Preek van de Week – Zondag 12 december ’21

2e zondag van Advent

Sefanja 3, 14 – 20
Lucas 1, 39 – 56

I
‘In zijn liefde zal Hij zwijgen, in zijn vreugde zal Hij over je jubelen’
horen we in de profetie van Sefanja.
Dat jubelen past wel bij deze zondag.
Het is de vreugdezondag in Advent.
Vernoemd naar de antifoon bij de psalm van deze zondag:
‘Verblijd u, nu en altijd. De Heer is nabij!’
Dat jubelen past ook bij de beide vrouwen uit het evangelie.
Wat zeg ik?
Een heel regiment vrouwen uit de bijbel
schaart zich als achtergrondkoor rond Maria en Elisabet:
Mirjam en Hanna, Sara en Lea,
de moeder van Simson en de dochter van Sion.
Hun stemmen klinken mee.

II
Ja, dat jubelen, daar zijn we wel van.
Wat is er mooier dan los gaan in een volle kerk:
‘Komt allen tezamen, jubelend van vreugde…’
Maar ja, dat gaan we voor het tweede jaar op rij missen.
De volle kerk op de kerstavond.
Met anderhalve meter afstand
en de waarschuwende mondkapjes voor de grijp,
is jubelen er niet echt bij.

Als het dat alleen was..
De pandemie raakt ons op alle terreinen van het leven.
We zijn uit het lood geslagen.
En dat is zachtjes uitgedrukt.
We zijn de regie kwijt.
Er gebeurt van alles waar we geen grip op hebben.
Daar kan een mens mee omgaan zolang het tijdelijk is.
Als je maar weet dat er voorbij de bocht licht is
aan het eind van de tunnel.
Maar dat weten we niet.

Het hielp wel om te geloven dat besturen in zwaar weer
een kwestie was van ‘aan de knoppen draaien’.
Dan kun je het nog roerend oneens zijn met elkaar
over hoe stevig er aan welke knoppen gedraaid dient te worden.
Iets waar nog dagelijks talkshows mee worden gevuld.
Maar over het beeld zelf waren we het wel eens:
Wij zitten aan de knoppen.

Na de zoveelste bocht bleek de eindsprint naar de uitgang van de crisis
toch een marathon te zijn.
Dat was schrikken.
Maar trainen voor een marathon is te doen, weet ik uit ervaring.
Er zit, net als aan een sprint, een begin en een eind aan.
Alleen bekruipt ons nu de twijfel:
Hangt er wel ergens een finishdoek?
En zitten wij wel aan de knoppen?
Ja, wie anders?
Laat ik het daarom zo vragen:
Gehoorzaamt de werkelijkheid nog aan ons wensdenken
dat wij de managers zijn van de vooruitgang?
Is dit wel een marathon met publiek dat jou naar de finish schreeuwt?

III
‘In zijn liefde zal Hij zwijgen, in zijn vreugde zal Hij over je jubelen,’
horen we van Sefanja.
Zwijgen en jubelen; een rare paradox.
Zo raar dat verschillende vertalers tot de conclusie kwamen
dat het zwijgen een verschrijving moet zijn geweest
bij het kopiëren van de tekst.
Met net een ander Hebreeuws letterteken zou er hebben kunnen staan:
‘Hij zal zijn liefde vernieuwen, Hij zal met jubel over jou juichen.’
Dat klinkt inderdaad een stuk logischer.
Maar de meeste bijbelvertalingen gaan daarin toch niet mee.
Ze laten het zwijgen van God staan
naast de vreugde uitbarsting over de dochter van Sion – Jeruzalem.
Laat maar schuren.

Maar het roept wel vragen op.
Tenminste als we zo vrij mogen zijn
om de woorden te horen alsof ze aan ons gericht zijn.
Wat valt er te juichen over ons?
En hoe zou je het grote zwijgen van God kunnen verstaan als liefde?
Juichen over onszelf hebben we lang gedaan.
Alles was vooruitgang.
Er kwam toekomst uit onze hoofden en onze handen.
En we wisten ons gezegend met welvaart.
We waren een voorbeeld voor de rest van de wereld.
Wij werden meer en God werd minder.
Naar het scheen met wederzijds goed vinden.

Maar nu.
Met een schok komen we erachter
dat we niet de managers van de vooruitgang zijn.
We tuimelen van crisis in crisis.
We draaien aan knoppen.
Maar zonder garantie dat een volgende crisis
niet de laatste zou kunnen zijn.
Boem is ho!
Bent u nog ergens, God?
Van uw vreugde over ons durven we niet eens te dromen.
Als u er maar bent.

En van een ingrijpen van bovenaf merken we ook niks.
Niet dat we dat nog van u verwachten.
Daarvoor hebben we alles wat God heette te veel ontmanteld.
Maar is het grote zwijgen toch nog iets anders dan de leegte
die u hebt achtergelaten toen wij de geschiedenis van u overnamen?
Of dachten we dat laatste alleen maar?
Bent u ergens toch gebleven?
Slaat dat woord van Sefanja werkelijk ergens op:
‘In zijn liefde zal Hij zwijgen…’?

IV
De jubel van God over Jeruzalem
lijkt zomaar uit de hemel te komen vallen.
Zijn liefdesverklaring aan de dochter van Sion mist elke grond
in de twee voorafgaande hoofdstukken van dit bijbelboek.
De profetie van Sefanja is een en al dreiging en aanstaande ondergang.
De Ark van Noach 2.0, maar dan zonder ark:
‘Alles zal Ik van de aardbodem wegvagen – spreekt de HEER.
Mens en dier zal Ik wegvagen.’
Is dat niet waar wij ook bang voor zijn?
Zonder daar overigens nog een God voor nodig te hebben.
Bang dat we het gruwelijk uit de klauwen hebben laten lopen
en dat we het tij niet meer kunnen keren?
‘Goud noch zilver kan je redden,’ zegt Sefanja,
‘noch je vestingsteden en hun hoge torens.’
Het kost weinig moeite om te denken: dit gaat ook over ons.

Verwarrender dan het oordeel dat wordt aangezegd,
is de liefdesverklaring die erop volgt.
Je weet niet waar je kijken moet.
Die gêne delen we met de hoorders van toen:
de ballingen, die getuige zijn geweest van de verwoesting van Jeruzalem.
Gaat dit echt over mij, over ons?
‘In zijn liefde zal Hij zwijgen, in zijn vreugde zal Hij over je jubelen.’
Bestaat dat?
Bestaat er liefde als de ramp onafwendbaar is?

Er is een draad gespannen over de afgrond, vertelt Sefanja.
Als wij door het ijs gezakt zijn als managers van de vooruitgang
en de werkelijkheid niet meer reageert op ons draaien aan de knoppen,
zoek dan de rechtvaardigheid en geef ruimte aan de zachte krachten.
Ze kunnen een onderkomen zijn in de onherbergzaamheid van deze tijd.
God zal je vinden met zijn liefde in dat onderkomen.
Voor bekering tot de zachte krachten is het nooit te laat.

V
‘In zijn liefde zal Hij zwijgen..’
Is de stilte, die God laat vallen, leegte?
Ja. Wel voor wie tevergeefs wacht op een groots ingrijpen
als aangekondigd in Sefanja
of op een tweede zondvloed.
Maar niet voor wie niet wegloopt voor het grote zwijgen.
Zo iemand leert opnieuw kijken en luisteren,
zonder enige garantie dat het allemaal wel los zal lopen.
Zonder antwoorden vooraf.
Zo iemand ziet Maria opstaan
in een tijd dat elke droom wordt neergesabeld.
Zo iemand hoort de groet van Maria
als ze het huis van Elisabet binnen gaat.
Zo iemand ziet het kind bewegen in de buik van Elisabet
als het de groet hoort.
Alsof het jubelt en juicht.

In het zwijgen dient God zich op een nieuwe manier aan.
In een jonge vrouw die opstaat
en zich niet laat afschrikken door alle onherbergzaamheid.
In twee vrouwen die elkaar omhelzen
en weten dat ze van de toekomst zijn.
En in een kind dat niet kan wachten voor het zover is.
Laat het naast elkaar bestaan:
de profetie van Sefanja waarin God in vreugde over jou jubelt
en het evangelie volgens Lucas
waarin het kind in jubel opspringt in de moederschoot.
‘De zachte krachten zullen zeker winnen in ’t eind
– dit hoor ik als een innig fluistren’
dichtte Henriëtte Roland Holst.
Leer er naar te luisteren, naar dat innig fluisteren.
Laat je niet afleiden door het geschreeuw in de media
en de strijd om het hoogste woord.

Hoewel, er is een schreeuw die Gods spreken vervangt.
Die roep naar de hemel, de stem van wie geen kant op kunnen.
Je hoort die terug in de psalmen.
‘God, houd u niet stil, zwijg niet, God, zie niet lijdzaam toe.’ (psalm 83,1)
Als we lezen dat Elisabet werd vervuld van de heilige Geest en luid riep,
dan klinkt in die kreet de schreeuw mee
van wie permanent het onderspit delven.
Zij hoort bij hen. Zij weet er van.
En daarin representeert zij God zelf.
Met wie zij is, met wat zij doet,
legt zij voor ons uit wat het betekent
dat God in zijn liefde zal zwijgen,
in zijn vreugde over jou zal jubelen.

Het jubellied van Maria is een antwoord op de kreet
en de jubel van Elisabet.
Wil je iets snappen van de God die in zijn liefde zwijgt,
luister dan naar het lied van Maria.
Zij, die in de geschiedenis permanent aan het kortste eind trekken,
gaan in dit lied voorop.
Ze krijgen een gezicht, een stem.
En hoe!

VI
Het is onvoorstelbaar dat het de kerk zo lang gelukt is
om dit lied buiten haar ziel te houden.
Elke dag wordt het gezongen in de kloosters tijdens het avondgebed.
Elk jaar zingen we het met Maria mee in de weken van Advent.
De kerk bidt om de heilige Geest
maar weet tegelijkertijd niet hoe snel ze een wal op moet werpen
van mitsen en maren,
van het wegduwen van dit lied naar de jongste dag
en van het opsluiten van God in persoonlijke vroomheid.

Is het niet tijd om er mee op te houden,
met al ons gedoe en gesjor om de meubels te redden?
Tijd om ons over te geven aan het zwijgen van God.
Meer bidden dan poetsen, zal ik maar zeggen.
Hoewel het letterlijke poetsen in deze kerk prima samen gaat met bidden.
Vraag het de Nieuwekerkers die zich er aan overgeven.
Samen biddend in de wereld staan
en de schreeuw toelaten van wie zich hopeloos alleen gelaten
en afgewezen voelen.
En dan niet de zoveelste actie er op los laten.
Maar ontdekken dat deze stad en deze wereld
vol zijn van beelddragers van God.
Vrouwen als Maria en Elisabet.
Mannen als Kalifa Danso en Jakob Groen.
U kent ze vast niet.
Maar u kent weer anderen.
En u kent uzelf.

Ontmoetingen die bijbelwoorden tot leven wekken.
En andersom.
Dankzij de heilige Geest
die we niet langer in de weg zitten
met onze mitsen en maren
en met ons weten hoe het zit en hoe het hoort.
Het zwijgen van de oude antwoorden
gaat gepaard met het ontdekken van de liefde van God,
die alle verstand te boven gaat,
maar die hier beneden opbloeit tussen mensen
die weten dat ze elkaar nodig hebben.
En die aan den lijve ervaren
hoe hoog je in die liefde kunt worden opgetild.
Hoger dan de hemel waarin we God hadden opgesloten.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.