Lentedagje

Eerlijk is eerlijk, ik vind dat ik het er als moreel wezen niet zo gek van af breng. Dat zou ik nooit hardop zeggen, maar toch is het stiekem wél zo. Een beetje de categorie: geen heilige, maar ook zeker de kwaadste niet.

En dan zijn er van die momenten. Situaties waarin het vernis van fatsoen en menslievendheid een beetje afbrokkelt. De onbewaakte momenten, waarop ik keihard door de mand val.

Nu het weer drukker wordt in de winkelstraten, doet zich bijvoorbeeld één van mijn persoonlijke grieven vaker voor: mensen die nét te langzaam lopen. U kent ze wel: ze slenteren, zijn zich van geen kwaad bewust, maar ondertussen vormen hun lichamen en bewegingen een haast onoverkomelijk hindernis voor de mede-voetganger met een nét iets meer voortvarende tred. Je struikelt half over je eigen voeten als je probeert om je erlangs te wurmen. En dat je het dan toch moet afleggen tegen een paaltje dat in de weg staat of een onverwachtste schijnbeweging, waardoor je je inhaalmanoeuvre op het laatste moment moet staken.

Sommige mensen hebben weinig ruimtelijk bewustzijn en houden daarmee de boel, specifiek mij, op en daar kan ik dan heel boos om worden. Het liefst zou ik het “advies” willen opvolgen van Yentl en de Boer, een duo dat absurdistische cabaretliedjes maakt, ook over deze situatie:

“Wat te doen bij traaglopende mensen in de winkelstraat
Maai ze opzij
Maaaaaaai ze opzij
Trap ze op de enkels
Maak je weg vrij”

Tish Warren schrijft in “Liturgie van het Alledaagse” over “apocalyps-momenten”. Apocalyps betekent letterlijk een ontdekking of onthulling. Voor mij zijn de traaglopende mensen in de winkelstraat zo’n moment: iets ogenschijnlijk kleins staat me tegen, en voor ik het weet ben ik geprikkeld, boos, en zwelg ik in fantasieën van hoe ik mijn medemens van de sokken loop. Er komen dingen aan het licht: mijn ongeduld, hoe slecht ik tegen kleine storingen kan, omdat ik aan gemak gewend ben, omdat ik te druk ben, omdat ik mijn eigen doel belangrijker vind dan dat van een ander… In de Herestraat blijft er weinig van mijn morele zelfbeeld overeind staan. Ik ontdek in mezelf een driftig en lelijk wezentje.

Warren verwoordt het zo: “Als de dag mij toelacht en alles volgens plan verloopt, lijk ik een redelijk goed mens. Maar kleine dingen gaan fout en onderbroken plannen laten zien wie ik ten diepste ben; ik vertoon barsten en ik zie hoezeer ik genade nodig heb.” Als mijn liefde voor mijn medemens niet eens standhoudt als ze met een slome winkelganger wordt geconfronteerd, wat stelt ze dan voor?  Het is makkelijk om het te bagatelliseren, waar gaat dit eigenlijk over? Een tegenvallertje, een moment van irrationele irritatie, meer is het ook weer niet.

En toch … In de Herestraat word ik eraan herinnerd, dat de woorden van schuldbelijdenis en vergeving die op zondag klinken, ook over mij gaan, ook over mijn dagelijkse onbenulligheden. Over de nieuwe mens, die ik dag in dag uit een beetje kwijt raak en weer terugvind. Over dat ook ik mag groeien in liefde, dat de weg nog lang is. Nu nog maar hopen dat ik mezelf daarbij niet teveel voor de voeten loop.  

Alexandra Matz

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.