En nog een kerstpreek…

Jesaja 52, 7 – 10
Lucas 2, 15 – 20

I
Hoe is het?
Was het nog wat gisterenavond?
Brak ergens nog even de hemel door de lockdown heen?
Ik moet zeggen dat ik de Kinderkerstnacht in de Nieuwe Kerk
wel gemist heb.
Door de ogen van kinderen mee kijken naar boven.
In het licht echte engelen
meerstemmig ‘Gloria in Excelsis Deo’ horen zingen.
Was er iets gisterenavond dat er aan doet denken?

Niet dat het nodig is, hoor.
Ook als het gisterenavond maar zo zo was
en de echte kerstsfeer maar niet wilde komen,
ben je hier vanmorgen aan het juiste adres.
Je hebt geen engeltjesvaccin nodig
om deze dienst mee te kunnen vieren.
Het zou zo maar kunnen dat je zelfs een streepje voor hebt
zonder een vredig gemoed en een onvergetelijke kerstavond in de tas.

En dan toch maar zingen:
‘Komt allen tezamen, jubelend van vreugde’.
In de hoop dat de vonk over zal slaan.
Ondanks de anderhalve meter.
Daar is niks mis mee,
als ik de profeet Jesaja mag geloven:
‘Breek uit in gejubel, ruïnes van Jeruzalem.’
Nou ja, dat is misschien ook weer wat overdreven
om vergeleken te worden met de ruïnes van Jeruzalem.
Maar eerlijk is eerlijk,
het is wel eens beter met ons gegaan.

‘Komt allen tezamen’.
Of, nou nee, wacht even.
Niet te veel tegelijk he?
De lockdown is er niet voor niks.
En verder: denk aan de anderhalve meter.
En vergeet je mondkapje niet.
Heb je dat ook wel eens,
dat je door het mondkapje mensen niet meer herkent
en dan te laat bent om te groeten?
We zingen het van harte:
‘Komt allen tezamen’.
Maar het ook doen is lastiger.
Omdat het even niet kan.
En dat even duurt al weer even.
Het is net alsof het huis van samen aan het verbrokkelen is.
Allemaal losse stenen,
die misschien wel verlangen naar de ander,
maar die ander niet meer weten te vinden.
Dat doet iets met een mens.
Het maakt eenzaam.
Of boos en verdrietig.
En bij sommigen is het lontje wel heel kort geworden.
Zo slecht is die vergelijking
met de ruïnes van Jeruzalem nou ook weer niet.
‘Ik ken mezelf niet meer,’ zei een maatje tegen me in de Minnaar.
Nu ook dicht voor zulke zwerfstenen als hij.
Net als de kerk.

II
Kerst ziet er toch anders uit dan vóór de pandemie.
Voor de meesten is het wat minder passen en meten geworden.
Want je kunt niet zo veel.
Vóór Corona waren we de architect van het eigen kerstfeest.
Plannen maken.
Plannen aanpassen
omdat je ook met de plannen van anderen te maken hebt.
Die dag hier.
De volgende daar.
Zo laat het kerstdiner.
Wel of niet naar de kerk?
Want het moest wel passen.
Je kunt het vergelijken met het optuigen van een kerstboom.
Dit hier, dat daar. Tot het naar je zin is.
Dan de stekker erin en hoppa: het is kerst!

Nu zijn we hier met een kleine kudde
in de zoveelste golf van de pandemie.
Het virus spreekt een woordje mee.
De kerstdienst is net even iets anders geworden
dan een bouwsteen in je eigen kerstontwerp.
Er is onzekerheid in ons leven geslopen.
Zijn we nog wel de architect van ons eigen leven?
‘Ben ik hier goed?’ is eigenlijk best een goeie vraag.
We komen samen met de herders aan
bij Maria, Jozef en het kind dat in de voederbak ligt.
Minder recht op het doel af dan je zou wensen.
Meer zoekend. ‘Ben ik hier goed?’

Samen met de herders gaan is ook al zo wat.
Het zijn geen mensen met wie je graag gezien wordt.
Kort samen gevat:
dikke kans dat ze er bij de Belastingdienst uitgerold waren als fraudeurs.
Voor alle duidelijkheid: dan heb ik het niet over de grote jongens
die weten hoe ze de belasting op een legale manier kunnen omzeilen.
Ik heb het over de slachtoffers van de toeslagenaffaire.
Tweeduizend jaar geleden al
hadden herders bij de overheid een vinkje achter de naam staan.
Hun getuigenis in een rechtszaak was per definitie niet rechtsgeldig.
‘Ben ik hier goed?’
Kijk even om je heen.
Dit is je reisgezelschap.
Weinig kans dat je goed zit.

III
Vóór de pandemie wíst je dat je goed zat.
Je had de kerstdienst immers zelf ingepland.
Maria, Jozef en het kind, de herders en de engelen,
figureerden in de belevenis die kerst moest worden.
Een spoor van licht dat je had uitgezet door de kerstdagen heen.
Misschien heb je deze keer wel getwijfeld of je wel of niet zou gaan.
Het zou zo maar kunnen dat, meer dan andere jaren,
de innerlijke onzekerheid meespeelt.
Waar gaat dit naar toe?
Komt dit ooit nog goed?
Is het kerstevangelie in staat om mij op te beuren en hoop te geven?
Kan het de doffe berusting doorbreken?
Dat is een andere rol voor het verhaal
dan in de jaren dat je de architect van je eigen kerstfeest was.

Tekenend is dat we alleen het slot gelezen hebben
van het klassieke kerstevangelie.
Geen hemel die de nacht in het volle licht zet.
Geen engelenschare.
Geen ‘Gloria in Excelsis Deo’.
De volle focus ligt op het gaan van de herders naar Betlehem.
Het is het evangelie van de Herdertjesmis,
d.i. de dageraadsmis op de eerste kerstdag.
Het schemert nog.
De feestverlichting is uit.
Ik moet denken aan de tekst van Bertold Brecht
uit ‘Die Dreigroschenoper’ – 1928:
‘Und die Einen sind im Dunkeln
und die Andren sind im Licht
und man sieht nur die im Lichte
die im Dunkeln sieht man nicht.’
[‘Sommigen zitten in het donker
en de anderen staan in het licht
en je ziet alleen die in het licht staan
die in het donker zie je niet.’]

‘Die im Dunkeln sieht man nicht.’
Behalve hier, als het goed is.
Want is dat nou niet typisch de Bijbel?
Daarin lichten de gezichten op van wie zich geen raad weten.
‘Breek uit in gejubel, ruïnes van Jeruzalem’
hoorden we Jesaja zeggen.
En in het evangelie volgens Lucas
zien we ze gaan door het donker,
de herders met een vinkje achter de naam.
En ook wij ontbreken niet.
Maar deze keer niet als de architecten van het eigen kerstfeest,
die hun uitgestippelde lichtjesroute lopen.
We grijpen de jas van een herder vast
en gaan met hen mee door de nacht.

Als we dat eens zouden durven.
Weten dat zij die door het donker een weg zoeken
niet alleen jou nodig hebben, maar jij ook hen.
Al was het maar om in hun gezicht en hun verhaal,
jezelf onder ogen te durven komen.
Met al je onzekerheid en met de schade
die je hebt opgelopen aan het leven.
En hebt veroorzaakt.
Dat ook.
‘Ben ik hier goed?’
Ja, je bent hier goed.
Want alleen in dit gezelschap zul je het kind vinden
dat in de voederbak lag.

Met de kerstdagen voor de deur
worden elk jaar opnieuw mooie acties op touw gezet.
Denk aan Serious Request,
waarvan dit jaar de opbrengst gaat naar het Wereld Natuur Fonds
voor de bescherming van de bedreigde regenwouden.
Denk aan de grote kerstpakkettenactie in Stad,
gecoördineerd door Missie 050.
Of aan de kerstdiners voor dak- en thuislozen.
Stuk voor stuk zijn het pogingen
om het leven een beetje mooier te maken.
Vaak schieten ze net heen langs het geheim van het evangelie
dat de ander niet alleen jou nodig heeft, maar jij ook de ander.
Maar er komt een dag
dat het evangelie zich meester maakt van zo veel goede wil
en die om zal vormen tot een nieuwe orde
waarin de laatsten de eersten zullen zijn.

IV
Zie jezelf staan of knielen rond het kind in de voederbak,
in gezelschap van de herders, op het schilderij van Rembrandt.
Een van hen heeft een stormlamp bij zich
om nog iets te kunnen zien in het donker.
De stormlamp doet in de verte denken
aan alle lichtjes die wij aanbrengen
om wat van het kerstfeest te maken.
Maar dat licht valt in het niet bij het licht dat uit de voederbak komt.
‘Die im Dunkeln sieht man nicht’ dichtte Brecht.
Kom maar. Kijk maar.
Waar je zo op hoopte, beste Bertold Brecht, wordt hier waar.
Ze krijgen een gezicht.

‘Laten we naar Betlehem gaan
om met eigen ogen te zien wat er gebeurd is
en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt,’
hadden de herders tegen elkaar gezegd.
Ach ja, er gebeurt zo veel.
De meest verschrikkelijke dingen en de onvergetelijk mooie.
Maar dan gaat alles weer gewoon door.
De tijd geeft alles prijs aan de vergetelheid.
Er is niets nieuws onder de zon.
‘Und die Einen sind im Dunkeln
und die Andren sind im Licht
und man sieht nur die im Lichte
die im Dunkeln sieht man nicht.’
Waar blijft dat licht van jou, Rembrandt,
als de kerstdagen voorbij zijn?

Nu moet het hoge woord er toch maar uit: het blijft!
Zo staat het er ook letterlijk.
Er is geschiedenis gemaakt die nooit verleden tijd zal worden.
Gods woord ‘Ik kom je redden!’ is vlees en bloed geworden.
Het komt om nooit meer weg te gaan.
Het woont tussen de mensen met een vinkje achter de naam.
Het keert alle verhoudingen om.
En het zal zich laten vinden
door wie hun eigenwaarde is ontnomen.
‘Breek uit in gejubel, ruïnes van Jeruzalem,
want de HEER troost zijn volk.
Hij koopt Jeruzalem vrij.’

V
‘Ben ik hier goed?’
Blijf het maar vragen.
Hier zul je altijd mensen blijven vinden, die die vraag ook kennen.
Ze zullen je toeknikken.
‘Ja, hier ben je goed.’
Jij zult het antwoord aflezen van hun gezichten
in het licht dat bij het kind vandaan komt en dat op hen valt.
En voor altijd ben je ontslagen van de eis
om jezelf over het voetlicht te brengen
en de architect te zijn van je eigen kerstfeest.

Rond het kind van Betlehem
en de belofte van God die geschiedenis maakt,
staat een gemeenschap van mensen waar geen einde aan komt.
Mensen. Geen engelen. Met iedereen is wel wat loos.
En allemaal hebben ze een vinkje achter de naam.
Het vinkje van: je bent gezien, je mag er zijn,
en in mijn liefde zul je leven.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.