Preek van de week – 1 augustus ’21

I

Op 20 juni was het wereldvluchtelingen dag. Op die dag stond op het strand van Scheveningen een eindeloze rij van gedenktekens, gemaakt door mensen uit het hele land. Een plank in het zand voor elk gevonden lichaam wat de vlucht naar een veilige plek niet overleefde, mede door de manier waarop mensen die zelf veilig zijn die plekken hebben afgegrensd. Zomaar één van de planken: 22 mei 2021, naam onbekend, een man uit Afrika, verdronken tijdens poging om naar Hendaye in Frankrijk te zwemmen, zijn lichaam werd gevonden in de grensrivier Bidassoa in Irun (Spanje). Het is slechts de eerste in een lijst van 44.000 namen van mensen die nog in leven hadden kunnen zijn.

Met het thema ‘Reizen’ voor deze zomer had u zich vanochtend misschien een wat vrolijker begin voor ogen gesteld. Toch is het de realiteit van vandaag en alle tijden dat reizen in veel gevallen gedwongen gebeurt en niet uit vrije keuze. Onder omstandigheden die alles behalve ontspannend zijn. Het gedwongen vertrek en de verplaatsing van grote groepen mensen door conflicten of natuurrampen en de migratie van anderen om sociaaleconomische redenen is een realiteit waar we in de wereld van vandaag niet omheen kunnen.

Maar niet alleen vandaag de dag… vlucht en migratie het is een realiteit die we door de hele menselijke geschiedenis tegenkomen en dus ook in de Bijbel. Het vertrek en de beweging van mensen, zowel gedwongen als vrijwillig, weeft zich door de Bijbelse geschiedenis heen. Niet slechts als achtergrond informatie, maar regelmatig als centraal thema, fundamenteel voor het verhaal of zelfs voor Gods plan. Abraham vertrok geroepen door God, Jakob week met zijn zonen door hongersnood uit naar Egypte en generaties later vertrok Mozes met het volk van Israël, op de vlucht voor Farao en de Egyptenaren.

II

En dan vanochtend… lezen we hoe Jezus, als klein kindje nog, de omgekeerde beweging maakt, naar Egypte toe. Ditmaal op de vlucht voor Herodus, die zich al net zo bedreigt voelt als de Farao ten tijde Mozes en qua woede en machtswellust niet voor hem onder doet. Het is een deel van het kerstverhaal wat we vaak overslaan. Die gruwelijk kindermoord in Bethlehem en de vlucht van Jozef en Maria met hun kind passen niet bij ons vredige en romantische beeld van kerst. En toch… dat scherpe contrast tussen de woorden ‘vrede op aarde’ en vlak daarna dat brute geweld doet misschien juist wel recht aan de realiteit en de ambiguïteit van het leven op aarde.

Een realiteit waar Jezus ten volle onderdeel van werd, al vanaf het allereerste begin. Als baby’tje nog… op de vlucht naar Egypte. Veilig voor de lange arm van Herodus, maar ver van alles wat vertrouwd is. Weg van familie en bekenden, met vrijwel geen bezittingen en een toekomst die vooral onzeker is. Een herkenbare ervaring voor velen, toen en nu.

Hoewel dus niet het meest populaire deel van het kerstverhaal staat het er niet voor niets. Dat Jezus in deze omstandigheden terecht kwam zegt veel. Nog maar een hoofdstuk ervoor, na de eerste verschijning van een engel aan Jozef,

schrijft Mattheüs: “Dit alles is gebeurt opdat in vervulling zou gaan wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: De maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal hem de naam Immanuel geven, wat in onze taal betekent ‘God met ons’.

‘God met ons’… en dan, nog maar een hoofdstuk later, blijkt dit niet zozeer allereerst of allermeest met de mensen te zijn die het goed getroffen hebben, met de mensen die hun leven keurig op orde hebben of niets te kort komen en het zelf wel lijken te redden. Nee, als Mattheüs hier iets laat zien dan is het wel dat God daar is met hen die vrezen voor hun leven, die bedreigd worden, op de vlucht zijn, die geen thuis meer hebben of wiens toekomst onzeker is.

III

Wanneer het in onze samenleving over vluchtelingen gaat dan gaat het al snel over nummers en aantallen. Vluchtelingen zijn een politieke kwestie geworden. Voor Jezus is het geen politieke kwestie. Hij komt dichtbij en wordt er zelf onderdeel van, als kind geboren in een vluchtelingengezin. Gods betrokkenheid en zijn ontferming is niet veilig op afstand, maar er midden in. Zich identificerend met de arme, de buitenstaander, met mannen, vrouwen en kinderen op de vlucht.

Het is die diepe bewogenheid en betrokkenheid – God die zich niet op afstand houdt – wat ook ons een spiegel voorhoudt. Ik sta hier vanochtend niet om te vertellen wat wij of de overheid zouden moeten doen en al helemaal niet om uit te leggen hoe het vraagstuk rond vlucht en migratie opgelost zou kunnen worden. Ik besef dat dat ongelooflijk complex is en dat het vaak makkelijker is om over idealen te spreken dan om ze realiteit te laten worden. En toch, het onrecht wat plaats vindt aan onze grenzen, de redenen die ten grondslag liggen aan het gedwongen vertrek en de vlucht van velen, komen als een prangende vraag op ons af en dat kan niet onverschillig laten.

Ik werd geraakt door de woorden van een Eritreese grootvader die vertelt over de dood van zijn kleindochter, hij zegt: “De betekenis van het menselijk bestaan eindigt waar de buitengrenzen van Europa en het gesloten-deurbeleid van de Europese Unie beginnen. Slechts 22 jaar oud stierf mijn kleindochter, hoewel ze gered had kunnen worden. Ik treur om haar en om elk slachtoffer dat zo heeft geleden. Deze tragedies hebben te maken met de angst en onzekerheid van veel Europeanen over degenen die er anders uitzien. Hoe is het mogelijk dat onze kinderen gedurende 23 dagen vanaf verschillende schepen konden worden gezien en nog steeds niet zijn gered? Deze nieuwe dimensie van onverschilligheid jegens mensen is gevaarlijker dan haat. Als je iemand haat, dan herken je tenminste dat ze bestaan, dat ze een doorn in het oog zijn. Als je volledig onverschillig staat tegenover iemand, dan herken je niet eens dat ze bestaan”.

Het is gelukkig niet de enige kant van zijn verhaal. Hij deelt ook de positieve ervaring van de hulp van een Italiaanse advocaat en een Duitse organisatie, maar we kunnen niet onder het onrecht uit wat doorklinkt in zijn hartverscheurende verhaal.

IV

Als er iets is wat we bij Jezus niet tegenkomen dan is het wel onverschilligheid. Keer op keer toont hij een diepe betrokkenheid en bewogenheid naar de mensen om hem heen. Als we dat voorbeeld daadwerkelijk serieus nemen, ons door Christus willen laten inspireren en veranderen, dan kunnen we dus niet veilig op een afstandje blijven en doen alsof de man, het kind op de vlucht, verlangend naar een veilige plek, niet bestaan. Nee, dan worden ze net als voor Jezus concrete mensen die we dichtbij laten komen, waar we naast durven staan en die we liefhebben en ondersteunen. Of dat nu is op grote schaal of in het klein in onze buurt, in de stad Groningen.

Volgens mij gaat het dan niet slechts om ontferming of een soort algemene roeping tot naastenliefde. Nee, dat gaat een laag dieper. Het heeft te maken met medemenselijkheid. We worden opgeroepen de ander lief te hebben, omdat hij of zij ten diepste er net zo eentje is als jij en ik.

Dat is ook waar de tekst uit Exodus vanochtend aan herinnert. Daar lezen niet: ‘zorg voor de weduwe en wees en buit de vreemdeling niet uit omdat het zo hoort, omdat het fatsoenlijk is of omdat God het van je eist… nee, doe het omdat je zelf vluchteling bent geweest in Egypte’. Iedere generatie opnieuw werd het herhaald en in herinnering geroepen bij het horen van de tien geboden: “Bedenk dat je zelf ook vreemdeling geweest bent in het land Egypte en dat ik (God) jullie uit de slavernij heb bevrijdt”.

Rikko Voorberg schreef: “De ziel van het Christendom is niet dat we vluchtelingen zouden moeten helpen, de ziel van het verhaal is dat we zelf gevonden vluchtelingen zijn. En dat nooit mogen vergeten”.

V

U en ik, wij zijn zelf een vluchteling, een zwerver, een gast, die het leven als geschenk hebben ontvangen en leven van genade. Toevertrouwd aan de zorg van God en de aandacht van anderen, zonder wie we niet kunnen bestaan en leven. Als kind zijn we ons daar nog van bewust, maar hoe ouder we worden hoe meer we er van overtuigt lijken te raken dat we het zelf wel kunnen en dat ons bezit en ons geluk er is dankzij onze eigen inzet. Natuurlijk die inzet doet er toe, maar tegelijk kunnen we er niet omheen hoeveel we te danken hebben  aan de context waar we in opgroeien; aan de steun van de mensen om ons. Allemaal hebben we mensen om ons heen nodig die er voor ons zijn, die ons opvangen, die naar ons luisteren, ons zien en herkennen als medemens. En allemaal leven we van genade.

Jezus zelf deelde tijdens zijn leven in die ervaring van afhankelijkheid en verbondenheid. Hem volgen betekent dus ook toegeven aan die ervaring van vreemdeling zijn. Het betekent dat we onszelf uit het centrum van alles halen en beginnen te ontdekken dat het leven een geschenk is wat we delen.

Het is vanuit die overtuiging dat de woestijnvader Gregorius schrijft dat opkomen voor de armen of de vreemdeling ten diepste geen liefdadigheid is, maar rechtvaardigheid.

Hij schreef: “We zijn gemaakt van stof, niemand heeft daar recht op, het is gezamenlijk bezit. En wat wij produceren met dit lichaam dient daarom ter versterking van ons allemaal. Tevergeefs denken mensen dat ze onschuldig zijn,  als ze beweren dat zij hun bezittingen niet hoeven te delen. Want mensen die zo denken, plegen roofbouw op andermans leven, [..] omdat zij achterhouden wat de ander toebehoort. Als je hulp geeft aan mensen in nood, geef je hun wat van hen is, niet van jezelf. Als je je bezittingen met anderen deelt, kun je daarom beter spreken over een daad van rechtvaardigheid dan van naastenliefde”.

Dat besef wat Gregorius hier verwoord verandert volgens mij niet alleen onze kijk op vluchtelingen, maar op ieder mens en op het leven als geheel. Het laat zien dat het leven niet iets is wat we verdienen of koste wat het kost voor onszelf veilig moeten stellen, maar het laat zien dat het leven ten diepste iets is wat we ontvangen en waar we in mogen delen.

Als we dat besef verliezen dan heeft dat uiteindelijk niet alleen invloed op onze houding naar vluchtelingen, maar naar ieder medemens die op de een of andere manier niet volledig mee kan komen of voldoet aan de standaarden en eisen van onze maatschappij.

VI

Volgens mij is dat tot slot nog een dimensie aan het onszelf vreemdeling of gast weten, in ieder geval als we de schrijver van de eerste Petrus brief mogen geloven. Hij noemt de mensen in de gemeente aan wie hij schrijft: ‘vreemdelingen en bijwoners’. Een vreemdelingschap wat gekenmerkt wordt door een anders zijn. Niet omdat ze zich afzet tegen de wereld, maar wel omdat ze daar niet volledig door bepaald wordt. Ze heeft weet van een andere standaard, een andere realiteit, ze hoopt en verwacht een nieuwe toekomst, gekenmerkt door vrede en rechtvaardigheid. En het is die toekomst waar die gemeenschap van vreemdelingen zich nu al door probeert te laten vormen en waar ze naar toe leeft. Niet vanuit het centrum van de macht, maar misschien wel juist in het kleine en het verborgene, met voeten in de modder. Zij aan zij, verbonden met, hen die veel te vaak worden vergeten. Want als het anders zijn van de christelijke gemeente ergens door bepaald wordt… laat het dan alsjeblieft dat zijn.

Zo leven en handelen begint vanuit een verwachting; een toekomst waarop wordt gehoopt. Een toekomst die zich opende in de komst van het kind Jezus. Hij kwam in de ellende, deelde in het lijden, maar was ook de voorbode voor verlossing en belichaming van bevrijding. Met de woorden ‘uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen’ (een quote uit het boek Hosea) presenteert Mattheüs hem als de tegenhanger en climax van die eerdere Exodus. God die komt om volle vrijheid te brengen, die de toekomst opent. Jezus zei het zelf: “Ik ben gekomen om aan armen het goede nieuws te brengen, gevangenen vrijlating bekend te maken, onderdrukten hun vrijheid te geven”.

Het is die verwachting die ook ons in beweging zet en een hoop die ons voorbij onszelf doet kijken en ons via Christus op de ander richt.

Amen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.