Kerstpreek

I

Geliefden van Christus,

Het is een warm en knus beeld wat we voorop de liturgie tegenkomen en wat u thuis als het goed is ook in beeld heeft kunnen zien. Maar anders is het ook niet moeilijk om een voorstelling te maken bij dat schilderij van Rembrandt ‘de aanbidding van de herders’. Warme kleuren, mensen dicht op elkaar gepakt (met een vanzelfsprekendheid die we ons in deze coronatijd bijna niet meer voor kunnen stellen). Ze staan er in gesprek met elkaar of geknield met een blik in de kribbe. Het beeld is intiem en uitnodigend, je zou er zo bij willen gaan zitten en je laten opnemen in de groep, want iets zegt je ‘daar is het goed’.

Was dat altijd maar zo vanzelfsprekend als het schilderij doet vermoeden. Die vraag ‘Ben ik hier goed?’ die vandaag boven de dienst staat, is volgens mij voor veel van ons een herkenbare vraag. Net als die andere vragen of associaties die het met zich mee brengt. ‘Mag ik erbij’? Of… ‘hoor ik erbij?’ En.. ‘ben ik wel goed genoeg?’

Dat gevoel: ‘hoor ik er wel bij?’, ‘ben ik wel goed genoeg…?’ is weinig van ons vreemd. Soms is het een vraag die in specifieke situaties wordt opgeroepen. In bepaald relaties, op ons werk of misschien wel in de kerk, of wanneer onze opvattingen sterk verschillen van de mensen om ons heen. Maar het kan ook een vraag zijn die op een veel existentiëler niveau speelt en die gepaard gaat met een gevoel van onzekerheid of twijfel aan ons zelf.

En soms kan het meer dan een individueel gevoel zijn, wanneer in de media, politiek of samenleving als geheel aan een groep de boodschap wordt afgegeven dat men overbodig is, niet genoeg bijdraagt of een aanslag is op de middelen. Ouderen, werkelozen, vluchtelingen, mensen met een beperking of mentale problemen, krijgen zo niet zelden het gevoel er niet of niet meer helemaal bij te horen. Dat ze niet goed genoeg zijn.

II

Als we tegen die achtergrond naar het kerstverhaal kijken, dan kunnen we er niet omheen dat het verhaal van Kerst bij uitstek een verhaal is over ‘erbij horen’ en verbondenheid. De geboorte van Jezus vormt een uniek moment in ons begrip van wat ‘erbij horen’ zou kunnen zijn.

Het kerstverhaal niet slechts een verhaal over de geboorte van een goed mens…  Het is een verhaal over God die zich verbindt aan mensen, die zegt ‘ik wil bij de mensen zijn’, ‘ik wil bij hen horen’. Alle mensen, maar in het bijzonder juist zij die zich buitengesloten voelen.

Het kerstverhaal is een verhaal van zegenvierende volharding en van onwankelbare solidariteit. Niets verandert Gods beslissing om te zijn bij wie hij liefheeft. Een keuze met een onvoorstelbare kost en kwetsbaarheid.

III

Als we denken aan het kerstverhaal en met al die beelden zoals het schilderij van Rembrandt in ons hoofd, dan staan ons meteen die herders en wijzen rondom de Kribbe voor ogen. Ze horen er helemaal bij, als iemand daar goed is dan zijn zij het wel.

Wat we dan soms vergeten of misschien niet beseffen, is dat die wijzen magiërs waren, astrologen, nogal verdachte figuren in de ogen van een religieuze jood uit die tijd. Zeker geen deel van het uitverkoren volk.

En die herders… dat waren niet de knuffelige, folklorische figuren zoals we ze nu vaak afbeelden. Herders werden beschouwt als onderdeel van een groep mensen van wie niet verwacht kon worden dat ze hun religieuze verplichtingen goed hielden. Ze waren van lage status, gehard door het leven buiten en waarschijnlijk een beetje bedreigend voor de dorpsbewoners.

En toch zijn zij de eerste die het Christus kind ontmoeten, het is aan hen dat God verschijnt en zich met hen verbindt. God begeeft zich naar de randen van de samenleving en zegt,  tegen hen die zich het meest buitenstaander voelen ‘je bent niet vergeten’. Hij zegt als het ware: ‘Ik wil bij jullie horen’. En wie zijn wij dan nog om te zeggen dat zij er niet bij horen. Wij kunnen ons nog wel eens te goed voelen voor iets of anderen, maar God zegt ‘Ik ben hier goed bij jullie’.

IV

En dat gold niet alleen toen, maar nu nog steeds. De eerste plek waar God verschijnt is vaak niet in het midden van waar het allemaal gebeurt, waar mensen alles zelf al op orde hebben. God verschijnt aan de randen van onze samenleving, op die plekken die wij vaak over het hoofd zien. Het zet me aan het denken. Als Jezus nu zou geboren worden, dan is deze plek hier – de Nieuwe Kerk, de Hortusbuurt of nog breder Noord-Europa, het Westen – waarschijnlijk niet de eerste plek waar we moeten zoeken. Maar misschien wel onder de arbeidsmigranten in Qatar of hier in Nederland. In vluchtelingenkampen of Lesbos en vele andere plekken in de wereld.

Maar stel hij zou daadwerkelijk daar komen, zouden we zijn komst dan nog net zo vreugdevol vieren als nu, Hem met open armen verwelkomen? Of zou onze reactie, als we eerlijk zijn, misschien niet zoveel verschillen van zijn volksgenoten uit die tijd? Wantrouwend, met het idee:  ‘daar kan toch niet veel goeds vandaan komen?’

En toch dat is waar God komt, waar hij begint, de werkelijkheid op zijn kop. En dát God daar begint, vertelt ook ons iets over waar wij moeten beginnen; waar wij geroepen worden.

V

Want dat verhaal van Kerst – van God die in ons midden kwam, mens werd van vlees en bloed – dat doet ook een beroep op ons. Als we ons willen laten inspireren door het kind in de kribbe, willen leven naar zijn voorbeeld, dan betekent dat dat we zelf ook bereidt moeten zijn om in het gezelschap gevonden te worden van mensen wiens gezelschap we normaal misschien uit de weg zouden gaan. Bij hen te zijn die de ervaring of vrees kennen dat er niemand is om met hen te spreken of voor hen te spreken

Het kind in de kribbe roept ons op om om ons heen te kijken en onze ogen en ons leven te openen voor hen die het meest waarschijnlijk buitengesloten worden; die niet meegenomen of gehoord worden en die het gevoel gegeven wordt minder mens te zijn.

Het kind in de kribbe nodigt ons uit om ons telkens weer te verbinden aan mensen die door ons of anderen worden bestempeld als lastig, ingewikkeld of verontrustend (misschien wel in het bijzonder in deze tijd). Om hen te laten ervaren en weten ‘Jij bent hier goed en ik ben hier goed bij jou’.

VI

Dat is niet altijd de makkelijke weg, maar volgens mij is het wel precies daar waar we dit soort keuzen maken en risico’s nemen dat Gods liefde gevonden wordt. Daar waar we mensen die leven in lijden, pijn of onrecht laten weten dat ook zij bij die ene menselijke familie horen. Dat ze niet zijn vergeten en dat God in zijn trouw zich aan hen verbindt en nooit zijn kinderen verlaat in hun moeilijkste of slechtste tijden.

Toch kan het soms moeilijk zijn om dit zelf te voelen of te ervaren, maar als gelovigen is het misschien wel allereerst ons taak om zo te handelen dat dit soort liefde geloofwaardig wordt. Waar mensen – of ze zichzelf nog religieus noemen of niet – werken voor deze verbondenheid, mensen laten weten dat ze erbij horen, daar gaat Gods werk in Jezus door.

VII

Tegelijk, om de kracht en inspiratie te vinden om die liefde telkens weer handen en voeten te geven, hebben we uiteindelijk allemaal (net als de herders) momenten nodig aan die rand van de kribbe. Om het goede nieuws zelf te zien en te ervaren en ons te verwonderen over het Christus Kind. Om ons te laten raken door God die zich in zijn liefde en trouw telkens weer aan ons verbindt.

Want hoewel we het voor het buitenperspectief misschien gemiddeld genomen goed getroffen hebben en veel van ons juist tot de bevoorrechte van onze tijd horen (met onderdak en voedsel tot onze beschikking; levend in een land zonder oorlog en met veel sociale zekerheid) denk ik dat we allemaal wel tijden hebben gekend of kennen waarin we ons verloren voelde, moedeloos of verslagen, alleen of onzeker. Tijden waarin ook die vragen omhoog kunnen komen ‘ben ik wel goed genoeg?’, ‘hoor ik er wel bij?’ Het zijn momenten waarop ook wij kunnen verlangen naar bevestiging, geborgenheid en verbondenheid, naar een stem die zegt: ‘hier ben je goed’, ‘je hoort erbij’.

Misschien in het bijzonder wel in deze tijd. Te midden van een pandemie waar maar geen einde aan lijkt te komen en waarin die verbondenheid soms nog maar moeilijk  te ervaren of vorm te geven lijkt. Te midden van die onzekerheid verlangen we naar goed nieuws.

VIII

Maar juist nu mogen we er aan herinnert worden dat God nog steeds tot ons komt, met goed nieuws van grote vreugde voor alle mensen.

Juist daar waar we het niet meer weten, waar we ons onzeker voelen over de toekomst of twijfelen aan onszelf, daar komt Christus tot ons; daar wordt hij geboren. Hij komt waar Hij het meest nodig is, waar zijn aanwezigheid het meest welkom en krachtig is.

Voor ons allen: wij die verlangen naar goed nieuws, naar hoop, licht en verbondenheid, klinkt vandaag die vreugdevolle boodschap: ‘Een kind is ons geboren’.

‘Een kind is jou geboren’.  Voor jou die niet weet hoe je in hemelsnaam door kunt gaan. Voor jou die je nooit helemaal begrepen voelde. Voor jou die het afgelopen jaar een geliefde verloor. Voor jou voor wie de feestdagen de moeilijkste tijd van het jaar zijn. Voor jou die niet op kan geven omdat je sterk moet blijven voor alle anderen. Voor jou voor wie het voelt alsof je nog maar weinig te geven hebt. Voor jou die twijfelt of je hier wel goed bent.  ‘Een kind is jou geboren’. ‘Een kind is ons geboren’.

IX

Het kerstverhaal doet er toe, omdat het ons vertelt hoe en waarom wij en ieder ander er toe doen. Het laat zien hoe en waarom iedereen het recht heeft te voelen  dat ze niet langer buitenstaanders zijn, een verlegenheid of een probleem, maar allemaal onderdeel van één familie, uitgenodigd door God in zijn vriendschap.

Het grootste geschenk van allemaal is voor de christenen met Kerst de verzekering dat God in het midden van de wereld is die hij gemaakt heeft. En de beste manier waarop wij dank je wel kunnen zeggen is door daar met hem te zijn en iedereen te laten weten hoeveel ze er toe doen. Door met God te zeggen ‘hier ben ik goed en hier ben jij goed.’

Amen.  

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.