Preek van de week – 19 september ’21

We vieren vanochtend niet alleen de doop van twee jongeren kinderen, maar ook de start van een nieuwe seizoen. En zoals nieuw leven verwondering, hoop en verwachtingen met zich meebrengt, zo kan dat ook voor een nieuw seizoen gelden.

Zeker met het oog op de tijd die achter ons ligt. Maanden waarin (als we terugkijken) alles nogal anders was dan normaal, en onze ervaringen daarmee zo diffuus zijn als het maar kan. Sommige van ons leefde misschien op in die maanden waarin er opeens minder hoefde en we meer thuis waren dan normaal. Voor anderen bracht het misschien vooral een gemis met zich mee aan contact of aan dat wat ons normaal energie of plezier geeft. Of het zorgde stress vanwege financiële onzekerheid of drukte thuis.

En zo kijken we misschien ook allemaal wel verschillend vooruit naar de maanden die voor ons liggen. Met hoop op een nieuwe frisse start? Of juist het verlangen dat we iets van de verfrissende rust en ontspanning kunnen vasthouden die we in het afgelopen jaar hebben ervaren?

Hetzelfde geldt misschien wel wanneer we naar de kerk kijken. Na een jaar zoals dat wat achter ons ligt is weinig meer vanzelfsprekend. Wat betekent dat voor de kerk en voor ons gemeentezijn? Meer nog dan eerst is het verlangen naar verandering of goed nieuws voelbaar, zowel in ons eigen leven als in de maatschappij. Maar lukt het de kerk – ons al gemeente – om een plek te zijn waar goed nieuws klinkt? Verfrissend, vernieuwend, veranderend en tastbaar?

In de Bijbel en de geschiedenis van Israël worden ideeën als vernieuwing en verandering (of leven zelf) vaak verbonden met het teken van ‘water’. Dat begint al in Genesis, waar gesproken wordt over de rivier die ontspringt in Eden en de tuin bevloeit waarin vervolgens bomen en planten opschieten. Water wat doet leven. En het gaat door tot het laatste hoofdstuk van het boek Openbaring, waaruit we vanochtend de woorden lazen: “Hij liet me een rivier zien met water dat leven geeft. De rivier was helder als kristal en ontsprong aan de troon van God en van het lam”. Water en leven (beide als gaven van God)zijn in de Bijbel onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Zo ook in onze lezing van vandaag.

In een context waarin water vaak een vanzelfsprekendheid lijkt en we er soms zelfs teveel van hebben kost het meer moeite om die verbinding te maken. Maar dat is anders voor de context van Israël. Daar waar droogte een reële angst was; waar waterbronnen voor de gemeenschap van groot belang waren; en waar je kunt zien hoe een schijnbaar droge, dorre, doodse woestijn na een regenbui plots groen laat opschieten. In zo’n context kun je er niet omheen dat leven en groei alles te maken hebben met water.

Bij het volk van Israël leefde dan ook het besef dat dat water en regen een gave was van God zelf; een teken van God die met hen was en voorzag. Maar daarbij leefde er tegelijkertijd de verwachting van een toekomstige overvloedige gave van levend water die rijkelijk zou stromen bij de komst van Gods Koninkrijk.

Die verbinding tussen het geschenk van leven gevend water en Gods zorg en redding, zowel in het verleden, heden als in toekomst, komen we ook in onze lezing van vandaag tegen. In de woorden van Jezus, maar ook in het moment waarop hij die woorden sprak, namelijk tijdens het Loofhuttenfeest.

Dat Loofhuttenfeest was een feest bij uitstek waar Gods aanwezigheid en voorziening werden gevierd. Een feest waarbij de herinnering levend werd gehouden aan God die met zijn volk meereisde door de woestijn.

En dat Loofhuttenfeest is onlosmakelijk met water verbonden. Tijdens het feest (wat een week duurde) vond namelijk iedere dag een waterplengoffer plaats, waarbij er water vanuit de Siloamvijver over het altaar in de tempel werd uitgestort. Een vreugdevol gebeuren, waarover zelfs werd geschreven: “hij die de vreugde van het waterteken niet heeft gezien, heeft zijn hele leven geen vreugde gezien”.

Bij de dageraad vertrok de priester vanuit de tempel naar de Siloamvijver om daar een gouden kan met water te vullen en deze terug te dragen naar de tempel. Bij het binnengaan door de poort klonk dan vervolgens drie keer vreugdevol een trompet, als herinnering aan Jesaja 12: 3 waar staat: “Vol vreugde zullen jullie water putten uit de bron van de redding”. Vervolgens liep de priester met het water rond het altaar, terwijl de pelgrims toekeken en psalmen gezongen werden. Met als hoogtepunt de woorden uit Psalm 118: ‘Geef dank aan de Heer’ en ‘O God, redt ons’.

Voor de pelgrims aanwezig was deze ceremonie (het waterteken) sterk verbonden aan Gods redding, in het heden, verleden en de toekomst. Hij had zijn volk in de woestijn voorzien van water, Hij voorzag nog steeds in de realiteit van het dagelijks leven waarin regen onmisbaar was en bij de komst van zijn koninkrijk (zijn volle verlossing) zou het levende water overvloedig stromen.

En het is dan/daar op het hoogtepunt van dat feest met al die associaties, herinneringen en verwachtingen (misschien wel op het moment van het uitgieten van het water) dat Jezus het woord neemt en roept: “Laat wie dorst heeft bij mij komen en drinken! “Rivieren van levend water zullen stromen uit het hart van wie in mij gelooft”.

Voor Johannes bestaat er geen twijfel over: de herinnering aan Gods grote daden (zijn ingrijpen in het verleden) en de belofte van Gods reddend handelen in de toekomst (een anticipatie op de volle zegen die tastbaar zal worden bij de komst van zijn koninkrijk), beide worden hier en nu verenigd, bevestigd en vervuld in Jezus. Door hem wordt die belofte van de gave van levend water gerealiseerd,

open en toegankelijk voor iedereen. Hij is de vervulling van die rots of de tempel waar het levende water uitstroomt.

Lange tijd, en misschien ook wel in onze ervaring, was Gods redding en verlossing iets wat verbonden werd aan het verleden (horend bij die tijd in de Bijbel) of juist aan de toekomst (het leven na dit leven). Maar als hier iets duidelijk wordt dan is dat Gods toekomst en zijn redding ons niet onttrekken aan dit leven, maar daar juist alles mee te maken heeft.

Zoals dat loofhutten feest herinnerde aan God die voor zijn volk zorgde door met hen te zijn – met hen mee te reizen door de woestijn – zo wordt vanaf het begin van de Bijbel verteld hoe God ernaar verlangt om in relatie met ons te leven

en dat het zijn bedoeling was om onze relatie met elkaar en de schepping te bevorderen.

Op het hoogtepunt van het feest, waar het volk zich dit in herinnering bracht en voor ogen stelde, neemt Jezus dan dus het woord als degene die kwam om die bedoeling te belichamen. Gods bedoeling om met ons in relatie te leven. Hij was ‘God met ons’, tastbaarder dan ooit te voren. Maar hij kwam ook om alles te ervaren wat die bedoeling afremt en om precies dat uit te dagen, te weerstaan en die barrières te overwinnen. Zoals water wat niet te stoppen haar weg naar beneden zoekt. In Jezus vinden we een levend voorbeeld van hoop, verandering en liefde. In zijn woorden en overgave, in de manier waarop hij met mensen omging en in hoe hij door mensen gemaakte grenzen doorbrak.

Het is nog een cynische reactie van de Joden, wanneer ze zeggen: “Waar gaat hij dan naartoe, dat wij hem niet kunnen vinden?  Hij zal toch niet naar de Griekse diaspora gaan om de Grieken onderricht te geven?” Maar het precies dat wat een aantal jaar later gebeurt wanneer zijn discipelen, geroepen door hem, die grens doorbreken en het evangelie verder brengen.

In Jezus krijgen wij Gods hart te zien en dat is niets anders dan een leven vol van overvloed; een bron van levend water voor ieder mens. En in zijn woorden die klonken nodigt hij ons uit om ons aan dat water te laven; om ons in dat overvloedige leven te verblijden zoals God zich in ons verblijdt.

Zo’n bron van hoop en leven in overvloed is iets waar we misschien ontzettend naar kunnen verlangen of dorsten. Op de momenten dat verder alles vooral hopeloosheid of uitzichtloos lijkt of wanneer zorgen, vragen of eenzaamheid ons dreigen te overmeesteren, maar misschien ook wel gewoon in de drukte en verwachtingen van alle dag. Maar hoe laven we ons dan aan die bron? En wat mogen we verwachten?

Met het oog wat er gevierd werd tijdens het Loofhuttenfeest en wat ook zichtbaar wordt in de komst van Jezus kun je zeggen dat de hoop en verwachting eerst en vooral ligt in het feit dat God zelf met ons is; dat Hij met ons mee gaat en bij ons woont.  Dwars door die meest uitdagende en moeilijke momenten in ons leven en te midden van de verwarring of uitzichtloosheid die we kunnen ervaren wanneer we naar deze wereld kijken.

Wanneer we ons laven aan die bron van levend water mogen we gaan ontdekken dat het er niet allereest om gaat om God in onze eigen verhalen te zien, maar om onze verhalen in zijn verhaal te zien. Jouw en mijn verhaal maken deel uit van Gods verhaal, daarin in vinden ze een bredere context en plot. Al bij de doop klinkt die belofte, wat we net nog hoorden in het doopgebed: Hij schrijft onze namen in de palmen van zijn hand en daarom geloven wij dat niet de angst en niet de dood het laatste woord hebben over ons leven.

Dat ons verhaal deel uit maakt van zijn grotere verhaal maakt ons persoonlijke leven niet minder belangrijk (wat we soms wel kunnen denken in een context die zich richt op individualiteit en zelfbeschikking). Nee, het maakt ons verhaal juist vele male waardevoller, omdat het ons verhaal in een groter geheel plaatst. In relatie met God, maar (naar zijn verlangen) ook in een groeiende en verdiepende relatie met de mensen en schepping om ons heen, omdat we tenslotte allemaal deel uit maken van Gods verhaal.

Daarbij mag het een bevrijdend idee zijn, omdat het ons laat zien dat de toekomst niet staat of valt met ons succes of perfecte handelen en onze waarde niet met wat de samenleving of een willekeurige ander over ons denkt. Ons laven aan die bron van levend water is ons laven aan Gods onuitputtelijke en onvoorwaardelijke liefde en trouw.

In Gods verhaal (in zijn koninkrijk) wordt met eigen maten gewogen en daardoor kan het meest kleine, onbeduidende of onzichtbare van grote betekenis zijn, omdat het meebouwt aan zijn toekomst van vrede.

Wanneer we ons hart en onze ziel laven aan dat levende water en ons laten vormen door de bron dan mogen we vervolgens zelf gaan delen van het leven en de liefde die we daaruit ontvingen. Door het werk van de Geest in ons en naar het voorbeeld van Jezus zelf.

Er is geen leven zonder water. En zoals water niet te stoppen is, maar onophoudelijk stroomt om de obstakels heen en nooit op zoek naar de hogere, maar altijd naar de lagere plek, moge zo ook onze liefde zijn.

Liefde die leven gevend is, niet te stoppen en altijd naar beneden. Liefde die niet zichzelf zoekt of een soort hoger eindpunt, maar juist de ander. En misschien dan in het bijzonder wel die ander aan wie voorbij dreigen te lopen of over wie heen kijken. Die liefde gaat voorbij een voor wat hoort wat; een geven en nemen. Liefde die ontspringt aan die bron van levend water is een liefde die we rijkelijk ontvangen en waarvan we rijkelijk mogen delen.

Dat geldt in ons eigen leven, maar zo aan de start van een nieuw seizoen ook in het bijzonder voor ons als geloofsgemeenschap. We komen samen in het verlangen naar ontmoeting met God en elkaar en in het verlangen om ons te kunnen laven aan dat levende water en iets van geloof, hoop en liefde te ervaren.

Maar zoals water blijft stromen, zo worden we als gemeenschap ook geroepen om dat levende water niet voor ons zelf te houden, maar door te laten stromen. Opdat we een gemeenschap worden van jong en oud waar dat water vol van leven en liefde rijkelijk vloeit en waar mensen uitgenodigd worden om daarin delen. Een gemeenschap van hoop, bevrijding en vernieuwing, waar ervaren mag worden dat God met ons is en waar wij daadwerkelijk met de elkaar durven zijn, betrokken op onze medemens en de aarde. Want ook dat is een manier van lofprijzing.

Amen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.