Preek van de week – 6 september 2020

I

“We hebben God geschrapt uit ons spreken over goed en kwaad en dat is een probleem” dat stelt Beatrice de Graaf in haar essay ‘Heilige Strijd’. 

Omdat de vraag naar het kwaad steeds minder in verband wordt gebracht met de vraag naar God wordt er, volgens haar, steeds meer in absolute termen over het kwaad wordt gepraat. Maar met als gevolg dat het als snel voelt alsof er geen uitweg of verzoening meer mogelijk is. En als er dan al oplossingen zijn, zo zegt de Graaff, dan zijn die vaak zelf ook onderdeel van het kwaad. Het kwaad wordt met kwaad bestreden.

Hoewel de Graaf het allereerst heeft over het kwaad op grotere schaal, en de gevoelens van onveiligheid die veel mensen in deze tijd ervaren, denk ik dat het op kleinere schaal vaak niet zo anders is. We worstelen in onze omgang met kwaad, met zonde, niet in het minst met de begrippen zelf.

Maar ook concreter komt de vraag omhoog: hoe we reageren op kwaad in onze eigen omgeving of op mensen die ons of andere kwaad aandoen? Hoe reageren we op een manier die laat zien dat het kwaad of slecht handelen van mensen ons niet onverschillig laat, maar die ook constructief is? Hoe vinden we een gezonde balans tussen een veroordeling van dat wat verkeerd is, zonder daarmee direct de ander te veroordelen? Durven we daar soms onze eigen comfort zone voor te verlaten,

maar zijn we op andere momenten ook in staat om het weer los te kunnen laten?

In de teksten die we vanochtend lazen komen die vragen ook aan de orde. En het zijn nogal grote vragen, die we daardoor soms maar liever even parkeren. Het uit de weg gaan van een confrontatie voelt toch al snel als de veiligste of beste weg.

Het is vaak al een uitdaging om op momenten gezond kritisch naar onszelf en ons eigen leven te kunnen kijken, laat staan dat we ons naar de ander durven uit te spreken.

En toch die beladenheid, dat ongemak, klinkt in de teksten minder door. Misschien wel omdat het in de gedeelten die we lazen niet zozeer gaat om een confrontatie of afrekening, maar om een mogelijkheid tot verandering en omkeer. Maar wat vertellen deze teksten ons dan precies? Wanneer het gaat om de reactie op het kwaad wat we in onze omgeving kunnen tegenkomen of op mensen die ons kwaad doen, lijken de teksten een aantal vingerwijzingen te geven.

II

Allereerst wijzen de teksten uit Ezechiël en Mattheüs op het belang van het je durven uit spreken tegen het kwaad, tegen dat wat het goede leven of het plan van God in de weg staat. En op het belang van het aanspreken van onszelf én elkaar

wanneer ons handelen dat goede leven belemmert of zelfs tegenwerkt.

Nu zou je denken dat we als directe Nederlanders daar niet zoveel moeite mee hebben. En toch zijn we meestal huiverig om onze nek uit te steken of om de ander aan te spreken. Vaak terecht… absoluut! Want niets is zo vervelend als iemand die het altijd beter weet. En hoe beschamend is het niet dat de kerk voor veel mensen eerder gelijk staat aan een veroordelend instituut, met allerlei regels over wat wel of niet zou mogen, dan als een gemeenschap van liefde,  die iets laat zien van het goede leven, van God zelf.

Maar… hoewel terughoudendheid hierin dus ontzettend belangrijk is en vaak getuigd van goede intenties, zijn het soms ook andere dingen die ons tegenhouden,  zoals angst, ongemak of misschien onverschilligheid. Dan kan zelfs het gevaar ontstaan dat conflictvermijding, dan wel onverschilligheid, goedgepraat worden onder het mom van ‘het bewaren van de lieve vrede’. Maar in confrontatie met onrecht, met kwaad, of het lijden wat daar het gevolg van is, volstaat dat niet. Stilzwijgen is dan misschien wel destructiever dan een confrontatie.

Maar hoe doen we dat dan op een goede manier? En niet door te pas en te onpas maar te roepen wat er mis is of verkeerd gaat in de samenleving of de kerk. Niet door Jan en alleman maar te confronteren met hun gebreken of mensen publiekelijk te wijzen op de fouten die ze maken. Nee, in de teksten wordt duidelijk dat het niet gaat om veroordeling, maar telkens weer om een roep en kans op verandering.

In Ezechiël staat “Kom toch terug van de heilloze weg die jullie zijn ingeslagen, keer om!” En in Mattheüs wordt er achtereenvolgens op drie verschillende manieren gezocht naar verzoening. Eerst privé onder vier ogen, als dat niet lukt met twee getuigen (misschien ook wel bemiddelaars) erbij en pas tot slot voor de gehele gemeente. Opdat er sprake zal zijn van eensgezindheid, want “waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben ik in hun midden”.

III

Daarnaast plaatsen de teksten de verantwoordelijkheid dichtbij. Ezechiël wordt als profeet aangesproken op zijn rol als wachter voor het volk van Israël. Gods volk wat was geroepen op van hem te getuigen, om het goede leven met God uit en voor te leven. Maar blijkbaar was het volk de verkeerde weg ingeslagen en van dat goede leven was nog maar weinig te zien. In het hoofdstuk erna wordt het volk met schapen vergelen die ronddwalen en haar leiders met slechte herders, die zieke dieren niet hebben genezen, gewonde dieren niet hebben verbonden en de verdwaalde dieren niet hebben gezocht.

Maar hier wordt Ezechiël, zoals een wachter die op de muur staat om de stad te waarschuwen wanneer er vijanden in aantocht zijn, opgeroepen om het volk en haar leiders te waarschuwen dat ze op de verkeerde weg zitten. Een weg die weg loopt van dat goede leven, van het plan wat God met hen en de wereld voor ogen had.

In Mattheüs zien we hetzelfde. In een hoofdstuk wat spreekt over waar het koninkrijk zichtbaar wordt, wordt opgeroepen tot eenheid en vrede. Maar wordt men ook opgeroepen elkaar te blijven herinneren en te bepalen bij de roeping om het goede leven uit en voor te leven. Je broeder of zuster aan te spreken wanneer hij of zij zondigt, ja dat goede leven belemmert.

Terug naar het hier en nu. Wanneer het dus gaat om het je uitspreken tegen het kwaad, tegen dat wat het goede leven teniet doet, dan begint dat bij onszelf,

begint dat in de christelijke gemeenschap. In het gedeelde verlangen naar Gods koninkrijk van vrede en recht en het verlangen om daaraan bij te dragen, mogen we elkaar helpen, aanmoedigen en ondersteunen. Daarin hebben we naar elkaar toe zelfs een verantwoordelijkheid.

Dat betekent dus ook dat we elkaar durven waarschuwen en aanspreken wanneer we afdwalen, of Gods koninkrijk uit het oog verliezen. Niet als een veroordeling of om te laten merken dat we beter zijn dan de ander, maar om elkaar mee te nemen in dat goede leven. Met die woorden uit de brief aan de Romeinen voor ogen: “laat uw liefde oprecht zijn, verafschuw het kwaad en wees het goede toegedaan”.

IV

Wanneer we dat voor ogen houden en dit steeds meer werkelijkheid wordt in ons leven en in de gemeente, dán ontstaat er ook ruimte om individueel, samen, of als kerk, breder een geluid te laten horen wat zich verzet tegen onrecht, kwaad en lijden. Een stem die opkomt voor de armen, de vreemdelingen of de machtelozen,

voor wie het goede leven nog geen realiteit is.

Ten diepste is kwaad namelijk iets waar God zelf de strijdt mee aanbindt en waar we ons als mensen dus ook niet bij kunnen en mogen neerleggen. Toen ik in India theologie studeerde leerde ik dat in confrontatie met diepe structurele armoede barmhartigheid belangrijk is, maar tegelijk nooit kan zonder een actieve inzet voor verandering en rechtvaardige systemen en structuren. Persoonlijk en als kerk, zijn we er niet om over andere te oordelen, maar wel om mee te bouwen aan die rechtvaardige structuren, om handen en voeten te geven aan het goede leven en toe te werken naar het koninkrijk van God wat gekenmerkt wordt door vrede en recht. Dat is iets wat vraagt om liefde, onderscheidingsvermogen en fijngevoeligheid, maar ook om durf en standvastigheid.

Een durf en standvastigheid die volgens mij niet los staat van de vreugde en de hoop waar Romeinen het over heeft. Het is die hoop dat het onrecht God niet onbewogen laat, maar dat hij er ten diepste zelf de strijd mee aan bindt.

Want wat kan de confrontatie met diep kwaad soms moedeloos maken. En wat een machteloosheid brengt het met zich mee wanneer het onrecht afkomstig is van hen die alle macht in handen lijken te hebben. Maar ook dichterbij huis kun je die machteloosheid ervaren wanneer je een geliefde verkeerde keuzes ziet maken

of ziet worstelen met destructieve gewoontes of relaties. De zorgen die daarmee gepaard gaan kunnen als onze energie opslokken.

In die ervaring dat we zo graag iets zouden doen, maar we niets meer kunnen doen, voelen we ons soms gedwongen los te laten. En hoewel er het besef kan zijn dat dat het beste is, is er niet veel moeilijker dan dat.

Maar in die ervaring, vinden we in de tekst uit Romeinen nog een weg, de weg van gebed, ‘bid onophoudelijk’ staat er. Niet als een laatste mogelijkheid of als een manier om onze kop in ’t zand te steken, maar als een manier om onze zorgen en vragen bij God te brengen en ze voor hem neer leggen.

Op die momenten dat het kwaad sterker lijkt dan het goede en we ons machteloos voelen, dan hoeven we ons verlangen naar verandering of verlossing niet los te laten, maar mogen we het voor God neerleggen, in de hoop dat Hij met ons is en niet los laat.

Het is vanuit die hoop dat we misschien ook iets kunnen met die uitdagende woorden aan het eind van Romeinen 12 “laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede”. Een uitweg die zelf niet onderdeel is van het kwaad, maar omkeer mogelijk maakt. Soms kan het voelen als de schijnbare druppels op de gloeiende plaat, maar niet zelden blijkt dat daar de katalysator voor verandering te vinden is. Het is nooit een vanzelfsprekende of makkelijk weg,

maar wel een weg in navolging van Christus zelf. Een weg waarop al kleine lichtpuntjes van verlossing en vernieuwing zichtbaar mogen worden.

Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.