Preek van de week – Zondag 13 maart ’22

Bij Johannes 12: 20-36

I

Het is nog maar kort geleden dat Jezus Lazarus uit het graf riep. Het nieuws heeft zich als een lopend vuurtje verspreid en de verwachtingen van Jezus zijn bij de menigte hoog gespannen. Ja, in die mate dat ze met palmtakken en Hosanna geroep uitlopen wanneer ze horen dat hij naar Jeruzalem komt. In het vers vlak voor onze lezing van vandaag, horen we de farizeeën dan wanhopig tegen elkaar zeggen: ‘Je ziet dat we niets bereikt hebben: kijk maar, de hele wereld loopt achter hem aan’. Ze hebben niets veel gezegd, want direct daarna begint ons tekstgedeelte met de aankondiging van een aantal Grieken die bij Filippus komen en zeggen:  ‘wij zouden Jezus willen zien’.  

Het vervolg vertelt niet of ze hem daadwerkelijk te zien krijgen. In plaats daarvan vormt het verzoek de aanleiding voor Jezus om te gaan spreken over het graan wat in de aarde valt, sterft en zo veel vrucht draagt; over je leven loslaten om het te behouden; en over zijn eigen angst voor wat komen gaat. De Grieken willen Jezus zien en Hij wijst op het kruis, zijn lijden en dood en voegt daaraan toe: ‘wie mij dient moet mij volgen’.

Blijkbaar hebben die simpele vraag en dat vreemde antwoord dan toch iets met elkaar te maken. Als we Jezus willen zien, zijn we dan bereidt om op de juiste plekken te kijken? Als we hem zoeken, durven we dan ook op die plekken te zoeken die we liever vermijden of snel aan voorbij gaan? Zijn we bereidt hem daar te volgen? Open om los te laten, te veranderen, ergens aan of voor te sterven?

II

Er wordt door critici weleens gezegd dat het christendom gewoon één grote geconstrueerde poging is om te leren leven met de dood. Maar zoals bij zoveel zinnen waarin ‘gewoon’op een wat denigrerende manier wordt toegevoegd, geldt volgens mij dat, wanneer je dat woordje weg haalt, deze uitspraak zowel substantieel waar is als iets waar we ons niet voor hoeven te schamen.  Want uiteindelijk creëert ieder mens strategieën om om te leren gaan met de dood. Dan is het misschien maar beter wanneer we daar bewust van zijn en over nadenken.

Onze tekst van vandaag wint er in ieder geval geen doekjes om: het graan moet in de aarde vallen en sterven om vrucht te dragen. Maar wat betekent dat? Net als veel andere zinnen uit de Bijbel klinkt het op het eerste gehoor wijs en diepzinnig, maar als we er nog eens beter naar kijken is het misschien vooral ondoorgrondelijk. In tegenstelling tot de andere evangeliën vinden we bij Johannes maar weinig verhalen waarin Jezus gebruik maakt van beelden uit de landbouw, het boeren leven of het platteland, behalve hier. En nog niet al te lang geleden ontdekte onderzoekers een verschil tussen wild en gedomesticeerd graan in de oudheid. Wild graan is afhankelijk van de wind om haar zaden te verspreiden, terwijl je bij gedomesticeerd graan elke korrel moet nemen, breken en in de aarde stoppen. Maar op die manier krijg je een recordoogst.

Tegen die achtergrond krijgt de uitspraak van Jezus dan meer betekenis. Als je het graan gewoon laat groeien in het veld, gaat het uiteindelijk dood zonder veel vrucht te dragen. Maar pluk je de korenaren, breek je ze open tot zaden en plant je die in de donkere aarde, dan dragen ze veel vrucht. Dat het graan sterft geldt in beide gevallen. Het verschil zit hem in het hoe, waarom en wanneer, én in het resultaat.

III

Zoals dat graan onontkoombaar sterft, zo kunnen wij er denk ik ook niet omheen dat – te midden van al ons hoopvolle groeien en verwezenlijken –  het leven ook vol zit van falen, vallen en zelfs sterven. Maar waar dat voor veel van ons vaak verontrustend is, laat de tekst van vandaag ook zien dat het dat niet alleen hoeft te zijn. Echte verandering en vernieuwing vraagt namelijk bijna altijd om iets van loslaten, eindigen, het veilige achterlaten en soms zelfs verlies.

Volgens de franciscaan Richard Rohr zou je kunnen spreken over de twee helften of delen van het leven, met beide eigen taken. In het eerste deel zijn we vooral bezig  met het bouwen van een stevige structuur of identiteit, terwijl het tweede deel wordt gekenmerkt  door het zoeken en vinden van de inhoud – die de structuur bedoeld was te bevatten.  In dat tweede deel beginnen we te ontdekken wie we werkelijk zijn; hoe we ten diepste bedoeld zijn; en raken we aan het ons geschonken leven wat verborgen en opgenomen is in God. Dat proces en die ervaring stelt ons in staat om datzelfde leven vervolgens weer terug te geven aan de wereld en aan God, in liefde en dienstbaarheid. Je zou kunnen zeggen dat waar we in het eerste deel het script ontdekken, het tweede deel gaat om het daadwerkelijk schrijven, toe-eigenen en leven van het script. Het is een beweging van de eerste taak – die zich bezig houdt met het bouwen van een identiteit, gemeenschap, veiligheid, structuur en stabiliteit –náár de taak binnen de taak – namelijk het ontdekken van wat we doen, wanneer we doen wat we doen; onze motivatie, intenties en verlangens.

Toch gaat dat vaak niet vanzelf en beginnen we gek genoeg vaak pas aandacht te besteden aan die binnenste taak wanneer we mislukkingen, tegenslag of valpartijen  tegen komen in onze eerste taak. Om te raken aan de inhoud – het tweede deel van ons leven – is een zeker sterven, afwerpen en loslaten van alle veilige en stevige structuren die we in het eerste deel hebben opgebouwd misschien wel noodzakelijk.

IV

Maar dat is niet makkelijk en komt ons niet van nature aanwaaien. Want het nieuwe is onbekend en ongetest, terwijl het bekende en gewone vaak vals geruststellend is en we daar dus liever blijven. Als we willen groeien of veranderen, dan toch het liefst via de ordelijke, duidelijk en veilige weg omhoog, door vooruitgang, controle, stabiliteit en succes. Maar het leven is zo vaak omgekeerd. Zonde, fouten, falen, mislukkingen en verlies maken onmiskenbaar onderdeel uit van onze menselijke reis. Hoe hard we misschien soms ook hopen dat het niet waar is of in ieder geval niet voor ons. In de verhalen van Jezus zijn het vaak twee groepen mensen die met name goed zijn in het ontkennen hiervan: de rijken en de religieuzen. Beide denken op hun eigen manier de ervaring van falen of fouten te kunnen ontlopen of ontkennen. Ze zoeken hun eigen weg omhoog en vermijden alles wat omlaag gaat.

Maar misschien is die weg naar beneden, met onze ervaringen van falen, verlies of mislukkingen – hoe pijnlijk en moeilijk ze ook kunnen zijn – niet allen verkeerd of verontrustend, maar is het ook de weg waarlangs we groeien en de volheid van het leven beginnen te ontdekken. Want als we al het vallen vermijden of negeren, dan vermijden we onze persoonlijke en geestelijke diepten en zo ook onze persoonlijke en geestelijke hoogten. Juist zij die op de één of andere manier hard gevallen zijn, ja de weg naar beneden zijn gegaan, zijn misschien wel de enigen die echt begrijpen wat omhoog inhoudt.

Niet zelden is het verlies, lijden, mislukkingen, falen of donkerte wat ons anders laat kijken, wat ons bepaalt bij wat er werkelijk toe doet in het leven en wat ons bij de grond en Bron van ons leven brengt. Diepe verandering en groei – die ons laat raken aan de volheid van het leven – heeft zo misschien ook vaak meer het karakter van omhoog vallen dan van omhoog klimmen.

V

Zo roept dat vanochtend de vraag op aan ons allemaal waar wij misschien aan moeten sterven? Wat is voor ons nodig om los te laten? Wanneer zijn wij nog te veel bezig met die eerste taak – het bouwen aan een sterke identiteit, zekerheid en controle in het leven –waardoor we niet toe komen aan de inhoud – de waarde, het doel en de bron van ons leven? Want wat hebben we eraan om de hele wereld te winnen, maar ons leven te verliezen? Om vrucht te dragen ondergaat het zaad een diepe verandering, die begint in de donkere grond, in loslaten, breken en sterven.

VI

En toch, het is te eenzijdig om dit vanochtend alleen als vraag of oproep aan ons te laten klinken. Want zo vaak is er namelijk helemaal geen sprake van een bewuste keuze om los te laten of om anders te gaan kijken, maar dringen verlies, lijden, mislukkingen en falen zich rauw en hard aan ons op. Wat moeten we dan met die tekst over dat graan wat moet sterven? Met het kruis wat blijkbaar onderdeel is van het verhaal van hoop en heil? Wat is daar bemoedigend aan?

Toch alsjeblieft niet in die zin dat we dus maar voortdurend moeten proberen om het positieve te zien in de pijn, het lijden of het verlies waar we mee te maken krijgen. Of dat alles wat je niet dood je sterker maakt. Want tuurlijk, hoewel we soms zullen herkennen dat zelfs de moeilijkste momenten in ons leven, terugkijkend soms ook iets goeds met zich meebrachten, moeten we alles doen behalve het lijden of de pijn mooier maken dan ze zijn of er altijd het positieve van in willen zien.

Dat is niet te doen, misschien onmogelijk zelfs. In ieder geval op de momenten dat je er midden in zit: worstelend met de angst en leegte van een depressie; rouwend over het verlies van je kind of je levenspartner; of in deze dagen: kijkend naar het nieuws uit Oekraïne, beelden van een oorlog die zoals altijd alleen maar verliezers kent en zoveel zinloos lijden met zich meebrengt.

Dan lukt het niet om daar direct iets positiefs of goeds aan toe te voegen, maar dat hoeft gelukkig ook niet. Als het christelijke verhaal ergens bewust aandacht voor heeft, dan is het wel voor het lijden en de donkerte in het leven; voor de pijn en de ingrijpendheid daarvan. Ze staat erbij stil zonder het lichter te willen maken dan het is, te doen alsof het wel meevalt of te zeggen dat het wel snel anders zal zijn.

VII

We kunnen er niet aan voorbij, omdat God zelf er niet aan voorbij gaat. Hij bevindt zich in de storm en in het donker; in het lijden en in de dood; in het gebroken brood en de vergoten wijn. Dat is waar we hem tegenkomen. Als we Jezus willen zien – net als die Grieken – kunnen we beginnen met daar te kijken. In zijn liefde is hij met ons. Ja, tot de dood aan toe. Maar daarin toonde hij ook, voor altijd, dat het leven altijd sterker is dan de dood; liefde sterker dan het kwaad; en dat het licht het duister verdrijft.

‘Ga uw weg in het licht…’ zegt Jezus. Blijf dicht bij mij (volg mij) zou je ook kunnen lezen. Dat doet me denken aan de woorden uit Psalm 119: “Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad”. Zo’n lamp schijnt niet ver weg en verlicht misschien net genoeg de weg om de volgende stap te zetten. Zo gaan wij vaak ook onze weg: zoekend,  aarzelend of struikelend. En tegelijk is het Licht nooit ver weg, maar dicht bij ons. Om ons net die hoop en dat vertrouwen te schenken wat ons in staat stelt om een stap te zetten.

Amen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.