Skip to main content

Preek van de Week – Zondag 23 oktober ’16

Overweging door ds. Evert Jan Veldman
Nieuwe Kerk / Martinikerk

 

Genesis 39, 1 – 23
Lucas 18, 9 – 14

I
Welke kinderbijbel het was, weet ik niet meer. Maar bij het verhaal over Jozef in het huis van Potifar, stond een tekening van een vrouw, liggend op een divan, steunend op een arm. Het was een spannende vrouw. Anders in ieder geval dan mijn moeder of de buurvrouw. Die hadden geen divan. En ook niet dat soort kleren. Ze had iets van 1001 nacht. In mijn herinnering keek ze me aan. Een beetje brutaal. Zo van: ‘Nou? En?’.

In de kleuterbijbel van Anne de Vries ontbrak die spanning. Dat mens was gewoon slecht. Egyptisch en slecht. Ze keek als een heks. En ze had het overkleed vast van een bange Jozef, die probeerde weg te komen. ‘Die vrouw, dat was een hele valse vrouw,’ zegt het verhaal. ‘Kom maar, dan gaan we samen kwaad doen,’ zegt ze tegen Jozef. Over ‘framen’ gesproken. Het verhaal van God met de mensen terug gebracht tot de strijd tussen goed en kwaad. Waarbij de erotiek in het verdomhoekje raakt en de vrouw het kwaad belichaamt. Voor altijd besmet met het virus van Eva, die de slang in het paradijs niet kon weerstaan.

II
Hoe zou je het verhaal van Jozef en de vrouw van Potifar ook anders moeten lezen? Ook als je het al lang hebt afgeleerd om vrouwen en donkere mensen van alles de schuld te geven, is het toch overduidelijk dat de vrouw van Potifar de aanstichtster is van alle ellende die volgt? Dankzij haar belandt Jozef in het duister van de kerker. Terug bij af, voor wie zich het verhaal herinnert over Jozef in de put. Gedumpt door zijn broers. En later als slaaf verkocht. Afgedaald naar Egypte. Zo heet dat in de bijbel als je vanuit Kanaän naar Egypte gaat: afdalen naar Egypte. Soms heb je niks te willen. Maar dieper dan Egypte kan een kind uit Israël niet afdalen. Je raakt er als vreemdeling tussen de wielen van een meedogenloos maatschappelijk systeem. Het heet in de Bijbel niet voor niets Benauwenisland. Net nu het wat beter ging met Jozef en met iedereen, wordt hij terug geduwd de diepte in. Ja, wie anders dan de vrouw van Potifar is hier schuldig aan?

En toch. De Bijbel blijft een mannenboek. Ook als vrouwen dat verhaal van mannen scheef trekken: vrouwen als Tamar en Ruth, Rizpa en Deborah, Maria en Hanna. Het zijn mannen die er woord aan geven. Dat moet ons waakzaam maken. De bijbel is geen bak hapklare brokken, die God ons opdient. Zeker, de bijbel getuigt van God. Maar God laat zich er niet in vangen. God laat zich zien in de verhalen. Soms even. Zet harten in vuur en vlam. Werpt licht op de geschiedenis. Maar even vaak verbergt God zich in de verhalen. En misschien wel juist daar waar klip en klaar is hoe het zit, wie er deugt en wat niet. Als wij schande spreken van de vrouw van Potifar, is God al lang ergens anders. Maar ook als wij in onze goedheid het voor haar opnemen, is God al lang ergens anders. We hoeven niets goed te praten. Dat is niet nodig en misschien ook niet eens gewenst. Voor je het weet zit je toch nog gevangen in het schema van goed en fout van de kleuterbijbel van Anne de Vries.

In de verhalen over Jozef gaat het niet over goed en kwaad, maar over de verhoogde die vernederd wordt en over de vernederde die verhoogd wordt. In dat spanningsveld ontspint zich het  verhaal. Het begint met het voetstuk waarop de oude vader Jakob zijn lievelingszoon Jozef zet. Hij krijgt van zijn vader de mantel als van een koningszoon omgehangen Dan komen de dromen waarin al zijn broers zich, met zijn vader en zijn moeder, voor hem buigen. Die haten hem om wat hij zich verbeeldt. Ze halen hem van zijn voetstuk. Ze trekken hem de koningsmantel uit. Ze dumpen hem in de put. Ze geven hem prijs aan Benauwenisland. De koningszoon is slaaf geworden. De verhoogde is vernederd.

Maar dan klimt Jozef weer op, tot in het huis van Potifar. Hij heeft het geluk aan zijn kont hangen. Zegen heet dat in de Bijbel. Heel het huis profiteert er van mee. Het gaat de mensen goed. Het gaat de dieren goed. De heer des huizes stelt Jozef aan over heel zijn huis. ‘Al wat hij heeft, heeft hij hem in de hand gegeven,’ zegt het verhaal. De vernederde wordt verhoogd. Totdat.. Alles wordt hem weer ontnomen. Jozef belandt in de duistere kerker, in de put 2.0. De verhoogde wordt opnieuw vernederd. Maar ook daar, waar elke weg normaliter doodloopt, klopt een hart en groeit er vriendschap. Jozef richt zich op. En alle vernederden worden aan hem toevertrouwd.

Ja, de Bijbel is een mannenboek. Maar dit geheim van vernedering en verhoging, van verhoging en vernedering, gaat daar ver boven uit. Met straffen van het kwade en belonen van het goede heeft het niets van doen. Met kleineren en een man worden nog veel minder. In die schema’s is God ver te zoeken. God is geen mannetjesmaker in het kwadraat. En ook geen Opperwezen dat mensen in het gareel probeert te houden. Nee, God licht op, soms even, in die beweging tussen vernedering en verhoging. God licht op waar die zichzelf vernedert om bij Jozef te zijn in zijn vernedering. En God licht op in de wonderlijke verhoging van de vernederde en in de mazzel van de mensen om Jozef heen.

Om daar niet aan voorbij te zien, willen de rabbijnen voorkomen dat de vrouw van Potifar wordt neergezet als de ‘femme fatale’, als de vrouw die alle schuld moet krijgen. Daarom is in de Hebreeuwse tekst boven het woord ‘weigeren’ een klein tekentje gezet, een sjalsjèlet. Volgens de rabbijnen wijst dit tekentje op een lichte aarzeling van Jozefs kant als de vrouw met hem naar bed wil.

Die lichte aarzeling honoreert de spanning die zich tussen beide heeft opgebouwd. Ze voelen zich tot elkaar aangetrokken. In dit geval: deze vrouw en deze man. Het zit ingebakken in onze natuur dat een mens niet zonder de ander kan. Dat mensen op elkaar zijn aangewezen, daar kun je mooie preken over houden. En soms moet dat zelfs. Zeker in een tijd waarin zo hard wordt geroepen dat een mens zelfredzaam hoort te zijn. Zeker in een tijd waarin mannen met geld en macht vrouwen tot speeltjes degraderen. Maar ten diepste zijn we gewoon op elkaar aangelegd. God wil niets liever dan dat dit er uit komt. God verleidt de natuur om mee te werken aan zijn groots project waarin de vernederde wordt verhoogd en recht en vrede elkaar begroeten met een kus. In dit verhaal zie je dat terug. ‘Jozef wordt schoon van gestalte en schoon van aanzien,’ staat er. ‘Wat doet dat er nou toe?,’ vraagt de gelovige zuinigjes. Het is het eerbetoon van de natuur aan Gods nieuwe schepping.

III
Aan het begin en aan het eind van het verhaal zoekt God Jozef op in zijn vernedering. Niet de almacht maar de nabijheid is Jozef tot zegen. Het is deze nabijheid die voorspoed brengt. Eerst aan Jozef. Dan aan heel het huis van Potifar. En Potifar herkent deze voorspoed als anders. Anders dan de voorspoed die Egypte brengt. Anders dan de voorspoed die met harde hand wordt afgedwongen via uitbuiting en onderdrukking. De voorspoed, die je met hand en tand verdedigen moet tegenover hen die aan je stoelpoten zagen en het op jouw positie hebben gemunt. Potifar erkent dat het een voorspoed is die hij nog niet kende. ‘Al wat hij heeft laat hij achter in de hand van Jozef, en met hem naast zich weet hij van niets meer dan van het brood dat hij eet,’ staat er. In Egypte kom je oren en ogen tekort om je rijkdom veilig te stellen. Maar bij Potifar heerst totale ontspanning. Iedereen komt aan zijn trekken.

Nou ja, iedereen? Tussen de vrouw van Potifar en Jozef bouwt zich een spanning op. De natuur kent ook zijn eigen wetten. Niet goed. Niet fout. Gewoon natuur. De prijs die de binnenste kring van mannen rond Farao betaalde voor hun bevoorrechte positie aan het hof, was castratie. Het maakt een man minder bedreigend. Potifar betaalt de prijs. Maar dus ook zijn vrouw.

Zijn vrouw geeft zich bloot aan Jozef. Op deze slaaf kijkt ze niet neer. Ze heft haar ogen op naar deze gezegende jongen. ‘Slaap met mij!,’ zegt ze. Deel met mij jouw zegen. Laat de natuur zijn gang gaan. Dat Jakob weigert heeft niet met preutsheid te maken. De weigering is zelfs niet terug te brengen tot het taboe op overspel. Het is het ontzag voor de zegen, die jou geeft wat jij niet hebt verdiend. De zegen is niet van nemen. De zegen is van geven. De zegen komt uit God voort, die zichzelf wegschenkt aan een wereld in nood. Voor Jozef heeft zijn heer Potifar trekken van deze God. ‘Hijzelf is niet groter in dit huis dan ik, en hij heeft mij niet wát dan ook onthouden behalve u, omdat u zijn vrouw bent,’ zegt Jozef. Hij weigert. Maar vergeet niet wat de Rabbijnen zeiden: het is met een lichte aarzeling.

En ik vertel het ook met een lichte aarzeling. Want zou hier sprake zijn geweest van nemen? Met het zelfde recht kun je zeggen dat twee mensen zich hier aan elkaar wilden geven. En wat moet het voor haar betekend hebben consequent de vrouw van Potifar genoemd te worden? Alsof ze geen zeggenschap heeft over zichzelf. Het blijft een verhaal, door mannen verteld.

Als ze uiteindelijk probeert Jozef te nemen, implodeert de zegen. Alles is weer Egypte dat de klok slaat. Jozef wordt weer die Hebreeër, die gelukszoeker van ver, bij wie het testosteron uit zijn oren komt – want dat is ongeveer de klank van dat woord Hebreeër. Zij bijt van zich af. Zij verdedigt zich met verve. Want het is in deze situatie: hij eraan of ik eraan. Een bekentenis van haar kant zou haar einde betekenen.

Jozef verdwijnt in de kerker. De zegen is weg uit het huis van Potifar. Hij laat Jozef niet ombrengen. Terwijl dat de gepaste straf zou zijn geweest. Maar Potifar weet beter. Hij gelooft zijn vrouw niet. Maar hij kiest voor haar en daarmee voor zichzelf. Want wie in Egypte wil nou publiekelijk zijn gezicht verliezen? Het is een menselijke tragedie. Dat is wat overblijft als Gods zegen van je wijkt.

IV
En het verhaal begint weer van voren af aan: de verhoogde wordt vernederd. Jozef krijgt zo messiaanse trekken. De glans van God die zichzelf vernedert om de wereld te redden, hangt om hem heen. Het verhaal wacht op het moment dat de zegen die voor een bestemde tijd op het huis van Potifar rustte, straks heel Egypte ten deel zal vallen. Tot de dag daar is dat op heel de wereld trouw en waarheid elkaar zullen omhelzen, recht en vrede elkaar begroeten met een kus. Zoals Psalm 85 zingt. En de natuur doet in de psalm hartstochtelijk mee: “het land zal vruchten geven”.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *