Preek van de Week – Zondag 26 augustus ’19 door ds. Marga Baas

De afsluitende zomerdienst in de serie over ‘De zeven deugden als levenskunst’

Bij de verbeelding
Alphons ter Avest, Glazen echo, 2014 Gemeentehuis in Zeist

Sinds 2014 hangt als een moderne kroonluchter aan het plafond in de hal van het gemeentehuis te Zeist het fonkelende glaskunstwerk van Alphons ter Avest:
Glazen echo.
De kroonluchter is opgebouwd uit zeven maal zeven vormen, die verwijzen naar de zeven deugden.
De kroonluchter met zijn transparante vormen hangt binnen.
Buiten zijn de matrijzen te zien, die de glasvormen hebben omhuld.
Er is dus een verband tussen binnen en buiten.
De kunstenaar heeft niet teruggegrepen op de traditionele symboliek, zoals die ook in deze diensten aan ons oog voorbijgetrokken is.
Hij koos voor een andere, nieuwe verbeelding, die trouwens wel met de achter ons liggende geschiedenis verbonden is.
De uil staat voor de wijsheid, de ezel voor rechtvaardigheid, de eekhoorn voor matigheid en spaarzaamheid, de diamant voor moed, de vrucht van de eik voor hoop en geloof, de lelie voor de naastenliefde en de icosaëder voor zachtmoedigheid en zuiverheid. Die laatste figuur is niet zoals de overige zes aan de natuur ontleend, maar aan de wiskunde; het is een vijfvoudig veelvlak.
De glasvormen vangen en weerkaatsen voortdurend het licht.
Door de wisselende lichtval en de veranderende positie van de kijker doet het kunstwerk zich op ieder moment weer anders voor, als een caleidoscoop.
Het is een artistieke, luchtige verbeelding van de complexiteit van onze moraal en van onze steeds weer nieuwe interpretaties.

 

Overweging

1.
Het kunstwerk van Alphons ter Avest is, denk ik, tekenend voor onze tijd.
Het laat nl. zien hoe veranderlijk, veelvormig en complex onze moraal is.
Het verwijst daarbij bovendien op een verrassende, speelse manier naar de oude klassieke deugden als oriëntatiepunten of kapstokken voor het hedendaagse denken en spreken over de kwaliteit van leven.
Het woord ‘deugd’ heeft voor velen waarschijnlijk nog een ouderwetse bijklank, maar het is opvallend hoe het vanaf het begin van de 21ste eeuw een regelrechte ‘come-back’ beleeft.
Alleen al de keuze voor de deugden als thematiek voor deze zomerdiensten getuigt daarvan.
Er heeft zich kennelijk een omslag voltrokken.
Een tijd lang werden in onze samenleving vooral vrijheid en individuele zelfbeschikking benadrukt.
Een beroep op traditie en moraal riep vaak scepsis, spot en wantrouwen op,
voorkomend uit de angst voor restauratie – een terugval naar de jaren vijftig en het daarbij behorende burgermansfatsoen.
Maar nu wordt er weer gesproken over normen en waarden – niet alleen met betrekking tot de onderlinge omgangsvormen of in relatie tot medische kwesties, maar ook in verband met politiek-maatschappelijke vraagstukken als openbaar bestuur, duurzaamheid en klimaatverandering.
In het publieke debat wordt weer een beroep gedaan op de aloude deugden.
Sinds de eeuwwisseling is alleen al in Nederland een stroom aan publicaties verschenen over deugdethiek en levenskunst.
Er zijn verschillende manieren van ethiek bedrijven.
Je kunt het contract tot uitgangspunt nemen als een manier om samenlevingsvragen op te lossen.
Er zijn ook denkers die zich concentreren op de plicht die aan elk doel en iedere bedoeling voorafgaat.
Anderen richten zich op het nut en de effectiviteit waarmee mensen bereiken wat ze willen.
Hoe onderling verschillend ook, bij al deze vormen van ethiek gaat het om de vraag: wat moet ik doen, hoe moet ik handelen?
De deugdethiek stelt een iets andere vraag, nl. hoe moet ik leven? wat voor soort mens moet ik zijn wil ik aan mijn bestemming beantwoorden?
Het perspectief is het leven als geheel, de plaats die ieder mens als persoon daarbinnen inneemt en de karaktertrekken of deugden die iemand maken tot wie zij of hij is.

2.
Als Paulus zich tegen het einde van zijn heftige brief met bemoedigende woorden en aansporingen tot de Galaten richt, somt hij een hele reeks kwaliteiten op, die hij kenmerkend vindt voor de levenshouding van mensen die hun leven met Christus hebben verbonden: liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing.
Gaat het hier om een paulinische deugethiek, die aanleunt tegen de klassieke deugden?
De apostel zelf heeft het niet over deugden, maar over de vrucht van de Geest – niet in meervoud, zoals in het lied over de goede vruchten, maar als enkelvoud.
Hij onderscheidt een leven naar het vlees en een leven naar de geest.
Dat woordgebruik kan ons op het verkeerde been zetten, omdat we geneigd zijn
‘vlees’ en ‘geest’ te vertalen in termen als: lichamelijk tegenover geestelijk, spiritueel.
De Nieuwe Vertaling vermijdt het woord ‘vlees’ en vertaalt parafraserend met: onszelf, onze eigen wil, onze eigen begeerten, etc.
‘Vlees’ is in de brieven van Paulus het geheel van het menselijk leven vanuit één standpunt: dat van wederzijdse uitsluiting.
Leven naar het vlees is de karakterisering voor leven van mensen die van elkaar zijn afgesloten.
Leven naar de geest (met kleine letter of met hoofdletter) is geen uitdrukking ter typering van een zweverige vorm van spiritualiteit, maar de aanduiding voor leven van mensen die voor elkaar open staan – praktisch en concreet.
Als Paulus ethische vragen behandelt of gemeenteleden met vermaningen aanspoort, is het hem er niet allereerst om te doen morele principes en specifieke waarden te verduidelijken, maar wil hij dat we ons afvragen of onze gewoonten en beslissingen in overeenstemming zijn met God, met de goddelijke stijl van leven.
En die heeft alles te maken met verbondenheid, toewijding, geven en vergeven.

3.
In de Galatenbrief, – ook in het fragment dat we gehoord hebben -, is vrijheid een kernwoord.
Die vrijheid is geen vrijbrief om maar te kunnen doen wat je wilt.
Die vrijheid is allereerst de vrijheid van het idee, dat je eerst aan allerlei voorschriften en eisen moet voldoen voordat God je omarmt en verwelkomt.
Vrij van deze angst om nooit goed genoeg te zijn in Gods ogen, gaan we een nieuwe ruimte binnen: de vrijheid van een christenmens.
Christelijke vrijheid is de vrijheid om God goddelijke dingen in je te laten doen.
We worden van binnenuit veranderd op zo’n manier dat in ons eigen bestaan de gestalte van God in Jezus valt af te lezen.
Die nieuwe ruimte is de ruimte van de vrijheid van Jezus, het soort leven dat hij heeft geleefd – zijn innige verbondenheid met God en de royale en reserveloze liefde die zichtbaar is geworden in zijn leven voor anderen en zijn dood aan het kruis.
In de Galatenbrief verbindt Paulus deze vrijheid met de Geest – de Geest van God, die we ook de Geest van Jezus mogen noemen, omdat Jezus helemaal van Gods Geest was doordrenkt en volledig in die Geest heeft geleefd.
Waar we door Jezus worden geraakt, waar we delen in zijn Geest, tekent zijn manier van leven zich meer en meer af in ons eigen bestaan.
Een nieuw patroon, andere levenswet gaat in ons werken, aldus Paulus, waardoor de goedheid van God, de vrucht van de Geest, op veelkleurige wijze in ons tot groei en bloei komt.

4.
Ik kom terug op de eerste dienst uit deze reeks, waarin naast de gelijkenis van het zaad een citaat van de monnik Thomas Merton centraal stond.
Merton schreef over de zaden die God plant in de tuin van onze vrijheid.
We kunnen die zaden negeren.
We kunnen ons ook erop toeleggen die zaden liefdevol te verzorgen:
zo worden we wie we in Gods ogen zijn.
Met dat prachtige beeld in gedachten lees ik ook de woorden van Paulus.
Het gaat niet om een dwang die mensen wordt opgelegd, een nieuw moeten.
Al laat de geschiedenis van het christendom zien, dat mensen maar al te vaak weer in een strak keurslijf werden geperst van regels en geboden.
Daarmee is de kerk verdacht veel op de samenleving gaan lijken.
Niet alleen de samenleving van vroeger, maar zeker ook die van vandaag,
waar velen bezwijken onder de druk om te moeten presteren en uit te blinken.
Ook de deugdethiek kan dan worden ervaren als het zoveelste juk dat ons wordt opgelegd.
Maar met dwang zijn we ver bij Paulus en de vreugde van het evangelie weg- geraakt.

5.
Daar, in het evangelie, zien we wat er gebeurt als het zaad van de zaaier niet alleen op steenachtige grond, langs de weg of tussen de doornen en distels valt, maar in goede aarde, d.w.z. in het leven van mensen die het woord van Gods koninkrijk ontvangen en teruggeven: dertig-, zestig-, honderdvoud.
In overlopende dankbaarheid voor de komst van Jezus in zijn huis roept Zacheüs uit:
“Kijk, Heer, de helft van mijn bezittingen geef ik aan de armen, en als ik iemand iets heb afgeperst vergoed ik het viervoudig.”
Dat hij gezien en aanvaard is, bij name genoemd – dat verandert de tollenaar van een klein en miezerig mens in iemand die rechtop gaat staan voor God.
Hij is terechtgebracht en terugroepen bij zijn bestemming: kind van God te zijn, zoon van Abraham.
“Vandaag, hier en nu, wil ik in jouw huis verblijven”.
Het leven van de tollenaar wordt met die woorden een plaats waar Gods koninkrijk aan het licht komt en opbloeit.
Meer dan het gewone doet Zacheüs.
Gods gevende en vergevende goedheid heeft bij hem weerklank gevonden en wordt weerkaatst in een vrijgevigheid waaraan elke berekening vreemd is.
De vijgenboom van Zacheüs draagt volop vrucht.
Een nieuwe toekomst is begonnen.

6.
Terugkerend naar Paulus zou je misschien kunnen zeggen dat hij geloof probeert te omschrijven als dit moment van het binnenvallen van Gods goedheid in ons bestaan.
Bij Paulus draait moraliteit om manifestatie, schrijft Rowan Williams kort en krachtig (God ontmoeten in Paulus, p. 81).
We worden aangemoedigd hier op aarde, in het geleefde leven, Gods genade te weerspiegelen en zichtbaar te maken.
Niet alleen in ons persoonlijk leven, maar ook in het gemeenschappelijk leven – in de kerk, de samenleving, de schepping.
Dat gaat niet zonder vallen en opstaan.
Het heet dan wel leven van genade, maar het vraagt onze volhardende inzet.
Vaak neemt die inzet de vorm aan van weinig verheven gemodder en geploeter.
Maar in dit gemodder is God zelf aanwezig en breekt Gods Koninkrijk door.

7.
Twee weken geleden hebben we al gezien hoe Paulus in verband met het gemeenschappelijk leven de metafoor van het lichaam gebruikt om de wederzijdse gave en de onderlinge afhankelijkheid te benadrukken.
Wezenlijk voor de gemeenschap is de door de Geest geleide wederkerigheid.
Niet een persoonlijk gekoesterd zelfbeeld of nagestreefd persoonlijkheidsideaal staat voorop en is doorslaggevend bij het overwegen van ethische vraagstukken en het nemen van beslissingen, maar de vraag of mijn handelen dienstbaar is aan het welzijn van de naaste en de opbouw van het geheel.
Goed is, wat leven aan allen en alles geeft. (Williams p.83).
Dienstbaarheid aan de gemeenschap gaat niet voorbij aan de waardigheid van de unieke persoon.
Ieder mens heeft, net als ikzelf, Gods barmhartigheid en ontferming tot oorsprong en bestemming.

8.
Heeft de christelijke traditie iets in te brengen in het publieke debat over de vraag naar het goede leven?
Is er een specifiek christelijke visie op de cultuur en de inrichting van onze samenleving?
Met die vragen uit de voorbereidingsgroep laat zich nog minstens een andere reeks zomerdiensten vullen.
Een belangrijk uitgangspunt is het geloof dat wij mensen hoe dan ook met elkaar en met alles wat leeft verbonden zijn, omdat wij als schepselen leven in een wereld waarvan wij belijden dat zij God toebehoort en uit Gods liefde is voortgekomen.
Ik wil ook vandaag nog eens de woorden van Dorothee Sölle laten klinken, die ons in de voorbereidingstijd hebben vergezeld.
Zij schreef:
“.. ik zie het christelijk geloof dat ik belijd als een voorliefde voor het leven boven de dood (…) Gods optie geldt het leven; met die ogen van God wil ik ook kijken, zonder te loochenen wat er – nog, zoals ik er gelovig aan toevoeg – in dodelijke tegenspraak mee staat. Het is niet het toeval dat ons op deze kleine blauwe planeet heeft gezet, het leven zelf roept ons op om te delen in het leven met een dankbaarheid die ook in de duisternis niet ophoudt; om het leven als geschenk te ervaren. (…) Ik geloof in God, in de scheppende kracht die het ‘niet-zijnde tot aanzijn roept’ (Rom. 4:17), die goed is en wil dat wij goed zijn, dat betekent heel en bloeiend in ons vermogen God te weerspiegelen.” (Er moet toch meer zijn. Nadenken over God, p.109, 110).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *