Preek van de Week – Zondag 13 september ’20

Genesis 4, 16 – 24
Matteüs 18, 21 – 35

I
Vergeven. Zelfs als je er toe in staat bent, is het niet altijd goed. De schuld van de Holocaust is onophefbaar, daar mag je geen eind aan maken, zegt de filosofe Hanna Arendt. Vergeven. Mag ik het een hoofdpijndossier noemen? Nee, daarvoor is het een te groot goed. Een enkele keer zie je een mens die het heeft gekund. Niet zogenaamd maar echt. Vrij van wrok en weg gestopte wraakgevoelens. Met alle ruimte voor verdriet, dat verwerkt kan worden. Het leven wordt opnieuw omarmd, zonder dat de aangerichte schade weggemoffeld hoeft te worden. Wie vergeven heeft, ziet de mens weer in de ander. Die mens, die is als jij. Met alle schade die hij heeft aangericht.

Maar kom maar eens zo ver! Oh, aan je goede wil zal het niet liggen. Die is er wel van tijd tot tijd. Want je weet zelf het beste hoe de pijn aan je kan blijven kleven, hoe klem je kunt komen te zitten in bitterheid. Maar dat laatste stukje. Hoe overbrug je die diepe afgrond? Er zijn mensen, die zeggen dat het hen gelukt is. Ze hebben hard gewerkt omdat het moest van hun geloof. Maar je ziet de trek om de mond, die niet alleen uit verdriet gemaakt is. Je voelt de spanning, de diep begraven wrok, die er niet mag zijn. En je denkt: ‘Ach arme!’ Wat dat betreft is de begrensde vergiffenis in de geest van Petrus gezonder voor een normaal mens. Die belooft in ieder geval niet de hemel. Onkruid vergaat toch niet. Zeven keer vergeven is al heel wat.

Erger dan de mensen die zéggen dat het hen gelukt is om te vergeven in de geest van Jezus, zijn de gelovigen die een ander verplichten om te vergeven, omdat het zo in de bijbel staat. Je bidt toch niet voor niets: ‘Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven wie ons iets schuldig was.’ ? Voordat ze je hebben gehoord, voordat ze de pijn hebben afgelezen op je gezicht, hebben ze al een Bijbelwoord gevonden. ‘Zeventig maal zeven’ staat er toch? Ja, dat staat er. Maar het kan toch niet zo zijn dat die woorden bedoeld zijn om van de ander af te zijn? En zeker niet wanneer degenen die ze gebruiken zelf boter op het hoofd hebben. Of erger.

Zulke lieden wens je alles toe wat die dienaar uit de gelijkenis van Jezus tenslotte krijgt te verduren. Ja, dat slot van de gelijkenis is ons uit het hart gegrepen. Zo zeer zelfs, dat we vergeten de vraag te stellen hoe zich dat einde verhoudt tot de oproep van Jezus aan het begin om zeventigmaal zeven te vergeven. De dienaar wordt overgegeven aan de folteraars. Hij krijgt zijn trekken thuis. Dat laatste snappen we zo goed, dat we vergeten dat wij onze handen dicht mogen knijpen met een rechtssysteem waarin vrijspraak door de hoogste rechterlijke macht niet alsnog kan worden terug gedraaid.

II
Het wordt de dienaar betaald gezet, dat hij zich niet heeft gehouden aan de gouden regel: ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook aan een ander niet.’ De folteraars mogen hun gang gaan totdat hij al het verschuldigde aan zijn heer heeft teruggegeven. En dat zal ‘m nooit van z’n leven lukken, want het gaat hier om een miljoenenschuld. Anders dan die paar euro die zijn collega hem verschuldigd was.

Iemand iets betaald zetten. Eigen schuld, dikke bult. Het zal je vergolden worden. Boeten zul je. Als het gaat over schuld en vergeving, kunnen we niet om deze economische terminologie heen. Ze is geen zijspoor. Niet in de wetmatigheden van onze wereld. Maar ook niet in de Bijbel. Het is niet toevallig dat Jezus déze gelijkenis vertelt als het gaat om vergeven.

De Thora kent het Jubeljaar. Het wordt beschreven samen met het Sabbatsjaar. Elk 7e jaar wordt de akker rust gegund opdat de aarde niet uitgeput zal raken. Elk 50e jaar, dat is elk 7e Sabbatsjaar, is een Jubeljaar. Dan worden alle schulden kwijt gescholden en keren de bezittingen terug bij de oorspronkelijke eigenaren. Het land mag niet voor altijd verkocht worden. Aldus de Thora.

Ja, alles goed en wel. Maar bij schulden vergeven denk je toch aan iets anders dan aan schulden kwijtschelden? Precies, zo is het. We hebben de koppeling tussen die twee zoek gemaakt. De opdracht om de schuld van een ander te vergeven zien we als iets geestelijks, iets hoogstaands. Schuldsanering is voor ons van een andere orde. Ze is een zakelijke noodoplossing. We komen daar nog op terug.

III
Maar nu eerst het antwoord van Jezus op de vraag van Petrus: ‘heer, hoeveel maal mag mijn broeder tegen mij zondigen en moet ik hem vergeven: tot zevenmaal? Jezus zegt tot hem: ik zeg niet tot jou: tot zevenmaal, nee: tot zeventigmaal zeven.’ (Mat. 18, 21-22) Als je niet zo goed bent in hoofdrekenen, is dat niet zo erg. Tot zeventigmaal zeven is tot in de gloria. Daar waar het grote goed van de vergeving overigens ook vandaan komt. De vergeving is uit God.

Jezus refereert met zijn zeventigmaal zeven aan de spierballentaal van Lamech uit de oerverhalen van de Bijbel. In een keer heb je dan door hoezeer het hoge woord van de hemel verschilt van de grootspraak van de mannetjesmakers op de aarde. ‘Lamech zei tegen zijn vrouwen: ‘Ada en Silla, hoor wat ik zeg! Vrouwen van Lamech, luister naar mij! Wie mij verwondt, die sla ik dood, zelfs wie mij maar een striem toebrengt. Kaïn wordt zevenmaal gewroken, Lamech zevenenzeventigmaal.’ (Gen. 4, 23-24)

De wereld die gemaakt wordt door mannetjesmakers kent geen vergeving. Je moet sterk zijn. Anders ben je nergens. Het is een wereld die op een dwaalspoor is geraakt sinds de moord van Kaïn op zijn broer Abel. Een wereld waarin het ene mensenleven meer waard is dan het andere. Het land waar Kaïn zich vestigt heet Nod. ‘Dwaalspoor’ betekent dat. Het is een land waar jij je misdaad niet onder ogen hoeft te komen, als je maar sterk genoeg bent. Het ligt ten oosten van Eden, waar ook het Paradijs was. Wie de scepter zwaait, ziet het verschil niet eens tussen Nod en Eden. Hij leeft als God in Frankrijk. Vergeving heeft hij niet nodig. Lamech weet niet eens wat het is. Het is hem nooit geleerd. Dat valt hem nauwelijks te verwijten. Vergeving is uit God. Die Ene voor wie Kaïn zich uit de voeten heeft gemaakt. Hij is zichzelf voortaan tot God.

Vergeven is geen kunstje dat iedereen kan leren. Lamech heeft het niet in zich. Waarom zouden wij het dan wel in ons hebben? Zit onze wereld immers niet op een zelfde dwaalspoor? Vergeven is geen kunstje. En geen enkele vrome ziel heeft het van nature in zich. Vergeving is zo veel meer dan ruimte die gemaakt wordt één op één. Ze is zélf genadegave. Ze komt bij God vandaan. Ze maakt de wereld niet een beetje mooier. Ze verovert haar. Ze verandert haar. Ze stoot de Kaïns en de Lamechs van hun troon. Daarom bidden wij eerst: ‘úw naam worde geheiligd, úw koninkrijk kome, úw wil geschiede’. Het grote goed van de vergeving als aanbod, komt mee in dat spoor. Je kunt nog zo hoogstaand en van goede wil zijn, zonder de bede om het koning zijn van God blijft vergeving een schaamlap om te verhullen dat we in het land Dwaalspoor wonen.

Het antwoord van Jezus aan Petrus: ‘tot zeventigmaal zeven zul je vergeven’ plaatst het koning zijn van God tegenover het regime van de mannetjesmakers, die zevenenzeventig keer jou betaald zetten. Een beetje het midden vinden tussen die twee uitersten, zou dat niet het meest wijs zijn? En ook niet het meest realistisch?  

IV
In het midden gunnen we God zijn eigen domein: dat is de privésfeer van de gelovige. Dat is de kerk, de synagoge en de moskee en wat zich daar binnen de muren afspeelt. Dat is de geestelijke bagage, de hemel en het grote goed van de vergeving. Maar over schuldsanering en economie heeft God niets te zeggen. Dat vinden niet alleen de ongelovigen, dat vinden we tegenwoordig allemaal. Maar weet u, dan haalt u zichzelf wel een probleem op de hals door hier nog te komen of door hier naar te kijken en samen dit soort teksten te lezen uit Thora en Evangelie.

Hebt u zich wel eens afgevraagd waar het woordje ‘en’ vandaan komt, als wij eerst bidden: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood én vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.’ (Echt, we moeten in de Nieuwe Kerk terug naar de oude versie van het Onze Vader!) Omdat die twee in Bijbelse zin álles met elkaar te maken hebben. De oerschuld is niet dat u wel eens gedacht hebt: ‘Bekijk het maar, God! Ik kan wel zonder u.’  De oerschuld is dat we geloof privé hebben gemaakt en de zorg van zovelen of er brood zal zijn op de plank tot andermans probleem hebben gemaakt. Dát is onze schuld. Bidden om vergeving is weten van de noodzaak tot herverdeling. Het is de glazen wand stuk slaan tussen uw privé geloof en de nood van de wereld. Het is het directe verband zien tussen de bede om het dagelijks brood en de schuld die we op ons geladen hebben.

O God, dat ze ons mogen vergeven, die wij het brood uit de mond stoten. Wil je ons vergeven, wij – de samenleving – die jou de deurwaarders op je dak gestuurd hebben en jouw schulden deden ontploffen en dachten dat dit de normaalste zaak van de wereld was? Wil je ons vergeven?

Ja, het wordt ons vergeven. Gód vergeeft het ons. En zijn noodlijdende kinderen zullen het ons vergeven. Omdat zijn koningschap de wereld zal veranderen. Hij zal de versteende harten van de Kaïns en Lamechs open breken. En hij zal de vrome harten van wie voortdurend naar de hemel kijken bekeren. En zij zullen God zien in de ogen van wie verwond zijn geraakt door het onrecht dat hen is aangedaan. En zij zullen ons vergeven. Vraag niet hoe het kan. Maar het wonder zal geschieden.

Is er dan geen andere vorm van schuld dan deze? Natuurlijk wel. Maar altijd ligt machtsmisbruik aan de basis. En altijd ontstaat de ruimte om te vergeven door de komst van Gods koningschap. Laten we het vieren wanneer het ons geschonken wordt.   

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.