Preek van de Week – Zondag 11 april 2020

Johannes 20, 24 – 31 (NBV)

I
‘Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven,’ zegt Jezus tegen Tomas. Als kind dacht ik: ‘Dat zijn wij! De mensen van de kerk’. We hebben Jezus nooit gezien. Maar elke zondag gaan we naar de kerk om naar zijn stem te horen. Dat wij de gelukkigen waren, waar Jezus het over had, dat verzint een kind niet zelf. Het was wat de kerk uit wilde stralen. Ze was zelfbewust en volhardend in de kerkgang. Wat Tomas betreft: Jezus had hem zelf uitgekozen als een van leerlingen. En wie waren wij dan om daar iets over te zeggen? Maar ondertussen vonden we hem maar zo zo. Het gezegde ‘een ongelovige Tomas’, voor iemand die zich maar moeilijk laat overtuigen, is niet voor niks ontstaan. Er zit iets van afkeuring in.

Na een jaar Corona kijk ik er anders tegen aan. Hoezo: niet zien en toch geloven? Heel ons kerkzijn hangt aan elkaar van zien en tasten. Dat was in mijn kindertijd al zo met al die mensen die uit de straten kwamen om naar de kerk te gaan, die vertrouwde gezichten op de vaste plaatsen, de borden met de psalmen en gezangen, de mannenbroeders in gelid – heel de rituele dans. En dat is nog steeds zo. Dit kerkgebouw, onderschat het niet. Ik zie wat het met mensen doet als ze worden uitgenodigd om er bij te zijn op zondag. Het gaat dubbelop: het gebouw als mantel om je heen en het zien van de ander.

Ik ken iemand die opgehouden is om de kerkdiensten in de Nieuwe Kerk mee te maken via Kerkomroep, niet uit gebrek aan betrokkenheid, maar omdat hij juist zo mist wat hij voor zich ziet. Hij wordt er verdrietig van. Misschien herkent u dat wel. Kijken naar is iets anders dan zien. Zien komt van twee kanten. Het is zien en je gezien weten. Dit gebouw is niet blind. Het kijkt terug als je om je heen kijkt. En de ander verderop herinnert je eraan dat je niet alleen op de wereld bent. En dat zonder iets te hoeven zeggen.

Een aantal keren hebben we in het afgelopen jaar het avondmaal gevierd. Laten we eerlijk zijn: het is behelpen. De een lukt het om thuis een stukje brood af te breken en een slokje wijn te nemen en dan de gemeenschap te ervaren met de anderen die thuis het zelfde doen. De ander lukt het niet en voelt zich afgesneden van wat hem zo dierbaar was. Het is een ballingschapservaring. ‘Weemoed vervult mijn ziel nu ik mij herinner hoe ik meeliep in een dichte stoet en optrok naar het huis van God – een feestende menigte, juichend en lovend,’ zegt de psalmdichter.

II
Het verlangen om het brood voor elkaar te breken en de ander de beker aan te reiken is misschien iets anders dan het verlangen van Tomas om zijn hand in de wonden van zijn levende Heer te leggen, maar het kon wel eens dichter in de buurt van elkaar komen dan u denkt. Beide hebben met zien en met tasten en met intimiteit te maken. Het is het beleven van de gemeenschap met Christus. Het is zien en geloven.

Ik kan me voorstellen dat u niet op deze vergelijking zit te wachten. Brood en wijn geven smaak aan het geestelijke van het geloof. De wonden van Jezus aanraken, dat is te fysiek. Het heeft iets onsmakelijks. Geloof moet wel van een andere orde blijven. Een hogere orde. Heiliger. Hemelser. ‘Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.’ Jezus zegt het toch niet voor niets?

Nee, hij zegt het niet voor niets. Maar misschien horen we er wel te snel een terechtwijzing in aan het adres van Tomas. Het kan geen kwaad bij Tomas in de buurt te blijven. Ook al omdat we anders te snel over onze ervaringen met een jaar Corona heen stappen: het gemis van fysiek contact op cruciale momenten, het gebrek aan wederkerigheid, de honger om samen te komen. De herontdekking die we in Coronatijd deden, dat we elkaar nodig hebben om het leven zin te kunnen geven.

Tomas betekent tweeling. Zijn naam is een uitnodiging om hem niet alleen te laten. Hij is er maar half zonder zijn wederhelft. Wie die ander is? Waarom zou jij het niet zijn? Zijn naam is een uitnodiging om naast hem in het hart van dit verhaal te komen. Met je eigen eenzaamheid. Met je eigen ongeloof. Schaam je er niet voor zijn zus of zijn broer te zijn. De uitnodiging van Jezus om zijn wonden aan te raken, is er ook voor jou.

Het zien van de wonden was voor Tomas genoeg. Hij hoeft ze niet meer aan te raken om te kunnen geloven dat dit echt Jezus is. ‘Mijn Heer en mijn God,’ zegt hij tegen hem. Deze persoonlijke belijdenis is onlosmakelijk verbonden met de wonden van de opgestane Heer. Hoogst ongemakkelijk voor wie God in de hoge zoekt en voor zichzelf al lang had uitgevogeld dat geloven zonder zien het enige echte geloven is. Onthecht. Verlicht. Spiritueel. Of welk woord je er ook maar aan geven wilt.

‘Mijn Heer en mijn God’ is geen belijdenis van een hoog gegrepen waarheid. Het is de belijdenis van jij en ik, van de wederkerigheid tussen God en jou. Van jezelf gevonden weten op een plek waarvan je dacht voor altijd weggestopt te zitten. Van het onder ogen durven komen van je eigen wonden in het zien van de wonden van de opgestane Heer. En vervolgens ontdekken dat het niet alleen maar tussen jou en God is, maar ook tussen jou en de ander. Het is een driehoeksrelatie, zullen we maar zeggen. Tomas betekent immers Tweeling. Jij hoort erbij. Als de wederhelft waar hij niet zonder kan. En dat betekent weer dat je in de gemeenschap van Christus niet alleen zonder gêne of paniek je eigen wonden onder ogen kunt komen, maar ook die van je wederhelft – je broer, je zus, de mens die is als jij. De dood te boven.

III
‘Omdat je mij gezien hebt ben je gaan geloven; zalig die niet zien, en geloven!’  zegt Jezus tegen Tomas. Is dat dan niet de bevestiging dat zien en geloven op gespannen voet met elkaar staan?; dat lijf en ziel twee gescheiden werelden zijn?; dat alleen het innerlijk oog God kan aanschouwen?

In dat geval zou de menswording van God een noodzakelijk uitstapje zijn geweest uit hemelse sferen; een intermezzo, louter om zielen te redden voor een lichaamloze eeuwigheid. Dan zou de intimiteit tussen Jezus en Tomas bijzaak zijn. Louter bedoeld om deze dwarse leerling een lesje te leren. Ja, zo is het veel gelezen. Maar waarom wil de Levende dan gekend worden aan zijn wonden? Waarom is dat het wat hij zijn leerlingen het eerste toont als hij zich aan hen laat zien? Niet een aureool boven zijn hoofd, maar de wonden in zijn handen, zijn voeten en zijn zij.

Er komt een tijd dat zij hem niet meer zullen zien. In de tijd, die komt hebben de leerlingen elkaar en heeft Tomas Tweeling jou als wederhelft. Jouw wonden herinneren hem aan de wonden van zijn Heer en zijn God. Nog even en het tijdperk van de Geest breekt aan, waarin elk gewond mens een openbaring wordt van Christus’ aanwezigheid. De menswording van God blijkt geen bijzaak, maar zet zich door wereldwijd.

En mochten wij ons verschansen – iets wat wij permanent doen omdat de wereld van gewonde mensen ons te groot en te veel is –, dan komt zij net als de opgestane Heer achter onze dichte deuren om ons zijn vrede te leren. Oog in oog met wie het recht op leven al te lang ontzegd is. Volgens mij is dat de betekenis van wat Jezus tegen Tomas zegt: ‘Zalig die niet zien, en geloven!’ Het is geen berisping, maar een bemoediging. Bestemd voor al die leerlingen die in het spoor van Tomas er nog zullen komen en die net als Tomas weigeren te geloven in een opgestane Heer zonder wonden. Ze zullen hem niet zien, zoals Tomas hem heeft gezien. Maar ze zullen hem wel ontmoeten in ieder gewond mens dat op hun pad komt.

IV
Als wij straks weer open mogen omdat het virus onder controle is en wij dan hier het brood weer mogen breken in elkaars nabijheid en de beker aangereikt krijgen, laten we dan de tijd die achter ons ligt niet te snel vergeten. Want die tijd heeft ons geleerd hoe belangrijk fysieke nabijheid is, hoe zeer je er naar kunt verlangen om samen te komen in een gebouw als dit, dat jou en mij omarmt. Voor je het weet spreekt het allemaal weer vanzelf. Dan leggen we de lat weer hoog en moet de liturgie ons weer optillen tot grote hoogte. De zang en het orgelspel strelen het gehoor. De gebeden en de preek zijn zonder gestotter. Voor minder doen we het niet.

Laten we vooral hoog blijven inzetten, maar dan als eerbetoon aan Christus, de gewonde gastheer. Heb je het over hem, dan hebben we het over onszelf en onze naakte onvolkomenheden, over de brokken die we hebben gemaakt en de schuurplekken die we hebben opgelopen. Liturgie vieren in al zijn schoonheid en de hemelse vreugde ervaren dat we ons hier niet mooier hoeven voor te doen dan we zijn.

Laten we hoog blijven inzetten en Christus belijden als Heer van deze wereld. Dan hoeven we niet bang te zijn om opgesloten te raken in de kerkelijke bubbel. Want de wereld is vol gewonde mensen die wachten op ons eerbetoon aan hen. Zij zijn immers bij uitstek de mensen in wie Christus zijn gezicht aan ons laat zien en ons zijn vrede geeft.  

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.