Preek van de week – 8 november ’20

Matteüs 25, 14 – 30

I
Een vriend van mij is scout bij FC Twente. Hij heeft zo zijn informanten in de regio. ‘Dat is een goed voetballertje. Daar moet je echt eens naar gaan kijken.’ Een goede scout ziet het verschil tussen een goed voetballertje en een talent. Dan is het vervolgens de kunst om het talent binnen te hengelen in de jeugdopleiding. En het zien vast te houden met aandacht en met goede begeleiding. Zo legt een profclub een basis voor de toekomst.

Ik hoef u niet uit te leggen wat talenten zijn. Je hebt ze in alle soorten en maten. Pietertje uit de reclamespot had geen talent voor voetbal (‘Je kunt het echt niet, hè Pietertje?’), maar voor zwemmen des te meer. Hij won meerdere malen goud op de Olympische spelen.

Maar talent betekent nog iets anders. Die ene kent u nu wel. Talent als gave. Misschien bent u er wel mee opgevoed, dat je moet woekeren met je talenten. Talent alleen is niet genoeg. Je moet het kunnen en willen ontwikkelen. Alleen dan komt er uit wat er in zit. Je hoort in dat woekeren de echo van deze gelijkenis.

Bij die andere betekenis sta je minder stil. Terwijl die wel de oorspronkelijke is. Een talent is een niet misselijke som geld. Eén talent stond gelijk aan vijftien keer het jaarsalaris van een arbeider. Daarover heeft Jezus het in de gelijkenis. Die andere overdrachtelijke betekenis is inlegkunde. De heer, die op reis gaat, geeft zijn kapitaal in handen van zijn dienaren. Twee van de drie gaan er mee de markt op, zonder dat het ze gezegd hoeft te worden. Ze weten wat hen te doen staat. Geld maakt immers geld, voor wie een beetje durft. Geen onbekend verhaal  in het profvoetbal. Er zijn voetballers die in één maand vijftien keer het jaarsalaris van een arbeider verdienen. En met het verhandelen van een doorgebroken talent kan een club een flinke klapper maken. Vijf talenten worden er dan zoals in de gelijkenis gemakkelijk tien.  Zo komen beide betekenissen in het voetbal bij elkaar. Talent betaalt zich uit.

II
Er is iets dat wringt in deze gelijkenis van Jezus. Het voelt niet goed, zeggen we dan. De gelijkenissen in dit hoofdstuk van Matteüs – die van de dwaze en de wijze meisjes, deze van de talenten en die van de bokken en de schapen – gaan over de komst van de Mensenzoon en het over aanbreken van het grote feest op Gods dag.

Wij leven in een tijd dat alles gereguleerd wordt door het grote geld. Dat willen we natuurlijk niet. En daarom leven we ons leventje alsof het niet zo is. Daarom is die tweede betekenis van talent als gave ook zo dominant geworden. We willen niet dat die eerste betekenis van talent als kapitaal het voor het zeggen heeft. Wat natuurlijk wel zo is. Of een kind de kans krijgt om zijn talenten te ontplooien, is wel degelijk afhankelijk van zijn sociale status en de economische context. In de kerk roepen we dat het geld de inhoud moet volgen. Maar dat roepen we vooral omdat we bang zijn dat het feitelijk anders ligt.

Daarom stappen we in de uitleg van de gelijkenis ook te snel over op wat wij dan de diepere betekenis ervan noemen. Maar stel nou eens dat in onze tijd het grote feest van God staat te gebeuren, dan doen we het toch goed als we de oorspronkelijke betekenis van talent vasthouden. We maken van twee talenten vier en van vijf talenten tien. En wil je die wetmatigheid perfectioneren, ga dan te rade bij techreuzen als Google, Facebook en Amazon. Zij woekeren met hun talenten. Zij maaien waar zij niet gezaaid hebben, zoals die nietsnut uit de gelijkenis het zo mooi zegt. Je hoeft niet eens in God te geloven om te zien dat hij bestaat. God is nog nooit zo overal geweest als vandaag. Hij is het kapitaal geworden. Doe wat het zegt en ‘kom binnen in de vreugde van je heer!’

Deze gelijkenis voelt niet goed. Ze is een profetie die uitgekomen is. ‘Je kunt niet God dienen en de Mammon,’ zei Jezus. En zo is het. Daarom is God weggespeeld door de geldgod. Opgekocht, zou je kunnen zeggen. Zijn sterke punten zoals troost en bemoediging worden meegenomen in een nieuwe wereldwijde almacht. Handig om de bikkelharde lege blik mee te verhullen. Zegen en economische voorspoed zijn identiek geworden. Helemaal gek geworden zijn die mega evangelische kerken, die economische voorspoed beloven aan haar gelovigen, ook weer niet.

Ja, maar dat geloven wíj toch niet? Zo zit het niet!, protesteren wij. Misschien hebben we gelijk. Zonder te weten waarom. Wat zou dat een zegen zijn voor al die broers en zussen van ons die wereldwijd aan het kortste eind trekken. Al die op drift geraakte jonge mensen, die wel mee willen in het succesverhaal, maar buiten de deur gehouden worden. Of het ook voor ons een zegen is, is maar de vraag. Wij leven nog steeds met de Mammon én met God. We zoeken troost bij de laatste en vinden welvaart bij de eerste. Wij dienen beide. En we denken dat dat kan. We maken de Mammon gewoon wat kleiner dan hij in werkelijkheid is. Omdat ons dat goed uitkomt. En omdat er met de waarheid gewoon niet goed te leven valt.

III
Net zoals we te snel de oorspronkelijke betekenis van talent als kapitaal loslaten en de overdrachtelijke betekenis als gave omarmen, zo kijken we wat mij betreft ook te snel weg bij die slechte en slome slaaf, die het talent dat hem door zijn meester was overhandigd in de grond verborg. Je identificeert je met die ene die vijf talenten in beheer kreeg en zijn stinkende best heeft gedaan en die uiteindelijk bij terugkomst van zijn heer hem tien talenten kon overhandigen! Wat een glorie voor jou. Nooit durven dromen dat je het in je had. En zeker niet dat jij ooit zo’n kapitaal in beheer zou krijgen. Wat een genade! Of je identificeert je met die ander die twee talenten in beheer kreeg. Een beetje minder risico ligt je wel. Je hoeft niet zo nodig het onderste uit de kan. Dan ben je op je best. Maar ondertussen even trouw en uitstekend als die grootverdiener. Twee talenten werden er vier. Zolang je je maar niet die ene bent.

Wat mij triggert is dat er in de gelijkenis evenveel aandacht uitgaat naar die slechte slome slaaf als naar die twee uitmuntende dienaren samen: vier verzen tegenover twee en nog eens twee. Je zou dat kunnen uitleggen als een waarschuwing van Jezus aan het adres van iedereen die het waagt om niets te doen met wat God jou aan mogelijkheden heeft gegeven. Verzaak niet! Anders eindig je in de buitenste duisternis waar het geween is en het geknars van tanden. Dat is die ziek makende dubbele boodschap waarmee velen zijn opgegroeid: God houdt van je, maar o wee, pas op!

Ik wil een andere kant op met de uitleg dat er eeuwige zegen rust op het woekeren met de talenten die God jou heeft gegeven. Er is een andere reden waarom er zo veel aandacht uitgaat naar die nutteloze slaaf. De zelfde reden waarom er in de gelijkenis van volgende week alle aandacht uitgaat naar die ene die hongert, die ene die dorst heeft, die ene die gevangen is gezet, die vreemdeling die een thuis zoekt, die zieke. ‘Ik verzeker jullie: alles wat jullie voor een van deze onaanzienlijken hebben gedaan, hebben jullie voor mij gedaan,’ zegt de koning van de eindtijd. Zou het kunnen dat Jezus zich in de gelijkenis van vandaag identificeert met die nutteloze slaaf? We krijgen vier verzen de tijd om hem in die slaaf te herkennen.

‘Heer, ik heb u leren kennen als een hard mens die oogst waar u niet hebt gezaaid en bijeenbrengt vanwaar u niet hebt uitgestrooid,’ zegt hij. Hij houdt zijn heer een spiegel voor waarin die niet gewend is om te kijken. Zo zie ik u. Dit bent u vanuit mijn perspectief. Ik tel niet. Alleen wat u aan mij verdient, telt voor u. ‘U bent een graaier,’ zegt hij met zoveel woorden. ‘U lijkt als twee druppels water op de Mammon.’

En hij vervolgt: ‘Ik huiverde, ben weggegaan en heb uw talent verborgen in de grond: zie, hier hebt u het uwe.’  Stel nou dat die huiver identiek is aan wat in de ‘tale Kanaäns’ de vreze des Heren genoemd wordt, dat diep doorleefde ontzag voor de Heilige van Israël, dan is het weggaan en het verbergen van het talent in de grond een daad van burgerlijke ongehoorzaamheid. De slaaf onttrekt zich aan het gezag van de meester, het gezag van de Mammon.

Die laat direct zijn ware gezicht zien: ‘Je kent me. Je had mijn zilverstukken naar de bank moeten brengen. Dan had ik er nog rente over ontvangen.’ Dat klinkt redelijk, toch? Voor ons, ja. Hoewel. Wie niet zo van het beleggen is, kan net als die slaaf vandaag beter de spaarcenten ergens verstoppen, dan naar de bank brengen. Maar daar gaat het nu even niet over. Ons denken over kapitaal en winst wordt gestuurd door de eisen van de Mammon. Zo niet bij deze slaaf uit Israël. Hij weet dat de Thora verbiedt om rente te vragen. Want rijkdom wordt niet vanzelf groter. Dat meer wordt elders weg gehaald. Slaven moeten het verdienen. Landarbeiders wordt loon onthouden. De aarde moet er voor boeten. Geen rente dus! ‘Want je zult gedenken dat je slaaf geweest bent in het land Egypte en dat de Ene je daar vandaan heeft weggehaald.’ Deze ene slaaf kent een andere meester dan de Mammon.

IV
Deze nutteloze slaaf wordt er uit gegooid, de buitenste duisternis in. Want wees eerlijk, er bestaat toch geen stukje wereld waar de Mammon het niet voor het zeggen heeft? Zijn macht strekt zich uit tot de einden der aarde en tot in het hart van elke wereldbewoner. Daarbuiten is het geen leven.

Ware het niet dat Christus die buitenste duisternis heeft opgezocht. Daar waar die nutteloze slaaf zich bevindt en al zijn broers en zussen, voor wie het geen leven is in de dictatuur van de Mammon. Christus stierf daar. Vermoord om zijn liefde voor al die broers en zussen én om zijn trouw aan de Thora. Dáár is gebeurd wat zich nooit in theologische redeneringen laat vangen. Dáár heeft God hem opgewekt. Waar geen plek was, daar schiep God nieuwe aarde onder zijn voeten. Niemand anders dan God. Dáár brak de zondag aan. Dáár werd het Pasen.

Uit de duisternis treedt de Mensenzoon tevoorschijn als koning van de eindtijd. De nutteloze slaaf, die buiten geworpen was, keert terug als heer van deze wereld. En pas dan is er alle ruimte om de gelijkenis van de talenten ook in overdrachtelijke zin te lezen. Waarin talenten niet langer kapitaal representeren, maar gaven zijn waarmee de Eeuwige ons gezegend heeft. Gaven die we mogen ontplooien om het leven te dienen op de nieuwe aarde. En die niet bedoeld zijn om onszelf ermee te verrijken.

V
De kerk is een plek van licht, een ruimte van genade waar ieder mens welkom is die niet meer in staat is zijn eigen licht te maken. Of die het niet meer wil. Hier is Christus de gastheer, met de wonden van de wereld in zijn opstandingslichaam. Door hem zijn wij onttrokken aan het gezag van de geldgod Mammon. Laten wij daarom stoppen met het hinken op twee gedachten, met het sparen van de kool en de geit.

Dit is een plek van herverdelen en van vieren dat Christus koning is. Een plek waar wij ons verbonden weten met alle mensen die het niet meer trekken. Een goede reden om uw oude sok hier te legen. ‘Voor geld weet de kerk mij wel te vinden,’ heb ik menigeen horen mopperen. Er zijn minder goede redenen om u als kerk aan uw jasje te trekken.  

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.