Zomerdag

7 juli ’20
Het ging niet vanzelf: lachen om mezelf. Dat moet ik toegeven. In de bus naar Lauwersoog zag ik mezelf weerspiegeld in de ruit door een beslagen bril. Met een mondkapje op beslaat je bril bij elke ademtocht. Het zag er niet uit en ik kon er niet om lachen. De wetenschap dat het misschien, wie weet, een heel klein beetje helpt om een medereiziger niet te besmetten, maakte het niet echt beter. Daar komt nog eens bij dat je in de provincie Groningen heel erg je best moet doen om besmet te raken met het Covid-19 virus, ook zonder ‘kap d’r veur’ en anderhalve meter afstand.
Uit de bus op de boot naar mijn geliefde Waddeneiland. In een stoet van mondkapjes. Maar was het wel de boot? Zij leek veranderd in een ruimteschip. Elk zitje was afgezet met plastic. Pijlen op de vloer gaven de looprichting aan. De bar was dicht. Het blije geroezemoes van mensen, die zich op het verblijf op het eiland verheugen, ontbrak. In de kiem gesmoord door de mondkapjes. Ik probeerde een boterham met kaas te eten. Het duurde heel even tot ik door had dat je daarvoor je mondkapje af moest doen. En mocht dat wel? Uit mijn ooghoek zag ik een medereiziger die als een schooljuffrouw probeerde reizigers te manen om de juiste looproute te nemen. Haar gezicht verstrakte steeds meer.
Aan de andere kant van het looppad waren zes jonge vrouwen in een zitje voor vier neergestreken. Zes binnen anderhalve meter! Mondkapjes op de kin. En wie ze wel op de neus hadden, kwetterden er vrolijk doorheen. Even had ik de neiging om er iets van te zeggen. Want hoe verantwoord was hun gedrag? Toen won de vreugde het van mijn gehoorzaamheid. Dwars door mijn mondkapje heen. Nog belangrijker dan de serieuze vraag wat nog wel en wat niet kan, is het vermogen om om onszelf te lachen.       

One thought to “Zomerdag”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.