Marcus vertelt: onderweg op 28 februari

Marcus 11, 1 – 11

Mijn voeten doen zeer.
Dat wordt spierpijn morgen. En niet zo’n beetje ook.
Het gaat alleen maar omhoog van Jericho naar Jeruzalem.
Achter elke berg is er weer een berg.
En het is me heet!
Een fles leeg gieten over mijn hoofd. Dat wil ik.
Maar ik kijk wel uit.
Het is zo maar weer op.
De woestijn is niet scheutig met water.

Er zet er één een liedje in.
Ik zing mee
Een liedje over Jeruzalem
Ik krijg een por.
Daar heb je Bartimeüs weer.
‘Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet?,’ vraagt hij.
Ik knik. Oké dan.
Dan voel ik mijn voeten even niet.
Ja, laten we een spelletje doen.
Even niet denken aan wat er gebeuren gaat.
Het maalt maar door mijn hoofd
‘Ze gaan me doden in Jeruzalem’
En dan die blik
Ik kan het niet bevatten
‘Ik zal opstaan. Ik zal leven.’
Hij ziet, hij ziet, wat ik niet zie.

We zijn er nog lang niet.
‘[Tekst van lied 822]
Ik mag het hopen.

Die helling daar.
Dat is de laatste.
De Olijfberg.
Daarachter is Jeruzalem.
Stad op een berg.
Ik zie het niet, ik weet het.
Wil ik het wel weten?

Kijk daar: een paar huisjes
Dat is Betanië.
Geen gezicht
Het lijkt nergens naar.

Hij draait zich om naar mij
‘Wil je wat voor me doen?’
Die blik. Ik knik.
Net als Maria.
Zeg het maar.
Hij wijst. Die huizen daar.
Ga er naar toe
Samen.
Daar staat een jonge ezel.
Vastgebonden.
Maak hem los.
Breng hem hier.
Ik kijk hem aan.
Hij ziet me denken
Welja, joh…
Hij lacht
Zeg maar dat de Heer het nodig heeft
Het wordt vanavond weer terug gebracht.
Ik kijk Maria aan
Ga maar. Komt echt goed, zegt hij.

Vooruit dan maar.
We zijn samen
Ik zie er tegenop, Maria.
Ze knikt
Lekker ongemakkelijk.

Maria knoopt het ezeltje los
‘Hé mafkezen, lukt het een beetje?’
Ik kijk de man aan
Alsof het doodgewoon is.
De Heer heeft het nodig.
Vanavond is hij weer terug.
De man knikt.
Het ezeltje gaat met ons mee
Alsof het doodgewoon is.

En dan met z’n allen de Olijfberg op.
Alles doet me zeer.
Daarachter ligt Jeruzalem.
Nog even en dan..

Ik weet niet waarom
En wie er begon
Maar ineens is het feest.
Het lijkt wel carnaval.
Simon brengt het ezeltje naar Jezus
Johannes trekt zijn shirt uit
En legt het op het ezeltje
Hij staat in zijn hemd
Jezus klimt erop.
Lachen, dit.
We juichen.
We doen wat Johannes deed
We trekken kleren uit
En leggen die op het pad
vóór het ezeltje.
Ik sta in mijn hemd.
Maar dat staan we allemaal.
Ook de bomen doen mee.
Ze staan hun groene takken af
De ezel mag er over met zijn eerste vrachtje.
Die kant op!
Op naar Jeruzalem!

Hosanna! Maak ons los.
Hallo, Jeruzalem! Feest met ons mee!
‘Hier is de Zoon van David!,’ roept Bartimeüs
Gefeliciteerd, Jeruzalem!
Hosanna!

Mensen haken aan.
Ik vergeet alle shit.
Het is feest. Alleen maar feest.

Je weet niet half hoe het voelde
om zo door de poort Jeruzalem binnen te gaan.
Alleen maar lachende mensen.
Tenminste, dat is wat ik zag.
We stopten bij de tempel.
Ik keek mijn ogen uit.
Wat een prachtgezicht. Een feest om te zien.
Dubbel feest was het vandaag.

‘We gaan terug naar Betanië,’ zegt Jezus.
Het is tijd om te rusten
en tijd om te eten.
Ik kijk naar het ezeltje.
Het geldt ook voor jou.
Morgen is er weer een dag.

Ik voel ineens hoe moe ik ben.

2 gedachten over “Marcus vertelt: onderweg op 28 februari”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.