Preek van de Week – Zondag 11 september ’22

Exodus 32, 7 – 14
Lucas 15, 1 – 10

I
‘Overal licht en kinderen’ las in het klachtenboek.
Het was vlak na kerst.
Zo’n dertig jaar geleden.
De ruimte van de buurtkerk in Rotterdam
werd druk gebruikt door allerhande groepen.
In een buurt waar ruimte schaars was
en waar het eigen plekje met hand en tand verdedigd werd.
De klacht kwam van de buren van het appartementencomplex
boven de buurtkerk.
‘Overal licht en kinderen’.
Er was een feest geweest met alle lampen aan
en met rennende kinderen in de gangen.

De grommende Farizeeën en schriftgeleerden
doen me hieraan terug denken.
‘Hij verwelkomt zondaars en eet met hen’.
Is dat niet een prachtige samenvatting van het evangelie?
Ook al was die zo niet bedoeld.
Maar wat er afwijzend gegromd wordt
is wel degelijk het goede nieuws van God in een notendop.
Zoals de klacht van de buren boven de buurtkerk
gehoord kan worden als profetie van Gods toekomst
en als kerstboodschap bij uitstek:
‘Overal licht en kinderen’.

II
Niet dat de buren veel weg hadden van Farizeeën en schriftgeleerden.
Kerkgangers waren het niet.
Het waren Rotterdamse arbeiders die hard gewerkt hadden
en die ontzettend blij waren met hun nieuwe woning
in een oude stadswijk,
waar zo veel nieuwe Rotterdammers waren komen wonen
uit alle hoeken van de wereld.
Allemaal vechtend om een plekje.

Wat de buren wel gemeen hadden met Farizeeën en schriftgeleerden
was de drang om lijnen te trekken en grenzen te stellen.
Hoe houd je het anders leefbaar met elkaar?
Wie zichzelf ruimhartig en ruimdenkend vindt,
vergeet soms zomaar dat hij zelf ook grenzen stelt.
Heb je een beetje geluk in het leven,
dan liggen die grenzen wat verder weg.
En als je kostje gekocht is, wie doet je dan nog wat?
De kachel blijft immers wel branden.

Je gunt de kinderen het licht in de ogen.
Want je bent zelf ook jong geweest.
Mooi toch, die kinderen?
En je gunt de zondaars hun feestje,
zolang het niet naast jouw deur is.
Een beetje zoals dat gaat met windmolens en zonneparken.
Ja, en wat is nou eigenlijk zonde?
‘Zijn wij niet allen zondaars, broeders en zusters?’
zei de dominee vroeger.
Waarna de goegemeente vrolijk over ging tot de orde van de dag
en daar deksels goed het onderscheid wist te maken
– die daar willen niet deugen en wij wel.
Goed, ook die schijnheiligheid hebben we maar achter ons gelaten.
We hebben het er gewoon niet meer over.
Ieder moet zelf maar zien hoe die het eigen stoepje schoon houdt.
Zonde is een vergeetwoord geworden.

III
Enige herkenning zou toch fijn zijn.
Want ik noemde het net nog
een prachtige samenvatting van het evangelie:
‘Hij verwelkomt zondaars en eet met hen!’
Dan is het van tweeën één: Óf je doet wat Jezus deed.
Maar ik weet niet hoe vreugdevol die boodschap voor u is.
Je kunt knap druk worden met het verwelkomen
van al die mensen waar wat mee is.
En u hebt het al zo druk.
Óf je bent er zelf een.
Een van die zondaars, die niet weet wat hen overkomt.
Jezus verwelkomt je en je ervaart gemeenschap
waarvan je niet wist dat die voor jou nog bestond.

Want het is prachtig als je in staat bent
om je eigen broek op te houden en je stoepje schoon te vegen,
maar je kunt je er knap verloren bij voelen.
Voor het oog is alles op orde, maar van binnen trek je het niet meer.
Het leven verliest zijn glans.
Je trekt lijnen. Je stelt grenzen.
En toch loopt het je over de schoenen.
Net zo als bij die Rotterdamse arbeiders.
Je legt het af.
‘Hoe gaat het?’ ‘Ja, goed hoor!’
Voor het oog dan.
Tot het ook voor het oog niet meer waar is
en mensen beginnen weg te kijken
of oplossingen aan te dragen
alsof je een probleem hebt dat even gefikst dient te worden.
Was het maar waar.

IV
Op wat voor manier zijn de gelijkenissen van Jezus
nou een antwoord op de kritiek van de Farizeeën en schriftgeleerden:
‘Hij verwelkomt zondaars en eet met hen’?
Ze gaan niet zozeer over zonde en bekering,
maar eerder over gezocht en gevonden worden.
En ze gaan over meer dan samen eten.
Er is uitzinnige vreugde en er wordt feest gevierd.

Zonde.. Hoe zat dat ook al weer?
Zonde vraagt om boetedoening en bekering.
Zolang daar geen sprake van is, hoor je er als zondaar niet bij.
Wie volhardt in de zonde, moet buiten de gemeenschap worden gesloten.
Zie je de zonde door de vingers, dan tast je het goede leven aan.
Dan wordt het nooit wat met het koningschap van God.
Zonde is een juridisch begrip.
Je handelt binnen de wet of er buiten.
Farizeeën en schriftgeleerden bewaken de grenzen
en geven het goede voorbeeld.
Geen wonder dat ze grommen:
‘Hij verwelkomt zondaars en eet met hen!’

Als er al sprake is van bekering in het evangelie van deze zondag,
dan is die van een andere orde.
‘Alle tollenaars en zondaars kwamen Jezus opzoeken
om naar Hem te luisteren.’
Alles trekt op Hem aan.
Het lukt hen misschien niet
om op eigen kracht weer thuis te komen
binnen de paaltjes, gehoorzaam aan de regels.
Maar het lukt hen wel om naar Hem te horen.
Ze keren zich naar Hem.
Wat is dat toch?

In de eerste gelijkenis is het niet het verloren schaap
maar de herder die zich bekeert.
Hij laat de negenennegentig andere achter zich
om naar het verdwaalde dier op zoek te gaan.
Hij keert om en gaat de weg terug.
En omdat Híj je zoekt, kun jíj je laten vinden.
Tollenaars en zondaars keren zich naar Hem.
Zij bekeren zich tot Hem, die zich naar hen keert.

Het is opvallend dat wij de gelijkenissen zijn gaan noemen
naar wie of wat verloren was.
De derde, die wij vandaag niet gelezen hebben,
de langste van de drie, noemen we naar de verloren zoon.
De tweede naar de verloren penning.
En de eerste naar het verloren schaap.
Terecht voor wie het feest met de hemel mee wil vieren
over één zondaar die tot inkeer komt.
Maar beslissend in de derde gelijkenis is de vader die op de uitkijk staat.
En in de tweede de vrouw, die haar huis op de kop zet.
En in de eerste de herder, die besluit het verdwaalde dier te gaan zoeken.
Het is God zelf die ruimte maakt om het verlorene te vinden.
Hij bouwt het feest.

V
Zonde is een vrolijk woord.
Niet omdat het niets voorstelt.
Vraag het aan degene die uit eigen ervaring weet
wat falen is en eigen schuld
en die de reikwijdte daarvan onder ogen durft te komen.
In je eentje is dat niet te doen.
Die last is niet te dragen.
En toch is zonde een vrolijk woord.
Omdat je het niet in je eentje hóeft te doen.
Daarvan getuigen de gelijkenissen.
Je bekeren is een feestje waard.
Wat zeg ik? Een hemelse knalfuif!

Dat je het niet in je eentje hoeft te doen,
is meer dan de kans grijpen die jou geboden wordt
om om te keren op jouw doodlopende weg.
‘God steekt zijn hand naar je uit, maar je moet die wel grijpen’,
hoor je in de kerk nog wel eens zeggen..
Nee, je moet niks!
Het is de herder die zich omkeert.
Niet het schaap.
Het schaap wordt gevonden.
En pas dan keert het zich om.
Maar wel op de schouders van de herder. Mét de herder.
Ben je gehecht aan het beeld van Jezus,
die onze zonden op zich nam,
maar vind je het moeilijk om dat concreet voor je te zien?
Nou, zo ziet dat er dus uit.
Jij, die gedragen wordt door Hem.
Nooit meer alleen.

En wat te denken van dat muntje?
Het kán niet eens roepen als het gezocht wordt.
Het kan alleen maar gevonden worden
door de vrouw, die God belichaamt.
God die haar hele huis op de kop zet
en over de vloer kruipt om het verloren muntje te vinden.

En als het dan gevonden wordt
– het verdwaalde dier, het zoek geraakte muntje –
dan bouwt de hemel een feest
dat in geen verhouding staat
tot de waarde van wat terug gevonden werd.
Zeker niet tot de waarde die de bekeerde zondaar zichzelf zou geven.
Maar ja, jij bepaalt niet je waarde.
Dat doet God en die heeft jou hoog zitten.
Even hoog als hij zelf zit.
Hemelhoog.

Ziet u hoever we hier verwijderd zijn geraakt
van het juridische model van:
‘wie zijn kont verbrandt moet op de blaren zitten?’

VI
De Nieuwe Kerk heeft twee bijzondere weken achter de rug.
Deze plek was voor even een thuis
voor mensen uit Syrië, Somalië en Eritrea.
En voor de vrijwilligers uit onze gemeenschap en daarbuiten,
die hen verwelkomden en die gastheer of gastvrouw waren.
Het gaat te ver om het een feestje te noemen.
Daarvoor zijn de verhalen te schrijnend
en was de aanleiding te gênant voor woorden
– een overheid die zijn kont verbrandt
en anderen op de blaren laat zitten.
Maar in de geest van de gelijkenissen
kreeg de noodopvang iets van een feestje,
waarvoor wij werden uitgenodigd.

Wie lopen er verloren?
Zonder twijfel zijn dat de gasten,
die in dit land niet meer kunnen rekenen
op een overheid, die doet waartoe ze is geroepen:
schild voor de zwakken zijn.
Herders zijn het,
die niet meer te onderscheiden zijn van burgers
die geleerd hebben alleen zichzelf weiden
– om met de profeet Ezechiël te spreken.
Afschrikwekkend willen ze zijn.

Gaandeweg de weken groeide het besef
dat niet alleen de mensen die wij verwelkomden verloren lopen,
maar ook wij zelf.
En dat wij samen te gast waren op het feest van onze Heer.
Zolang wij ons opsluiten in de genoeglijkheid van ons kent ons,
zal het feestje nooit echt op gang komen.
Pure noodzaak dwong ons als kerkenraad
om over onze schaduw heen te springen.
De sprong van ‘God zegene de greep’.
En zie wat er gebeurde:
een nieuw samen ontstond met mensen overal vandaan.
Wij werden gevonden
– ik kan het niet anders zien –
door de Herder zelf.
En we wisten ons opgetild en thuis gebracht.
Bekeerd.

Laat de herinnering aan dat feest
ons sterken in het protest tegen een politieke beleidslijn,
die een andere afslag heeft genomen.
Zelfs als wij ons zelf ook klem voelen zitten
als een verloren schaap in de wildernis.
Er is er één die ons zal blijven vinden.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.