn, zal ik dienen en dus zal ík er zijn, Maria!’ Advent is wachten op het komen van God over jou. Advent is wachten op het kind van de Allerhoogste. Advent is wachten op het moment dat je in zingen uitbarst: ‘Hier ben ik!’ – ‘Voor mij had hij oog, zijn dienares; / hij heeft mij gezien in mijn vernedering / Nu word ik voor altijd gelukkig geprezen /door alle geslachten om wat hij mij deed.’ (uit het Magnificat)

IV
Moeten we nu voortaan God als een zij benoemen? Of elke maand een bezoekje aan Maria brengen in de Onze Lieve Vrouwe kerk? Nou, nee. Al was het maar omdat het je toch niet gaat lukken. Zo veel aandacht voor Maria, daar moet je mee opgegroeid zijn. En meneer tegen God zeggen, dat heb je al van kinds af aan gedaan. Dat wordt echt niet zo maar anders.

Maar ophouden om klakkeloos ‘hij’ tegen God te zeggen, helpt wel om de vrouwelijke kanten van de Eeuwige te ontdekken. Ze zijn er echt, zo heeft God zelf ontdekt. En wat Maria betreft: ‘Vóór God was er niets,’ leerde meneer pastoor aan de kleine Herman Finkers. Om er aan toe te voegen: ‘En Maria was zijn moeder.’  

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.