Preek van de week – Zondag 5 juli 2020

Het thuis van God – de Hal

I

Deze weken denken we na over het huis / het thuis van God. Iedere week aan de hand van een andere kamer. En vandaag dus de hal. Wanneer je net bent verhuisd of aan het verbouwen bent, zijn er altijd prioriteiten, dingen die als je eerste aanpakt of die je het liefst zo snel mogelijk een make-over geeft. De hal staat vaak niet bovenaan zo’n lijstje. Misschien spreek ik daar uit ervaring. Ik woon in een oude bovenwoning, en hoewel ik alles zoveel mogelijk naar mijn smaak heb proberen aan te passen en in te richten ligt er in de hal en op de trap naar boven nog een oud en misschien zelfs wel een beetje smoezelig tapijt.

En toch… De hal is de plek waar je voor het eerste een kijkje in iemands huis krijgt. Het is de plek waar je beseft dat je je ergens meteen thuis voelt of waar het misschien toch nog wat onwennig is. In de hal wissel je beleefdheden uit, zoals dat antwoord ‘dat had je nou echt niet hoeven doen’ wanneer iemand een bloemetje mee brengt. Maar het is ook de plek waar een gesprek soms zomaar een laag dieper gaat, wanneer je na afscheid toch nog een half uur staat na te praten in de hal. Die verschillende ervaringen kun je soms ook al voor de deur ervaren. De verwachtingen als je net hebt aangebeld, het gevoel wanneer je over de drempel stapt, ze kunnen ontzettend divers zijn. Soms onbevangen, soms met spanning of juist met grote, positieve verwachtingen. Ervaringen en emoties die afhankelijk kunnen zijn van de ander, degene die je bezoekt, maar ook van je eigen gemoedstoestand.

II

In Psalm 84 krijgen we een inkijkje in de gemoedstoestand van de dichter. In de psalm is een pelgrim aan het woord, een pelgrim op weg naar Jeruzalem. Om feest te vieren; te danken de oogst is binnengehaald; om te God te ontmoeten. De psalm vloeit over van verlangen naar de woonplaats van God, er klinkt een diepe passie in door voor de tempel: daar waar God aanwezig is, waar hemel en aarde elkaar raken.

Je ziet de dichter als het ware wat jaloers kijken naar die vogeltjes: de mus en de zwaluw die onbekommerd hun nesten maken bij het altaar. Ze hebben een veilige plaats gevonden in het huis van God. Die vogeltjes staan voor de dichter symbool voor het leven, de vrijheid en vreugde van hen die dicht bij God wonen. En hij verlangt naar datzelfde privilege.

De onbekommerdheid van die vogeltjes, de vrijheid die ze voelen om bij God in de tempel hun nesten te maken, doet denken aan Mattheüs 6, waar Jezus zegt: ‘Kijk naar de vogels in de lucht: ze zaaien niet en oogsten niet en vullen geen voorraadschuren, het is jullie hemelse Vader die ze voedt. Zijn jullie niet meer waard dan zij?’

Is dat misschien wat bij God verblijven met ons doet? Dat we iets van die rust en onbekommerdheid vinden, wanneer we ons door hem laten voeden? Hier vanochtend in de kerk of thuis, maar ook op gewone dagelijkse momenten door de week heen. De kerkvader Augustinus zegt ergens ‘Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in u’. Een diepe rust die te vinden is wanneer we thuiskomen bij God, bij onze Vader en Schepper.

Ik kan me die verzuchting bij thuiskomst na een vakantie nog wel herinneren. ‘Hè, hè, eindelijk thuis!’ Nu zal die verzuchting misschien meer te maken hebben gehad met de vermoeiende reis dan met de vakantie zelf, maar toch… gebeurt het niet vaak dat we op allerlei plekken en op allerlei manieren zoeken naar ontspanning en rust, voortdurend bezig zijn om ons verlangen naar geluk en liefde te vervullen, terwijl die rust en dat geluk veel dichterbij te vinden zijn: thuis, bij God.

Dat is ook de reden dat Augustinus zegt ‘onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U’. Hij leidt die zin in met de woorden ‘Gij hebt ons tot u geschapen’. Dat verlangen naar rust, naar geluk, is volgens hem altijd ten diepste een verlangen naar God. Een verlangen naar onze Schepper, die ons door en door kent en weet wat we nodig hebben.

Zo ook voor de psalmdichter. Al is het maar op de drempel… daar wil hij zijn, daar waar God is. Beter één dag in uw voorhoven dan duizend dagen daarbuiten, beter op de drempel van Gods huis dan wonen in de tenten der goddelozen”.

Het is niet helemaal duidelijk of de tekst verwijst naar een pelgrim die nog wacht op de drempel of een deurwaarder, iemand die een lage functie in de tempel bekleed, maar wel wordt duidelijk dat het hoe dan ook beter is dan te verblijven te midden van de goddelozen of kwaadaardige, al zou zijn positie daar nog zo hoog zijn.

De dichter beseft dat geluk en vreugde daar niet te vinden zijn. En ergens is dat herkenbaar, want voelen we ons ook niet het meest gelukkig op de drempel van een goede vriend of familielid? Iemand die ons door en door kent? Gelukkiger dan in welke ruime of prachtig gedoceerde paleishal dan ook. En tegelijk, wat kunnen we ons soms druk maken… over ons werk, over ons succes of dat wat we bezitten. We zeggen allemaal dat geld niet gelukkig maakt, dat succes ook maar relatief is, en toch bewust of onbewust vult het onze gedachten of koppelen we het aan de mate van geluk of vreugde die we ervaren.

Maar…, zegt de psalmdichter hier, echte diepe vreugde, die niet afhangt van onze omstandigheden, is daar niet te vinden, maar bij God alleen, bij onze schepper. Dat is waarom hij zingt van zijn verlangen om te verblijven in de aanwezigheid van God en zijn onfeilbare liefde.

Tegelijk roept de tekst daarmee ook op tot verantwoordelijkheid en navolging. Wanneer we verblijven op de drempel van Gods huis, dan betekent dat ook dat we ons laten inspireren en vervullen door de liefde die daar woont, door Gods barmhartigheid en rechtvaardigheid. Zodat we ook weer terug de drempel over kunnen stappen, klaar om als pelgrim vervuld weer op weg te gaan en te delen van die liefde.

III

Maar misschien hoorde je deze tekst wel heel anders. Misschien zie je jezelf daar aarzelend bij de drempel staan, onzeker of je wel naar binnen wil of durft te gaan. Misschien voelt het of je überhaupt niet in de buurt van die drempel bent, maar nog zoekend onderweg. Of je bent weer thuis in de dagelijkse sleur van het leven, en dat moment op drempel, in de hal van Gods huis, voelt ver weg, de herinnering bijna onwerkelijk.

Gelukkig is deze psalm er niet alleen voor hen die al comfortabel op die drempel verblijven, nee, ze is er juist ook voor ons wanneer we nog zoekend of onderweg zijn.

Gods aanwezigheid is niet altijd even voelbaar en waarneembaar, en wat kan ons eigen verlangen soms ook zo ontzettendkwetsbaar zijn. Maar juist dan is deze psalm er als een bemoediging om zoekend en hopend door te gaan, een herinnering aan eerdere ervaringen met God, en bedoeld om telkens weer ons verlangen naar Hem te voeden.

Zoals de herinnering aan een warm huis of het vooruitzicht om een droge en warme hal binnen te stappen, ons helpen om door te gaan wanneer we koud of nat op de fiets zitten, zo is het ook de hoop en de verwachting van Gods aanwezigheid of die herinnering aan Zijn liefde en ontferming die ons – soms nog aarzelend en zoekend – op weg doen gaan.

IV

Gelukkig zijn we niet de enige die zoeken en aarzelen, in Zacheüs komen we ook zo iemand tegen. In Lukas lezen we Hij wilde Jezus zien, om te weten te komen wat voor iemand het was’. Die woorden wijzen op nieuwsgierigheid om meer over Jezus te weten te komen, maar volgens mij laten ze ook iets van verlangen zien. Verlangen naar de man over wie hij al zoveel had gehoord. Zeker wanneer we vervolgens lezen hoe hij in zijn poging om een glimp van Jezus op te vangen voor de menigte uit rent en zelfs in een boom klimt. Zacheüs maakt zich er niet gemakkelijk van af.

Maar hoewel hij dus zo zijn best doet om dichter bij Jezus te komen, zien we tegelijkertijd iets van terughoudendheid. In de boom heeft hij een prachtig uitzicht, maar blijft hij tegelijk ook verborgen, veilig op afstand. Wat is het, dat hem ondanks zijn verlangen naar Jezus, in die boom houdt?Is het aarzeling? Of schaamte? Over zichzelf, richting de omstanders of Jezus? Of is het vanwege de schijnbare veiligheid of controle die de boom lijkt te bieden? Het verhaal vertelt het niet, maar ik hoef weinig moeite te doen om me er een voorstelling van te maken.

Want is dat ergens voor ons allemaal niet soms herkenbaar? Dat ons verlangen naar God soms hand in hand lijkt te gaan vragen of twijfels? Dat we verlangen naar Gods aanwezigheid, maar worstelen met vertrouwen. Of misschien herken je iets van die schaamte, over jezelf of over je geloof in God?  Schaamte omdat het zo vaak lastig blijft om vorm te geven aan ons geloof of juist omdat het soms misschien naïef voelt om te zeggen dat je gelooft. Maar dan terwijl we nog zoekend onderweg zijn of nog aarzelend op de drempel staan van Gods huis… Wanneer we ons net als Zacheüs misschien nog veilig hebben teruggetrokken in onze boom… klinken de woorden van Jezus: ‘kom vlug naar beneden, want vandaag moet ik in jouw huis verblijven’.

Jezus laat zich niet tegen houden door wie Zacheüs is – voor die tijd als rijke hoofdtollenaar een zondaar bij uitstek – maar net zo min laat hij zich tegen houden door Zacheüs’ eigen aarzeling.  Met zijn woorden staat Jezus erop dat anonieme kennismaking plaatsmaakt voor diepe ontmoeting. Jezus nodigt zichzelf bij Zacheüs uit.

En het is in die ontmoeting die Zacheüs verandert. Vol vreugde ontvangt hij Jezus in huis. Niet langer is hij een buitenstaander, niet langer de man die zich aarzelend of zelfs met schaamte verborg in de boom. Zijn ontmoeting met Jezus, de blik die hij krijgt op Gods nieuwe wereld, geeft hem zelfs de moed en het enthousiasme om daar ten overstaan van een grote en sceptische menigte van te getuigen. De verandering die Jezus in hem teweeg brengt, vervult hem van verlangen om zelf tot verandering te zijn in zijn omgeving, om uit te delen van de vreugde die hem ten deel is gevallen.

En zo klinken die woorden ook tot ons, ‘vandaag moet ik bij jouw in huis verblijven’. Gelukkig is de ontmoeting met Christus niet alleen afhankelijk van ons verlangen, Hij verlangt er ook naar bij ons te zijn. God verlangt er naar onze hal, ons leven, binnen te komen en te vullen met zijn aanwezigheid, met zijn rust en vreugde.

Dan gaat het er niet om of onze hal wel keurig aan kant is, of we ons leven al op orde hebben, of nooit meer zoeken en aarzelen. Het begint met verlangen naar zijn aanwezigheid, en ruimte in ons leven om ons te laten te raken en vullen met zijn liefde en hart voor gerechtigheid. Zodat de vreugde van God en zijn zegen ons in staat stelt om zelf tot zegen te zijn.

Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.