Preek van de week – 29 augustus ’21

Een overweging bij Johannes 6: 60-71

Gemeente van Christus,

Met onze evangelie lezing van vandaag vallen we midden in een betoog. Of misschien nog beter gezegd: het is een beetje alsof je bij een seminar of college de hele lezing en uitleg hebt gemist en pas binnen komt vallen op het moment dat het tijd is voor vragen of reacties. En dan is het eerste wat je opvangt: “Dit zijn harde woorden, wie kan daarnaar luisteren?” Dat wekt dan logischerwijs niet veel vertrouwen voor wat daaraan vooraf is gegaan.

En dus is het misschien goed om eerst maar eens samen uit te zoomen en terug te kijken naar het geheel van hoofdstuk 6. Want het begin van dat hoofdstuk doet alles behalve deze reactie vermoeden. Dit hoofdstuk, wat als onderwerp ‘het teken van het brood’ heeft meegekregen, begint namelijk met het verhaal waarin Jezus een menigte van meer dan 5000 mensen voedt met vijf broden en twee vissen. De reactie van de menigte is vervolgens ronduit enthousiast. ‘Hij moet wel de profeet zijn die in de wereld zou komen’ zeggen ze.

Maar wanneer er de volgende dag een gesprek ontstaat tussen Jezus en de menigte, waarin Jezus zichzelf kenbaar maakt als het brood dat uit de hemel is neergedaald – het brood dat werkelijk leven geeft – en vervolgens ook nog eens daaraan toevoegt dat Hij zijn lichaam en bloed – het ware voedsel en de ware drank – zal geven voor het leven van de wereld, dan verandert langzamerhand deze enthousiaste reactie en lezen we dat een deel van de menigte begint te protesteren. De reacties zijn dus verdeeld en Johannes zet ze beide neer, hier aan het eind van dit hoofdstuk. Daarmee eindigt hij als het ware ook met een vraag aan de lezer toen en aan ons nu: ‘wat is jouw reactie?’ Want dat die woorden om een reactie vragen is wel duidelijk.

En volgens mij heeft dat precies te maken met de manier waarop Jezus zichzelf hier kenbaar maakt. Jezus kiest er namelijk voor om zichzelf niet als idee of concept te presenteren – een theorie waar je over kunt debatteren – maar in plaats daarvan presenteert hij zichzelf als ‘voedsel’. Zo gezegd klinkt dat wat vreemd, maar eigenlijk is het een prachtige metafoor. Want voedsel lust of je lust het niet. Het smaakt dan wel goed of niet goed. Voedsel verteer je, je kauwt erop en je neemt het tot je. Het is onmisbaar. Zo beslaat voedsel een veel groter veld dan alleen een idee. Eten is nooit passief of iets waar je je slechts theoretisch toe verhoudt. Je kunt het niet op afstand houden, maar neemt het tot je zodat het je kan voeden.

Allemaal beseffen we ook dat er een verschil is tussen het eten van goed voedsel en slecht voedsel. Wanneer je iets hebt gegeten wat niet meer helemaal goed was kan je maag nog dagen van slag zijn. En voldoende vitamine in ons voedsel is, zonder dat we het soms bewust beseffen, van levensbelang.

En zo presenteert Jezus zich dan hier, in dit hoofdstuk, als levend brood; brood dat uit de hemel komt; brood van eeuwig leven – ofwel goed voedsel. Wanneer we dat voedsel tot ons nemen vult het ons en verandert het ons. Jezus zelf zegt een paar verzen eerder: “Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik hem”.

We kunnen het wel eens zeggen: ‘Je bent wat je eet’. En hoewel dat soms op hele problematische manieren kan worden gebruikt, gekoppeld aan allerlei vooroordelen,  heeft het hier in deze context wel iets heel moois. Wanneer we Christus – en zijn woorden en leven – tot ons nemen als voedsel, waardoor we ons laten voeden en vormen, dan delen we in Hem.

Dat is geen nieuw idee. Augustinus schreef er in de derde eeuw al over. In zijn beschrijving over wat er gebeurt tijdens de Eucharistie, het delen van brood en wijn. Hij zegt: “Wanneer u de Eucharistie werkelijk ontvangt, bent u wat u eet. Aangezien u het lichaam van Christus bent en zijn delen, is het uw geheimenis wat u ontvangt. Als u ter communie komt, hoort u de woorden: ‘Het lichaam van Christus’ en u antwoordt ‘Amen’. Wees daarom leden van Christus, opdat uw ‘Amen’ waar mag zijn. Wees wat u ziet, Ontvang wat u al bent”. Volgens Augustinus worden we door de Eucharistie gevoed in wat we al zijn. God heeft zich al aan ons verbonden in de doop, in geloof zijn we al één in Christus, maar iedere keer dat we het brood ontvangen groeien we in dat gedeelde leven van Christus en worden we meer en meer wie we al zijn en hoe God ons heeft bedoeld.

Op een bijzondere manier wordt dat dus zichtbaar en heel tastbaar in delen van brood en wijn, maar volgens mij vertaalt dit door naar ons hele dagelijkse leven en hoe we ons daarin laten vullen en vormen door Christus; door zijn woorden, zijn leven en voorbeeld, door zijn bevrijding. En zo klinkt door de verschillende reacties die we in onze lezing tegenkomen ook een vraag aan ons. Dat leven gevende brood, wat bevrijdt en vernieuwt, nemen we dat aan, nemen we het tot ons? Durven we ons erdoor te laten vullen en veranderen?

Of staan we misschien toch dichter bij die twijfelende menigte, die zegt “dit zijn harde woorden, wie kan daarnaar luisteren?” Het is geen al te best beeld wat Johannes van ze schetst, hij zet ze neer als mopperaars geïrriteerd door de woorden van Jezus. Mensen die, in de lijn van ‘je bent wat je eet’, blijkbaar slecht voedsel tot zich hebben genomen.

Met dat soort mensen associëren we ons toch liever niet? En toch lijken we soms misschien meer op ze dan we zouden willen toegeven. Want ook vandaag de dag is er nogal wat slecht voedsel wat we tot ons kunnen nemen. Voedsel wat ons achterdochtig maakt of vult met negativiteit, cynisme of eenzijdigheid. Er is zoveel in onze maatschappij wat onze aandacht vraagt. Steeds meer producten, bedrijven en leiders die van alles beloven en om onze loyaliteit vragen. En we worden overspoelt door informatie, meningen en ideeën.

Dat dit ons vormt kan niet anders en is misschien ook niet volledig te voorkomen, maar zijn we ons ervan bewust? Al die stemmen en beloften wat doen ze met ons? Hoe worden wij gevormd door dat we tot ons nemen? Maakt het ons wijzer, verdraagzamer, liefdevoller naar onszelf en onze naaste? Of maakt het ons tot klagende, egoïstische of angstige mensen, die negatief praten over anderen of zich distantiëren van dat wat niet in ons straatje past? Kijkend naar de wereld die zo snel verandert en waar we als mensen soms steeds verder verwijdert lijken te raken van elkaar, de aarde, God en onszelf, kan het soms ook bezorgd maken. In wat voor wereld groeien mijn kinderen op?

Maar dan te midden van al die stemmen klinkt nog een stem. De stem van Jezus die zegt: “Ik ben het brood wat leven geeft”. Een hoopvolle, levende, positieve stem – goed voedsel. Een stem die wijst op een andere toekomst.

Maar zoals we ons niet passief kunnen verhouden tot voedsel, maar het tot ons nemen, erop kauwen, verteren en ons door laten voeden en vernieuwen, zo geldt dat ook voor deze stem, die ons in beweging wil zetten. Jezus’ woorden waren liefdevol, bevestigend, verbindend, maar soms ook verassend scherp. In zijn kritiek op de farizeeën en hun schijnheiligheid of op zijn discipelen wanneer die wedijverden wie nu de belangrijkste was. Maar ook in zijn oproep om elkaar te dienen, steeds opnieuw weer te vergeven of weg te geven van wat je hebt.

Hij zei “Ik ben het brood wat leven geeft” – eeuwig leven, goed leven. Dat was het leven was Hij zelf liet zien en Hij roept ons op hem daarin na te volgen, om zijn brood tot ons te nemen, opdat we dat goede leven gaan zien en smaken.

En toch die weg is niet de makkelijkste en zijn oproep kan confronterend zijn. Misschien zelfs moeilijk verteerbaar wanneer we beseffen dat het in de realiteit van ons leven er nog zo vaak anders uit ziet. Dat is misschien ook wel waar het antwoord

van de menigte vandaag komt “deze woorden zijn hard, wie kan daarnaar luisteren”. Je zou het ook wel kunnen vertalen met: ‘dit is moeilijk verteerbaar’. Die menigte die eerst nog zo onder de indruk was van Jezus zag hier plots een mens, kwetsbaar en zwak, die het opeens had over het breken en delen van zijn lichaam. Hij sprak over je leven geven voor de wereld in plaats van dat Hij zich als machtige leider in de wereld presenteerde. Dat was niet hun verwachting van de Messias. Deze woorden waren te radicaal en verontrustend, ze confronteerde hen met zichzelf. Want: ‘Wees wat je ziet, je bent wat je eet’.

Maar Jezus gaat hun ongemak niet uit de weg en vraagt hun op de man af “ergeren jullie je hieraan?”. Voor een deel is de ergernis, teleurstelling of confrontatie inderdaad te groot. Ze waren vooral bezig geweest met wat Jezus voor hen kon doen, maar niet met wie Hij was, naar welke toekomst Hij verwees en wat dat ook van hen zelf zou vragen. En dus was het makkelijker om maar weg te gaan.

Dan zien we hoe Jezus zijn blik op de twaalf discipelen richt en vraagt: “willen jullie niet ook gaan?”, waarop Petrus antwoord met een belijdenis: “Naar wie zouden we moeten gaan, Heer? U spreekt woorden die eeuwig leven geven (goed leven), en wij geloven en weten dat u de heilige van God bent.”

Misschien spreken we deze woorden wel met Petrus na of zouden we dat graag willen, maar misschien voelt dat ook wel heel groot, omdat er nog zoveel is wat we nog niet begrijpen of omdat we onszelf afvragen of we het wel waar kunnen maken. Maar dat is ook niet wat Jezus van ons vraagt. We hoeven het niet allemaal in kannen en kruiken te hebben of in staat zijn om het prachtig te verwoorden. Jezus vraagt alleen van ons om de stap te zetten en te delen in het levende brood wat Hij biedt. Want delend daarin mogen we ons er door laten voeden, vernieuwen en veranderen.

Ook Petrus zelf had ook nog lang niet alles begrepen. Zijn belijdenis garandeerde geen voorbeeldig leven of een makkelijk toekomst, als we het vervolg mogen geloven.  Maar zijn woorden ‘Waar zouden wij anders heen gaan?’ illustreren iets. Petrus had iets geproefd, iets nieuws wat anders smaakte, een voorproefje van een nieuwe werkelijkheid. En ergens diep van binnen besefte hij: ‘hier moet ik zijn, hier is het eeuwige leven, het goede leven te vinden’.

Meer dan een grootste, imponerende belijdenis, worden ook wij uitgenodigd en gevraagd om net als Petrus te proeven en te smaken van het leven met Christus en Gods koninkrijk. Om van daaruit, met wat we hebben ervaren en geproefd, te delen en toe te leven naar dat goede leven; Gods nieuwe wereld. Want zoals Jezus zichzelf niet als abstract idee presenteert, maar als tastbaar, leven brood, zo worden ook wij niet gevraagd om een abstracte theoretische belijdenis, maar een belijdenis die zichtbaar wordt in ons geleefde leven. Geloof en hoop wat zichtbaar wordt in onze liefde.

Ook jullie als ouders mogen daar je kinderen in voorgaan door hen daarvan van te laten proeven. Van de hoop, liefde en ontferming die bij God zichtbaar wordt. Net zoals we dat als gemeente voor elkaar mogen doen. Uiteindelijk is het God die zichzelf al eerst aan ons verbindt, wat zichtbaar wordt in het water van de doop, maar we groeien blijvend in het leven verbonden met Hem door te delen in het levende brood, door het goede voedsel tot ons te nemen en in ons haar werk te laten doen.

Amen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.