Preek van de week – 25 oktober 2020

Door Alexandra Matz

Gemeente van Christus,

De lezing van vanochtend neemt ons mee naar zo’n vijfentwintig eeuwen geleden aan “het begin van de zevende maand” Een tijdstip dat ons misschien niet direct heel veel zegt, maar voor Joden is het begin van de zevende maand tot op de dag van vandaag “Rosh ha Shana”, ofwel Joodse nieuwjaarsdag.

Weet u nog waar u met oud en nieuw was? Wij hadden die avond een feestje met vrienden, thema: de “roaring twenties”. Achteraf bezien misschien een tikkeltje ironisch: de roaring twenties van de vorige eeuw volgden juist op de wereldwijde uitbraak van de Spaanse Griep, voor ons kwam de pandemie achteraf.  De kater kwam later, maar hij is gearriveerd.

Van alle dingen die ons vanochtend hier in de Nieuwe Kerk scheiden van dat volk bij de Waterpoort in Jeruzalem, is het verschil in stemming misschien wel de grootste.

Bij de Waterpoort is het feest. Hun nieuwjaar is in alle opzichten een nieuw begin. De zon gaat die ochtend op over een herbouwde stad.

Bij ons is de sfeer deze dagen wel wat anders. Soms voelt het misschien meer alsof de dingen om ons heen aan het afbrokkelen zijn. Geen hoopvol nieuw jaar, maar een virusuitbraak, lege kerken, volle ziekenhuizen, en een zware economische recessie in het verschiet. De vluchtelingen op Lesbos confronteren ons met de grenzen van onze idealen, een klimaatramp lijkt steeds meer onafwendbaar.

Terwijl zo veel om ons heen op losse schroeven staat, zijn mensen op zoek naar een verhaal dat verklaart hoe het zo ver heeft kunnen komen. Soms neemt die zoektocht de vorm van rare hersenkronkels en complottheorieën aan, maar de behoefte aan een sluitend verhaal is helemaal niet gek. We hebben er behoefte aan om de situatie te duiden. De Engelse taal kent hiervoor de uitdrukking “to make sense of something”, letterlijk “ergens zin van maken”, en dat raakt denk ik precies aan waar het om gaat: er iets zinvols van maken, zingeving. Wij hebben behoefte aan een verklarend verhaal, waar wij ons in kunnen positioneren, waarin wij een plek hebben. Ten diepste gaat het denk ik om de vraag: Wat is ons verhaal? Wat is onze rol in dat verhaal? Waar staan wij voor, waar willen wij voor staan? Wat is onze identiteit? Kortom: Wie zijn wij?

En wat dát betreft verschillen we niet zo gek veel van de mensen die ochtend vijfentwintig eeuwen geleden bij de Waterpoort. Hun toekomstperspectief mag dan wel rooskleuriger lijken dan dat van ons, maar hun verleden is dat zeker niet.

Even een terugblik: bijna honderd jaar voor de gebeurtenissen uit de lezing was het volk Juda voor de zoveelste keer in opstand gekomen tegen de machtige Babylonische koning, die het inmiddels wel had gehad met dit rebelse volkje. Hij legde het land en de tempel in puin en sleurde een groot gedeelte van het volk mee naar Babylon, met het idee: als er geen steden meer zijn én geen mensen die ze weer kunnen opbouwen, dan is het eens en voor altijd afgelopen met die rebelse toestanden. Maar het wiel van de tijd draaide door, en Babylon werd op haar beurt veroverd door het Perzische rijk. Dankzij de vernuftige diplomatie van de Joodse leiders gaf de Perzische koning toestemming aan het volk om terug te keren en om Jeruzalem en de tempel weer op te bouwen. Maar ook die wederopbouw was moeizaam. De leiders joegen de naburige volken tegen zich in het harnas, en door de tegenwerking en conflicten duurde het nog ruim een halve eeuw voor de tempel weer was opgebouwd en de stadsmuren er weer stonden. Nog moeilijker dan het weer opbouwen van de gebouwen, was het herstel van een gemeenschappelijke identiteit. In Babylon werd het het volk moeilijk gemaakt om vast te houden aan hun gebruiken en tradities. Veel was verwaterd en vergeten.

In hun eigen land werd het weer mogelijk om een eigen identiteit op te bouwen en te onderhouden. Daarbij gaan de leiders Ezra en Nehemia op z’n zachtst gezegd doortastend te werk.

En ze zijn succesvol. De stadsmuren worden weer opgebouwd, de dienst in de tempel wordt hervat, de Israëlieten vestigen zich in hun steden. Een succesverhaal om niets aan toe te voegen.

En toch drijft iets de mensen die nieuwjaarsochtend naar de Waterpoort, en ze vragen aan Ezra om het boek met de wet van Mozes tevoorschijn te halen en eruit te lezen. Het idee om met het hele volk bij elkaar te komen en naar de geschiedenis en wetten te luisteren, komt rechtstreeks uit de Torah, de eerste vijf boeken van het verhaal van Israël. Aan het einde van dat verhaal draagt de leider Mozes het stokje over aan Jozua, en hij geeft de Israëlieten daarbij deze opdracht:

 ‘Lees deze voorschriften elk zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, tijdens het Loofhuttenfeest voor aan alle Israëlieten. Want dan komt heel Israël naar de plaats die de HEER uitkiest, om daar voor hem te verschijnen.12Roep dan het volk bijeen, met inbegrip van de vrouwen en kinderen en de vreemdelingen die bij u in de stad wonen. Laat iedereen naar de voorlezing luisteren en zo leren ontzag te tonen voor de HEER, uw God, en de wetten waarin u onderwezen bent, strikt na te leven.13Ook hun kinderen, die nog van niets weten, moeten luisteren en leren om ontzag te tonen voor de HEER, uw God, al de tijd dat u aan de overkant van de Jordaan leeft in het land dat u in bezit zult nemen.’

Weten wie je bent, heeft alles te maken met weten waar je vandaan komt. Een gemeenschap kan niet zonder kennis van haar geschiedenis, hoe pijnlijk of confronterend die ook is. Als we in het Oude Testament het woord voor “vergeten” tegenkomen, wordt het vrijwel altijd voorafgegaan door het Hebreeuwse woordje “lo” – niet. Vergeet niet. Juist door niet te vergeten, door het verleden niet dood te zwijgen of met de mantel der liefde te bedekken, wordt de toekomst mogelijk gemaakt. Hier moest ik aan denken toen deze week bekend werd dat de Protestantse Kerk in Nederland op 8 november schuld zal belijden voor de rol die kerken hebben gespeeld bij het klimaat van antisemitisme in Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Dat zal, zegt de PKN, ook consequenties hebben voor de toekomst. Door het verleden onder ogen te zien, ontsluit de toekomst zich, ontstaan nieuwe mogelijkheden.

En dus laat het volk die ochtend bij de Waterpoort zich bepalen bij hun geschiedenis, bij de beloften die hen aan God binden en andersom. Als je het verbond dat God met Israël heeft gesloten ziet als een huwelijk, dan is dit de hernieuwing van de geloftes. En zoals bij veel bruiloften, lopen ook hier de emoties hoog op. Het volk barst in tranen uit. Dat blijkt niet de bedoeling te zijn.

Dit is geen dag van rouw, maant Ezra, dit is een dag van vreugde! Maak lekker eten klaar, schenk lekker drinken in, vier deze dag. Vergeet niet om eten te delen met degenen die niets hebben, want dit is een dag waarop iedereen erbij hoort!

Iedereen hoort erbij! In dit verhaal van Nehemia spat de inclusiviteit ervan af, in de eerste tien verzen alleen al komt het woord “allen” en “allemaal” in het Hebreeuws zo’n 12 keer voor. We lezen duidelijk dat het écht om iedereen gaat, niet alleen om de mannen, maar ook de vrouwen en iedereen die het kan begrijpen, ofwel de kinderen. Ze verzamelen zich niet in de tempel, maar bij de Waterpoort, een plek waar echt iedereen mag komen. Ezra, de priester, leest voor, maar het is duidelijk dat dit niet een priesterlijk feestje is: naast hem staat een afvaardiging mannen uit het gewone volk, leken. Gods wet wordt niet zomaar over de hoofden van mensen heen verkondigd: nee, alles wordt eraan gedaan dat zij het zelf kunnen begrijpen. Ze hoeven niet te raden wat Ezra op zijn verhoging zegt, er lopen Levieten rond, die de wet duidelijk voorlezen en van uitleg voorzien. Zodat iedereen echt betrokken wordt, onderdeel uitmaakt van de gemeenschap, een gemeenschap waarin iedereen vol mag meedelen in het verbond dat God aangaat met zijn volk.

Iedereen? Het deugt niet om te preken over hoe belangrijk het is om de geschiedenis onder ogen te zien, en voorbij te gaan aan wat je met een mooi Anglicisme de olifant in de kamer zou noemen, het probleem waar je het niet over wilt hebben, maar wat nadrukkelijk aanwezig is. 

Er zit een luchtje aan het mooie verhaal van inclusiviteit. Ik zei eerder: Ezra en Nehemia gaan doortastend te werk als het gaat om het behoud van de Joodse identiteit. Zo doortastend, dat ze het niet schuwen om families uit elkaar te rukken. Veel Israëlitische mannen waren namelijk getrouwd met vrouwen uit de naburige volken, daar moeten ze van Ezra en Nehemia van scheiden, en hun kinderen ook gelijk wegsturen. Dat gebeurt overigens niet in opdracht van God, maar wel met de Zijn Woord in de hand. Ook onder de mannen die naast Ezra op de verhoging staan, zijn er die hun vrouw en kinderen hebben weggestuurd. Bezien vanuit het perspectief van een klein volk, dat bijna was opgeslokt door een wereldmacht en dat intense tegenwerking van haar buren voor de kiezen kreeg, is hun optreden misschien wel begrijpelijk.

Voor de moderne kerkganger houdt het een wrange bijsmaak, zeker als je bedenkt welke rol een focus op zuiverheid en eigen-volk-eerst-mentaliteit in de Joodse geschiedenis hebben gespeeld.

Mozes’ opdracht was: “Roep het volk bijeen, met inbegrip van de vrouwen en kinderen en de vreemdelingen die bij u in de stad wonen.” Vreemdelingen wonen niet meer in de stad, daar is voor gezorgd. Hoe anders zou het verhaal van Ezra en Nehemia klinken als het was opgeschreven door één van die opgegeven vrouwen.

Het boek Nehemia gaat over de vraag wat een volk een volk maakt. Over identiteit, over de prangende vraag: Wie zijn wij? Waar staan wij voor? Het volk Israël duikt hier zijn geschiedenis in, kijkt voor het antwoord naar het verleden, verbindt de vraag “wie zijn wij?” aan “waar komen wij vandaan?”

Op de achtergrond speelt een andere vraag mee, hét ongemak van de boeken Ezra en Nehemia. Tegenover een “wij” staat namelijk een “zij”, een ander, waar je je tegen af kunt zetten.  Dus: “Wie zijn wij?” hangt samen met de vraag: “Wie hoort niet bij ons?”. “Wie is vreemd, anders, niet in staat om te delen in onze geschiedenis, in onze normen en waarden, in onze cultuur?” Het behoeft denk ik weinig inbeeldingsvermogen, om de echo van deze vraag ook in het heden te horen.

Maar die vraag heeft hier niet het laatste woord. Het verhaal vanochtend gaat door, en het vertelt over het feest dat de Israëlieten vieren, het Loofhuttenfeest, een oogstfeest.

In de oude geschriften herontdekt het volk haar tradities en heilige dagen. En de mensen trekken de bergen in en halen takken van de bomen, om er hutten mee te bouwen. Ergens is het haast een komisch plaatje. Deze mensen hebben net weer een noemenswaardige hoofdstad opgebouwd, ze staan tussen allemaal nieuwe huizen in, en het eerste wat ze doen is een week in hutjes op het dak gaan zitten.

En toch spreekt er een diepere betekenis achter het vieren van het Loofhuttenfeest. Op dag één dat het volk begint aan een nieuw hoofdstuk terug uit de vreemdte, in het land dat zij hun thuis noemen, herdenken zij de tijd dat zij ontheemd waren, op weg naar een onbekende bestemming. Veilig binnen de muren die zij met bloed, zweet en tranen hebben opgetrokken, zitten zij in zelfgemaakte, schamele tentjes van takken en twijgen. Eventjes zijn ze weer dat kwetsbare, zwervende volk, dat de vuurwolk door de woestijn heen volgde.

Het komische plaatje wordt een krachtig symbool, het slaat de spijker op zijn kop. Één van de oudste Joodse geloofsbelijdenissen die we kennen, begint met de woorden “Mijn vader was een zwervende Arameër”. Het volk heeft nu een land, huizen om in te wonen, een geschiedenis om zich aan te spiegelen, wetten om hun leven vorm te geven, een tempel om in te offeren. En toch blijft het zich identificeren met de zwerftocht door de woestijn, met nergens helemaal thuishoren. Wie zijn wij? Vraagt het volk zich af. En het antwoord is: een volk dat onderweg is, een volk dat nergens thuishoort, een volk van vreemdelingen.

Ezra en Nehemia, de mensen bij de Waterpoort, wij vandaag: allen zoeken wij naar identiteit, vastigheid en zekerheid. Wij zoeken het antwoord op de vraag wie wij zijn en wat ons verhaal is. Juist in de onzekerheid rondom onze identiteit, wordt het verleidelijk om de beschutting van je eigen huis en haard op te zoeken, en vanuit daar de rest buiten te sluiten. Wij bouwen stadsmuren en trekken duidelijke grenzen, om anderen buiten de deur te houden, om duidelijk te markeren wie er wel bij hoort, en wie niet. Dat is ook het verhaal dat Ezra en Nehemia vertellen, maar al in het verhaal zelf wordt dit beeld teniet gedaan. Het volk dat zo hard zwoegde voor muren en gebouwen, wordt weer dakloos. Het volk dat de vreemdelingen weerde, wordt in het Loofhuttenfeest zélf weer vreemdeling.

Hun identiteit blijft een ongrijpbaar raadsel, een aaneenschakeling van paradoxen. Die onzekerheid, die kwetsbaarheid, is iets waar ook wij het in moeten leren volhouden. Wij blijven, voor al het andere, een gemeenschap die op reis is. Wij zijn aan elkaar gegeven als reisgenoten voor onderweg. De vreugde van de Heer is uw kracht, geeft Ezra ons mee. In het lezen van de Schrift, in die eeuwenoude woorden, krijgen wij brood voor onderweg, met een mooi oud Nederlands woord: leeftocht.

Waar wij dreigen ons te verschansen achter veilige muren, roept hij, die het Woord zelf is, ons de wereld weer in. God zelf gaat voor ons uit, Hij laat ons niet alleen. Af en toe is er een hutje in de woestijn, een plek om te schuilen, een plek om te vieren dat Wij Wij zijn. Maar Wie Wij Zijn, blijkt niet binnen grenzen en perken te vangen. En dus gaat de reis door, bestemming onbekend.

Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.