Preek van de Week – Zondag 1 november ’20

Hebreeën 11

I
‘Een stoet van getuigen’. Zo noemde Niek Schuman zijn vertolking van Hebreeën 11. Ik zie het voor me. Ze komen er allemaal aan. En het zijn er zo veel dat anderhalve meter afstand er niet in zit. Dat hoeft ook niet. Het coronavirus komt ze niet aan de botten. De deuren van de Nieuwe Kerk gaan wagenwijd voor hen open op deze eerste november. En we hoeven niet bang te zijn dat we het koud gaan krijgen. Want ze brengen hun eigen warmte mee naar binnen – de warmte van hun gepassioneerdheid, de warmte van onze liefde, die zij reflecteren, de vreugde die geen einde kent. Zij brengen de eeuwigheid binnen. En wij worden er mee omkleed.

Het zijn er nog veel meer dan Niek Schuman hier introduceert. Abel, Henoch, Noach, Barak, Simson, Jefta. En ik heb er weer een paar weg gelaten uit de stoet van Niek en weer een enkeling toegevoegd. Die ruimte laat de schrijver van de Hebreeënbrief ons. Sterker nog: hij zet ons er toe aan om getuigen toe te voegen aan de stoet. Want er komt geen einde aan. Net zo min als aan de liefde van de Eeuwige, waarvan zij getuigen.

II
Is het niet te veel eer voor de gemeente van de Nieuwe Kerk, dat zij hier willen zijn vanmorgen? Niet dat we geen extra inspiratie nodig hebben. Geloof en hoop, waar het in vers 1 om draait, kunnen we goed gebruiken. Zo stevig staan we niet meer in de schoenen. Maar Abraham en Mozes, dat zijn me nogal zwaargewichten. Hoe zouden die zich kunnen verplaatsen in onze twijfel over de richting die we als kerk zouden moeten kiezen? Ze zouden hun hoofd schudden over onze wankelmoedigheid, toch? Wat hebben wij aan voorbeelden, die in hopen en geloven zo ver boven ons staan?

De aanvulling van Niek Schuman op de Bijbelse geloofsgetuigen zijn ook stuk voor stuk vrouwen en mannen van statuur. Mensen over wie nog steeds met achting wordt gesproken, ook al zijn ze sinds lang gestorven. Mijn opa Rutgers staat er niet tussen. Ik heb het niet gewaagd om hem op te nemen in de stoet. Want, ja, dan komt er helemaal geen einde meer aan. Bij al die grote namen snap je nog waarom de dood geen vat op hen heeft, ook al zijn ze gestorven of vermoord. Ze waren te groot om te doen vergeten. Maar voor de meeste mooie mensen geldt dat niet. In twee of drie generaties dooft hun verhaal langzaam uit.

Maar hoe kan het dan dat ik de gezichten van wie vanmorgen zijn genoemd, terug zie in de stoet? Kijk daar: de kleine Menne Jaap op de arm van Sara. En Elske die de hemel naar beneden zingt, begeleid door David op de harp. Daar is Wil op wandelschoenen, wijzend naar de vogels waarvan ze de namen kent. En daar heb je Pie, die bij het binnen komen zingt van het nieuw Jeruzalem. Henk loopt er naast de oude Simeon. Wim leidt ze persoonlijk naar binnen en zorgt dat er niemand verloren loopt. Kijk: daar is Jan Hilles, vrij van alle angst voor hel en niemandsland, en ook Jan Harm die bij leven al gek was op optochten als deze. Ik noem ze niet allemaal. Neem van mij aan dat ze er allemaal zijn. En veel meer nog dan de namen die vanmorgen zijn genoemd. Ook de liefsten die je meedraagt in je hart en nooit voltooid verleden tijd zullen worden. En de tallozen van wie je de gezichten niet kent en de namen niet weet, maar van wie je in één oogopslag ziet: zij horen hier thuis. Geschonden én geheeld. Er komt echt geen einde aan.

III
Misschien zeg je: Ik zie helemaal niks. Er is alleen maar gemis. Dan kan zo’n beeld van een stoet geloofsgetuigen zo maar een klompendans worden door jouw porseleinkast. Alsof er over jouw gemis heen gehost wordt. Terwijl dat gemis, hoe pijnlijk ook, jou nou net verbonden houdt met wie je zo dierbaar was. Ik weet niet of we er helemaal aan ontkomen. De pijn van het gemis en de aanwezigheid van wie afwezig zijn gaan gelijk op. Het is met Bijbelse beelden net als met humor: ze zijn een lach in een traan. Wie van Bijbelse beelden waarheid maakt – ‘Zo ís het!’ ‘Zo zít het! En o wee, als je het niet gelooft..’, die heeft de klompen al aan. Ik herinner me nog de rouwende man aan de rand van het open graf. Goed bedoeld probeerde iemand hem te troosten: ‘Wil is nu in de hemel, Ab!’ Waarop hij antwoordde: ‘Maar daar ligt het lichaam waarvan ik zo gehouden heb.’ De taal van het geloof is niet bedoeld om over gemis heen te springen, maar om er midden in te gaan staan en het daar uit te houden.

Dus is de stoet die vanmorgen door de Nieuwe Kerk wandelt geen feit. Dat mensen sterfelijk zijn, dat is een feit. Soms sterven ze vóór ze het licht hebben gezien en kennis konden maken met de wereld, zoals Menne Jaap. Soms sterven ze als het lichaam alle levenservaring en wijsheid niet langer meedragen kan, zoals bij Wim Millenaar. Het houdt een keer op. Dat is een feit. Maar dat wil nog niet zeggen dat de stoet van getuigen geen werkelijkheid is. Ze kan er zo maar ineens zijn als de Bijbel haar beelden vrij geeft, waar mensen bijeen zijn die zich geen raad weten met het gemis. Niet in de hemel, aan gene zijde, als een resort voor lichaamloze zielen, die er van God mee door konden. Nee, híer. Dicht op onze huid. Dicht op ons gemis. Appellerend aan een liefde die haar bestemming is kwijt geraakt. Zoals vandaag. Bron van alle Bijbelse beelden en verhalen is een liefde die ons zoekt en weet heeft van gemis. Ze is de bron van alles. Ook van de feiten. De liefde ontkent de feiten niet. Maar ze laat zich door de feiten ook niet vangen en meten.

IV
Daar ligt ook het verschil tussen de werkelijkheid van het geloof en die van de alternatieve feiten. Er wordt wat afgelogen, zonder dat iemand er zich nog voor schaamt. Wetenschap wordt door pertinente leugens gefrustreerd. Gezond verstand wordt in dienst gesteld van complottheorieën. Of in slaap gesust door de bubbel waarin je je gevangen hebt laten zetten. Want elke klik op YouTube of Facebook is er een die de kassa laat rinkelen. De enige waarheid die over blijft is kapitaal dat zich vermeerdert. Doel dat alle middelen heiligt.

Geloof praat jou niet wat aan. Het zoekt ook niet haar eigen koninkrijkje in de hemel, omdat ze niet bestand is tegen de feiten en de wetenschap. Geloof versimpelt niet. Ze praat je niet naar de mond. Geloof voelt zich thuis tussen de vragen. Ze vlucht niet weg uit de complexiteit van de dingen. Ze zegt: ‘Jij doet er toe!’ Geloof blijft bewaard in die schat van beelden en verhalen, die met ons mee gaan, zolang we liturgie blijven vieren. Geloof blíjft, ook als jij het al lang kwijt bent. En dan zo maar ineens breekt het uit in een werkelijkheid als die hier vanmorgen. De werkelijkheid van de stoet van getuigen die door deze kerk heen wandelt. Een die niet het feit ontkent dat dood dood is, maar die het hebben kan omdat ze weet dat de liefde van de Eeuwige, eeuwige liefde is. ‘Liefde, sterk als de dood,’ zingt het Hooglied.

V
‘Geloof ondersteunt dat wat wij hopen en maakt wat wij niet zien toch zeker.’  Zo opent de schrijver van de Hebreeënbrief de optocht van vanmorgen. Zie je wel dat geloof niet iets is dat je hebt? Ze is de grond waarop je staat. En dat blijft ze, ook als jouw geloof flinterdun geworden is of verkruimelt. Zoals alles uiteen lijkt te vallen in onze dagen. Geloof is de grond waarop de Nieuwe Kerk staat en waarop de stoet van getuigen voor onze ogen langs wandelt. Als dit huis het moet hebben van wat wij aan geloof in huis hebben, dan kunnen we de tent beter sluiten. Nee, ze is de grond waarop wij twijfelen, wanhopen, verdriet hebben. Maar waar we soms ook zomaar overvallen kunnen worden door een grote vreugde van je gekend weten ondanks alles en van een rotsvast vertrouwen in God, van wie je vaak niet eens weet of die wel bestaat.

Er worden de prachtigste dingen gezegd van de geloofsgetuigen uit de stoet. Zo zeer, dat je denkt dat je je opa er niet zomaar tussen kunt zetten. Want ach, wie is je opa in vergelijking met Abraham of Mozes? En wie is je veel te vroeg gestorven zus in vergelijking met Etty Hillesum of Anna Politkovskaja? Ze kunnen niet in hun schaduw staan. O nee? Staan de grote namen dan op een andere grond dan die van geloof en liefde? Denk je nou werkelijk dat hun moed en hun hoop, hun geloof en hun liefde, van henzelf waren?

Een mooi voorbeeld in de stoet van getuigen vind ik aartsmoeder Sara. Ja, díe daar, met Menne Jaap op de arm. Heb je goed gehoord wat daar allemaal over haar gezegd wordt? ‘Door geloof vond Sara de moed en de kracht om, zo oud als zij was, te blijven geloven in de toekomst van haarzelf en het kind dat zij toch nog ter wereld zou brengen. Zij had een belofte en hield zich eraan en vertrouwde het woord van de Eeuwige, zodat uit mensen die afgeschreven waren een volk werd geboren waarvan men zegt: ze zijn zo talrijk als zand van de zee!’  Heb je gezien hoe zij loopt te blozen? Want was zij het niet die schamper lachte toen de belofte werd gedaan? Zij, die zeker wist dat het niet meer kon, omdat feiten nu eenmaal feiten zijn en zij ook niet gek is. Ja, dat was Sara! ‘Door het geloof vond ze de moed en de kracht om, zo oud als ze was, te blijven geloven in de toekomst..’ Duidelijk toch dat zij gevoed werd door de grond waarop zij staat: het geloof dat uit God is en niet het kunstje van een vrome wereldvreemde ziel.

VI
Zo vervolgen wij onze weg. Met het gemis en het verdriet om wie ons zo lief zijn. Maar ook in het geloof dat de stoet van vanmorgen weer voorbij zal komen, zo lang wij hier de schriften blijven openen. Zij zullen niet thuis komen zonder ons. Met de slotwoorden van de schrijver: ‘Laten wij daarom ons bij hen aansluiten, alle ballast die ons hindert van ons weg doen en met volharding op onze beurt doorgaan.’

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.